ECLI:NL:TGZRZWO:2018:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 024/2018
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:139 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-07-2018 |
| Datum publicatie: | 17-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 024/2018 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen oogarts inzake niet verwijzen in verband met glaucoom en een maculagat en onvoldoende informatie over de noodzaak van verwijzing met betrekking tot het maculagat. Klacht gegrond wat betreft het informed consent. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 17 juli 2018 naar aanleiding van de op 31 januari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a g e r
-tegen-
C , oogarts, werkzaam te B, bijgestaan door mr. W.R. Kastelein, advocaat te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 26 maart 2018 gehouden mondeling vooronderzoek.
2. FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Sinds 1987 is klager, geboren in 1938, in verband met glaucoom aan beide ogen onder behandeling bij de polikliniek oogheelkunde in het D, thans E.
In 2009 ontstond bij klager een maculagat in zijn rechteroog.
Op 30 juni 2009 noteerde verweerder naar aanleiding van een poliklinisch consult: “(pseudo)gat” en “pm F [de plaats waar het academische ziekenhuis in de regio is gevestigd, RTC]”.
Op 16 juli 2009 noteerde hij: “Wil nog geen F”.
Halfjaarlijks werden controles verricht, met regelmatig gezichtsveldonderzoek. Hierbij werden oogdrukken gemeten tussen 12 en 19 mm/Hg, met uitzondering van een meting op 16 februari 2015 die 29/30 mm/Hg bedroeg. Bij brief van 17 maart 2015 verwees verweerder klager in verband met deze oogdruk in combinatie met achteruitgang van het gezichtsveld naar de oogarts in het academisch ziekenhuis te F bij een laatste oogdruk van 18/16 mm/Hg. Klager kreeg eerder al oogdruppels om de oogdruk te verlagen voorgeschreven, die verweerder steeds heeft gecontinueerd.
In F duurde het nog tot december 2015 voordat klager wordt geopereerd in verband met het glaucoom.
Op 4 december 2015 heeft de klachtencommissie de klacht van klager, dat verweerder hem onjuist heeft geïnformeerd over de risico’s bij het operatief sluiten van het maculagat en de gevolgen bij niet behandelen, gegrond verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.
Bij brief van 22 december 2015 heeft de Raad van Bestuur van E aan klager meegedeeld dat zij zich aan de uitspraak van de klachtencommissie heeft geconformeerd en dat de Coöperatie Medische Staf de uitspraak met verweerder zal bespreken.
Bij brief van 21 februari 2017 heeft klager de Raad van Bestuur van E aansprakelijk gesteld voor de letselschade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van een medische fout van verweerder. Op 18 april 2017 heeft de Raad van Bestuur van E deze aansprakelijkheid afgewezen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt verweerder, zakelijk weergegeven:
(a) dat hij hem in 2009 onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de gevolgen van het niet laten behandelen van het maculagat; de risico’s zijn minder groot dan door verweerder aangegeven en hij heeft niet gezegd wat er zou gebeuren als er niet werd geopereerd.
(b) dat hij hem in 2009 had moeten doorverwijzen voor een operatie aan het maculagat;
(c) dat hij hem in verband met een te hoge oogdruk niet tijdig heeft doorverwezen naar het academisch ziekenhuis te F.
Volgens klager is door dit handelen c.q. nalaten van verweerder zijn zicht onnodig verminderd.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder heeft tegen de klacht allereerst ingebracht dat klager lang heeft gewacht met het indienen van de onderhavige tuchtklacht en dat, indien en voor zover hij daardoor in zijn verdediging wordt belemmerd, dit voor rekening en risico van klager dient te komen. Volgens verweerder heeft hij met klager op 30 juni 2009 en 16 juli 2009 het maculagat besproken, alsmede een eventuele doorverwijzing naar het academisch ziekenhuis in F, en heeft klager op basis van deze consulten besloten om zich niet te laten doorverwijzen. Verweerder betwist dat hij klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Ook betwist verweerder dat hij klager niet tijdig heeft doorverwezen in verband met een (te) hoge oogdruk. Verweerder concludeert dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdeel (a) heeft betrekking op de vraag of verweerder klager juist en volledig heeft geïnformeerd over een mogelijke ingreep aan het maculagat. Allereerst is het college van oordeel dat het tijdens het mondeling vooronderzoek door klager ingenomen standpunt dat hij eerst na het opvragen van het elektronisch patiëntendossier ten behoeve van het indienen van een klacht bij de klachtencommissie – medio 2015 – kennis heeft genomen van het bestaan van een maculagat in zijn rechteroog en dat verweerder hem daarover nimmer heeft geïnformeerd, niet strookt met de aantekeningen in het medisch dossier die verweerder ter zake van de consulten op
30 juni 2009 en 16 juli 2009 heeft gemaakt. Hoewel deze aantekeningen uiterst summier zijn, valt daaruit wel af te leiden dat verweerder het maculagat met klager heeft besproken. Voorts kan uit de aantekening “wil nog geen F” bij het consult op
16 juli 2009, gelet op de context van deze aantekening, worden opgemaakt dat klager (nog) geen doorverwijzing naar het academische ziekenhuis wenste in verband met het maculagat. Ten slotte heeft klager zowel bij de klachtencommissie als ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek laten weten dat verweerder het wel heeft gehad over “een gaatje in het oog”. Alles bij elkaar staat dus wel vast dat verweerder aan klager heeft laten weten dat bij hem een maculagat was ontstaan.
