ECLI:NL:TGZRZWO:2018:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 118/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:135
Datum uitspraak: 13-07-2018
Datum publicatie: 13-07-2018
Zaaknummer(s): 118/2018
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts. Het college is van oordeel dat verweerder, bij een voor hem onbekende patiënt  met een neurologische voor geschiedenis, die gevallen was en een hoofdwond had, niet had kunnen volstaan met een observatie. Enig vorm van nader onderzoek en een differentiaal diagnose was op zijn plaats geweest. Ook had verweerder een visite moeten afleggen toen klaagster belde met de mededeling dat  de situatie was verslechterd. Het college is van oordeel dat gelet op de omstandigheden van het geval nog net met een waarschuwing kan worden volstaan.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 13 juli 2018 naar aanleiding van de op 19 april 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B

k l a a g s t e r

-tegen-

C , huisarts, destijds werkzaam te B

bijgestaan door mr. R.J. Peet, werkzaam bij VvAA te Utrecht,

v e r w e e r d e r 

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit het volgende:

-    het klaagschrift met de bijlagen;

-    de brief van klaagster van 29 april 2018 (aanvulling klacht);

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de brief van klaagster van 10 juni 2018 met bijlage.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 26 juni 2018, alwaar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar buurvrouw D en verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan. Klaagster klaagt over de behandeling van haar echtgenoot, geboren in 1938 en overleden in 2017, verder patiënt te noemen. Verweerder nam op 3 augustus 2017 wegens vakantie van een collega-huisarts diens praktijk waar en bezocht patiënt thuis omdat hij gevallen was. Patiënt was bij kennis maar verminderd aanspreekbaar en had een wondje aan zijn hoofd. Verweerder heeft, zoals hij ter zitting verklaarde, patiënt geobserveerd. Hij heeft patiënt eenvoudige vragen gesteld die patiënt kon beantwoorden. Gaandeweg verbeterde de spraak van patiënt. Verweerder wist dat er neurologische schade was bij patiënt maar was niet bekend met de status voor de val. Verweerder stelde een expectatief beleid voor en adviseerde klaagster om patiënt wat te laten rusten. Na het vertrek van verweerder ging het slechter met patiënt waarop klaagster naar de praktijk belde omdat ook de thuiszorg inmiddels weg was. De assistente liet weten dat verweerder van mening was dat het tijdsverloop te kort was om weer een visite af te leggen. Klaagster heeft hierop de thuiszorg gebeld. De verpleegkundige kwam en de huisartsenpost werd gebeld. Deze was nog niet open dus er moest gewacht worden tot de openingstijd. De arts die vervolgens langs kwam, heeft een ambulance gebeld die patiënt naar het ziekenhuis heeft gebracht. Patiënt bleek bloedingen in zijn hoofd te hebben en een schedelbasisfractuur. Hij is enkele dagen later overleden. Verweerder hoorde maanden later van de huisarts van patiënt de afloop en ontving enkele dagen later een brief van klaagster. Er heeft op 10 april 2018 een gesprek plaatsgevonden waarin verweerder zijn excuses heeft aangeboden. Op grond van de Wkkgz heeft verweerder op 13 april 2018 melding van deze calamiteit gedaan bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd in oprichting (IGJ). Bij brief van 17 mei 2018 heeft de IGJ het onderzoek naar deze melding beëindigd.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij nalatig is geweest. Terwijl hij op de hoogte was van de neurologische voorgeschiedenis van patiënt heeft hij bij het eerste bezoek niet de juiste diagnose gesteld en op de tweede oproep zag hij niet het nut nogmaals langs te komen.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan. Verweerder meent dat bij het onderzoek van patiënt aanvankelijk een expectatief beleid kon worden ingezet. Wel was het van belang dat bij wijziging van de omstandigheden er direct had behoren te worden ingegrepen. Verweerder betreurt de gang van zaken oprecht. Hij is van mening dat hij op het verzoek om nogmaals een visite af te leggen, niet adequaat heeft gehandeld. Hij had aan dit verzoek gehoor moeten geven. Verweerder meent dat de afloop niet anders was geweest, maar dat laat onverlet dat hij achteraf graag zou hebben gezien dat hij anders zou hebben gehandeld. Hoewel het niet als excuus mag dienen, kan verweerder als verklaring voor zijn handelen slechts verwijzen naar de drukte van dat moment. Hij nam waar voor een patiëntenpopulatie van ca. 6000 patiënten. Verweerder ziet zichzelf als een empathisch huisarts. Deze zaak is niet exemplarisch voor verweerder. Bij een verslechtering na een trauma gaat verweerder gebruikelijk wel een tweede visite afleggen. Verweerder kiest ervoor om zich in deze procedure toetsbaar op te stellen en verzoekt het college bij het beoordelen van zijn handelwijze met alle genoemde omstandigheden rekening te houden.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1.        

