ECLI:NL:TGZRZWO:2018:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 039/2018

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2018:126
Datum uitspraak: 29-06-2018
Datum publicatie: 29-06-2018
Zaaknummer(s): 039/2018
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen arts. Het college oordeelt dat de beslissing om klaagster te separeren en noodmedicatie toe te passen gerechtvaardigd was. Voorts kan niet worden vastgesteld dat Bij de separatie van klaagster door of onder verantwoordelijkheid van verweerder onnodig hardhandig is opgetreden en dat klaagster daarbij gewond is geraakt. De klacht dat verweerder een plan heeft beraamd om klaagster zo lang mogelijk opgenomen te houden  is op geen enkele manier onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 29 juni 2018 naar aanleiding van de op 13 februari 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

H , arts, werkzaam te B,

bijgestaan door mr. W.R. Kastelein, advocaat te Zwolle,

v e r w e e r d e r

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dat blijkt uit de volgende stukken:

-          het klaagschrift met de bijlagen;

-          het verweerschrift met de bijlagen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid mondeling gehoord te worden in het vooronderzoek.

Klaagster heeft een identieke klacht tegen drie andere artsen ingediend. In die zaken (038/2018, 040/2018 en 041/2018) wordt afzonderlijk beslist en op dezelfde dag uitspraak gedaan.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster lijdt aan een bipolaire stoornis. Zij is in verband hiermee ambulant in zorg bij de poli angst- en stemmingsstoornissen van D. Zij wordt aldaar behandeld door E (psychiater).

Op 29 augustus 2017 is klaagster door de politie binnengebracht bij de crisisdienst na een melding van (geluids)overlast. Bij de crisisdienst is geconcludeerd dat bij klaagster op dat moment sprake was van een manisch-psychotische episode in het kader van de bipolaire stoornis. Klaagster is vervolgens vrijwillig opgenomen op unit B van D, locatie F.

In de ochtend van 31 augustus 2017 is klaagster gesepareerd en is (nood)medicatie toegepast (temesta 4mg en haldol 5mg, intramusculair). In de beslissing ex artikel 39 Wet BOPZ is hiervoor als reden gegeven:

“Wij menen dat deze maatregel noodzakelijk is omdat wij een (dreigend) gevaar signaleren, veroorzaakt door uw psychiatrische stoornis.

Het (dreigend) gevaar bestaat uit: patiente is ontremd en agressief op de afdeling. Nadat zij hierin gecorrigeerd werd heeft zij een verpleegkundige in haar buik geschopt. Weigert medicatie of afzondering.”

In verband met dit incident is een inbewaringstelling (IBS) aangevraagd als bedoeld in artikel 20 lid 2 Wet BOPZ en is een last tot IBS afgegeven. Verweerder is als ANIOS bij separatie, toepassing van noodmedicatie en de inbewaringstelling betrokken geweest.

De volgende dag, op 1 september 2017, heeft ANIOS C klaagster bezocht in de separeerruimte. C heeft op die dag overleg gehad met de waarnemend psychiater en psychiater E. In de loop van de dag is klaagster gedesepareerd en geplaatst op unit A.

Op 4 september 2017 is het verzoek tot voortzetting van de IBS door de rechtbank Midden-Nederland behandeld en afgewezen. Zowel klaagster als ANIOS C (als behandelend arts) zijn door de rechtbank gehoord op het verzoek. In de beschikking van 4 september 2017 heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“De arts heeft ter zitting naar voren gebracht dat betrokkene voor opname veel overlast veroorzaakte. Betrokkene liet in de thuissituatie bizar gedrag zien. Zij staat al jaren onder behandeling en laat wisselende stemmingen zien. Het [is] lastig om zicht op de situatie van betrokkene te krijgen. Betrokkene was het niet eens met de gedwongen opname. Sinds een paar dagen gaat het beter met betrokkene. Het acute gevaar is niet meer aanwezig waardoor een langer verblijf op de gesloten afdeling niet meer noodzakelijk is. Betrokkene kan vrijwillig verblijven binnen de instelling en vervolgens met inzet van ambulante hulpverlening terugkeren naar huis.

De rechtbank oordeelt dat er op dit moment onvoldoende sprake is van acuut dreigend gevaar. Er is dan ook geen sprake van gevaar als bedoeld in artikel 20 van de Wet BOPZ. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.”

Klaagster is vanaf dat moment vrijwillig opgenomen geweest op unit A. Met de AIOS bij unit A, I, heeft klaagster een plan gemaakt voor ontslag. Op 7 september 2017 is klaagster met ontslag gegaan.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat zij:

a.    op 31 augustus 2017 onder dwang over de vloer naar een isoleercel is gesleept waarbij zij een grote schaafwond op haar heup heeft opgelopen;

b.    onder dwang iets ingespoten gekregen heeft in haar bil.

Klaagster meent dat verweerder dit plan van tevoren heeft beraamd met het doel klaagster zo lang mogelijk gedwongen in de kliniek te laten verblijven.

4.    HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij als behandelend arts betrokken is geweest in de periode dat klaagster in unit B was opgenomen. Het separeren van klaagster en het toedienen van noodmedicatie op 31 augustus 2017 was nodig om het gevaar dat het gedrag van klaagster vormde, af te wenden. Dat klaagster gewond is geraakt toen zij naar de separeerruimte werd gebracht blijkt niet uit het dossier. Van een plan klaagster zo lang mogelijk gedwongen opgenomen te houden is volgens verweerder geen sprake. In geval van klaagster is nadrukkelijk ingezet op een voortvarende maar verantwoorde terugkeer naar huis.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Uit het dossier blijkt dat de separatie van klaagster en de toediening van noodmedicatie waartoe (mede) onder verantwoordelijkheid van verweerder is besloten, is toegepast wegens een boze en agressieve houding van klaagster. Hierbij zou klaagster onder meer hebben geschopt richting de buik van een zwangere verpleegkundige. Gepoogd is klaagster te kalmeren door haar af te zonderen in de comfortroom. Ook daarna heeft klaagster geprobeerd een verpleegkundige te schoppen. De aangeboden rustgevende medicatie is door klaagster geweigerd. Onder deze omstandigheden was de beslissing klaagster te separeren en noodmedicatie toe te passen gerechtvaardigd.

Niet kan worden vastgesteld dat bij de separatie van klaagster door of onder verantwoordelijkheid van verweerder onnodig hardhandig is opgetreden en dat klaagster daarbij gewond is geraakt. Dit betekent dat de onder a en b geformuleerde verwijten niet slagen.

Klaagster heeft haar verwijt dat (onder anderen) verweerder een plan heeft beraamd om klaagster zo lang mogelijk opgenomen te houden op geen enkele wijze onderbouwd. Ook dit verwijt kan daarom niet slagen.

5.3

Gelet op het voorgaande is de klacht kennelijk ongegrond en dient als volgt te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college wijst de klacht af.

Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, dr. M.H. Braakman en

A.A.G. van den Ende, in tegenwoordigheid van mr. M. Keukenmeester, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2018 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.                                                                                                                                                                                                      

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.