5.3
Het college stelt vast dat partijen sterk van mening verschillen over de feitelijke gang van zaken tijdens gemelde consulten op 30 juni 2009 en 16 juli 2009, meer specifiek over de vraag of en, zo ja, welke uitleg verweerder aan klager heeft gegeven over de behandelopties, risico’s en resultaten van het (niet) behandelen van het maculagat.
Volgens klager heeft verweerder hem alleen geïnformeerd over de gevolgen wanneer hij zich zou laten opereren, namelijk 90% kans op vermindering van zijn gezichtsveld, terwijl verweerder zich op het standpunt stelt dat hij aan patiënten die met een maculagat bij hem op consult komen uitlegt dat een maculagat operatief behandeld kan worden, waarbij de kans dat dat gat gesloten wordt ongeveer 80% bedraagt en dat er dan anatomisch een goed resultaat wordt bereikt, maar tevens dat in ongeveer 50% van de gevallen geen verbetering van de gezichtsscherpte wordt verkregen, ondanks het feit dat het maculagat gesloten is. Ter zitting heeft verweerder nog eens herhaald dat hij het zo altijd uitlegde aan patiënten. Het college acht dat onvoldoende. Naast het bespreken van risico’s en complicaties had verweerder met name moeten wijzen op het risico van niet-opereren. Spontane sluiting van een maculagat komt slechts bij uitzondering voor, in de loop van de tijd zal de gezichtsscherpte vaak verder gaan dalen. En de kans op een succesvolle behandeling van een maculagat neemt met het verstrijken van de tijd af, na zes maanden wordt het in het algemeen niet meer zinvol geacht te opereren. Afwachten is dus in het algemeen niet verstandig. Een dergelijk groot risico op een ernstig gevolg en de dringende noodzaak om daar goed over na te denken mogen niet onbenoemd blijven. Het verweer dat dit in 2009 nog niet algemeen bekend was in de beroepsgroep is feitelijk onjuist. Het college komt dus niet toe aan de vraag of, ondanks de te summiere aantekeningen, aannemelijk is dat verweerder klager desondanks wel voldoende heeft geïnformeerd; ook als verweerders standpunt wordt gevolgd, heeft hij immers onvoldoende informatie gegeven. Dit klachtonderdeel is dus gegrond. Het college wijst er in dit verband nog op dat het niet heeft geholpen dat verweerder geen brief aan de huisarts heeft geschreven, zodat die nog tekst en uitleg aan klager had kunnen geven.
5.4
Klachtonderdeel (b) is niet gegrond. Het valt te billijken dat een patiënt met een maculagat (mits voldoende geïnformeerd, waarover het voorgaande) volgens zijn eigen keuze niet wordt doorverwezen. Wel wijst het college erop dat iets meer aandringen op een onderzoek in een academisch ziekenhuis in plaats van de strikt neutrale houding die verweerder heeft ingenomen niet had misstaan.
5.5
Wat klachtonderdeel (c) betreft heeft verweerder het gelijk aan zijn zijde. De oogdrukken waren niet verontrustend hoog. Toen desondanks het gezichtsveld achteruitging en eenmalig een te hoge oogdruk gemeten werd is spoedige doorverwijzing gevolgd hoewel de oogdrukken alweer waren genormaliseerd. Dit klachtonderdeel is dus eveneens ongegrond. Het college wil nog, met verweerder, benadrukken dat de gezichtsvelduitval waar klager nu helaas last van heeft niet wordt veroorzaakt door (onderbehandeling van) het maculagat, maar door glaucoom.
5.6
De conclusie is dat verweerder jegens klager is tekortgeschoten in zijn informatieplicht en hem om die reden een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klacht heeft tot gevolg gehad dat de patiëntenfolder is uitgebreid en dat verweerder meer is gaan opschrijven in het kader van het informed consent. In die zin heeft de klacht al tot verbetering van de individuele gezondheidszorg geleid. Voorts heeft het college er wel oog voor dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zich inmiddels negen jaar geleden heeft afgespeeld. Niettemin is informed consent zo belangrijk dat een maatregel niet achterwege kan blijven. Al met al acht het college de maatregel van waarschuwing recht doen aan verweerders handelen.
6. DE BESLISSING
Het college waarschuwt verweerder.
Aldus gedaan door A.L. Smit, voorzitter, M.E.H.M. Fortuin en R.O. Rischen, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van P. van der Stroom, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2018 door A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van
H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.