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Voor zover de klacht betrekking heeft op de visite van verweerder en het stellen van een onjuiste diagnose oordeelt het college als volgt. Op zich zelf behoeft het missen van de juiste diagnose niet doorslaggevend te zijn voor het slagen van de klacht. De klacht is pas gegrond, als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Bij de beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Het college is van oordeel dat de wijze waarop verweerder tot zijn conclusie is gekomen de toets der kritiek niet kan doorstaan. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij in feite geen onderzoek heeft gedaan, maar patiënt slechts heeft geobserveerd. Omdat patiënt stond, eenvoudige vragen kon beantwoorden en de spraak gaandeweg beter ging, dacht verweerder aan een status na val die aan het opklaren was, of aan een TIA waardoor patiënt was gevallen, waarbij de gevolgen aan het wegtrekken waren. Op grond daarvan heeft verweerder de conclusie getrokken dat een afwachtend beleid op zijn plaats was. Het college is van oordeel dat verweerder als waarnemer, bij een voor hem onbekende patiënt, die gevallen was en een hoofdwond had en van wie bekend was dat er een neurologische voorgeschiedenis was, niet had kunnen volstaan met alleen een observatie. Het uitvragen van de anamnese bij patiënt dan wel bij zijn echtgenote, waaronder het vragen naar medicatie (zoals bloedverdunners) en de mogelijke oorzaak van de val, en enige vorm van onderzoek zoals het meten van de bloeddruk was op zijn plaats geweest. Ook had verweerder vervolgens tot een differentiaal diagnose moeten komen die hij had moeten spiegelen aan de geldende richtlijnen (NHG Standaard Beroerte en NHG Standaard Hoofdtrauma). Dit alles heeft verweerder achterwege gelaten hetgeen hem tuchtrechtelijk valt te verwijten.

5.3

Verweerder heeft erkend dat hij na het telefoontje van klaagster (met de mededeling dat het heel slecht ging met haar man en met het verzoek terug te komen) een tweede visite had moeten afleggen. Met verweerder is het college van oordeel dat verweerder hierin onjuist heeft gehandeld en ook dit valt hem tuchtrechtelijk te verwijten.

5.4

Gelet op het voorgaande dient de klacht gegrond te worden verklaard. Met betrekking tot de op te leggen maatregel wordt als volgt overwogen. Hoewel het college van oordeel is dat verweerder ernstig tekort is geschoten kan desondanks, gelet op de omstandigheden van het geval, nog net met een waarschuwing worden volstaan. Hierbij laat het college meewegen dat verweerder zelf het initiatief heeft genomen tot een gesprek met klaagster en dat hij, zodra hem duidelijk dat sprake was van een calamiteit, een melding heeft gedaan bij de Inspectie. Hieruit blijkt betrokkenheid en het vermogen tot zelfreflectie. In de stukken en ook ter zitting heeft verweerder zich toetsbaar opgesteld. Hij heeft zijn excuses aangeboden en heeft ter zitting verklaard lering te hebben getrokken uit deze klacht. Tot slot is van belang dat verweerder niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen. Een waarschuwing is daarom passend.

6.    DE BESLISSING

Het college waarschuwt verweerder.

Aldus gedaan door H.L. Wattel, voorzitter, A.M. Koene, lid-jurist, en A.C.P. Maas,

J.M. Komen en R.J. Wolters, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van

K.M. Dijkman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2018 door

A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.