ECLI:NL:TGZRZWO:2018:124 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 237/2017
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2018:124 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-06-2018 |
| Datum publicatie: | 25-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | 237/2017 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts betreft het missen van de diagnose hartfalen. Handelen arts te billijken. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 25 juni 2018 naar aanleiding van de op 14 september 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , huisarts, werkzaam te B,
bijgestaan door R.J. Peet, verbonden aan VvAA rechtsbijstand te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Dit blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het medisch dossier.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 1 juni 2018, alwaar zijn verschenen klaagster en verweerder in persoon, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Verweerder is apotheekhoudend huisarts in B. Hij is de enige huisarts in die plaats.
Klaagster, geboren in 1975, stond als patiënt bij verweerder ingeschreven en was al langere tijd en uitgebreid bekend met diverse klachten en problemen.
Klaagster bezocht het spreekuur van verweerder met betrekking tot deze episode voor het eerst op 27 juni 2017. Verweerder noteerde:
“S geen lucht, hoesten slijm krijg ik er niet uit. Gen pijn in de kuiten.
O niet ademend, p 90/min ra, n insp en exp vag alle velden. Grenzen ‹› oedemen – cvd n
E hyperventilatie”
Verweerder heeft klaagster codeïne 10 mg voorgeschreven met als episode hyperventilatie.
Op 3 juli 2017 heeft klaagster verweerder met dezelfde klachten opnieuw bezocht. Verweerder heeft toen laboratoriumonderzoek laten doen en op 5 juli 2017 heeft verweerder klaagster naar de longarts verwezen.
Verweerder heeft via zorgdomein een verwijsbrief verzonden. De vraagstelling voor de verwijzing was: “adipeuze restrictieve pulmonal disease/HVS/COPD/Astma?”
Op 1 augustus 2017 is klaagster weer bij verweerder op het spreekuur geweest met een drukkend gevoel op de borst en een benauwd gevoel. Klaagster vertelde het gevoel te hebben dat er een vrachtwagen op haar stond. Verweerder heeft tijdens het consult een ECG gemaakt. Verweerder noteerde:
“T 35.8 AD, AF diep en hoogthoracaal 28/min. P 120/min RA. ECG: sinustachycard 113/min, n complexen”
Verweerders conclusie was dat er sprake was van een hyperventilatiesyndroom.
Verweerder noteerde verder onder de P van de SOEP:
“Patiënte weigert deze diagnose. Maakt een hoop stampei : er is dus niets aan de hand met mij. Het is bij u ook altijd hetzelfde. Nogmaals patiënte uitgelegd dat er wel degelijk iets is , SOLK. En dat er geen direct fysiek onderliggend lijden er aan ten grondslag ligt een de klachten/symptomen die zich hier nu voordoen. Patiënte weigerde te ademen in een plastic zakje onder mijn begeleiding. Het, ook meerdere malen, weigeren van de diagnose en voorgestelde behandeling is mijns inziens een reden patiënte te adviseren een andere huisarts te zoeken. Bovendien legt ze de oorzaak en de oplossing standaard buiten zichzelf. Ikkan haar niet voldoende helpen.”
Op 2 augustus 2017 had klaagster weer een afspraak voor het spreekuur van verweerder maar daar is zij zonder afzeggen niet verschenen.
Op 4 en 5 augustus 2017 heeft klaagster de huisartsenpost bezocht in verband met klachten van kortademigheid. Zij is door de dienstdoende huisarts op
4 augustus 2017 verwezen naar de longarts op verdenking van een longembolie.
De longarts heeft de werkdiagnose gesteld virale pleuritis met reactieve leverenzymstoornissen met aanwijzingen voor chronische hyperventilatie.
Op 7 augustus 2017 heeft klaagster weer het spreekuur van verweerder bezocht. Zij heeft toen haar excuses aangeboden voor haar gedrag van de laatste keer. Verweerder heeft die excuses geaccepteerd. Klaagster vertelde dat zij af en toe nog aanvallen van benauwdheid had en het gevoel dat er iemand op haar borst zat. Ze had ook pijn in de linkerarm die ‘dik lijkt of vocht vasthoudt’. Klaagster had Symbicort van haar zus gebruikt en dat gaf verlichting. Verweerder heeft klaagster lichamelijk onderzocht. Hij noteerde: “Nu rustig, n i/e vag rustig ademend. Hoesten blijft.” Verweerder heeft klaagster Budesonide-inhaler voorgeschreven.
Op 8 augustus 2017 heeft klaagster opnieuw de huisartsenpost bezocht vanwege ernstige kortademigheid en op 9 augustus 2017 heeft klaagster verweerder weer geconsulteerd. Klaagster vertelde verweerder dat zij 25 mg oxazepam had genomen en dat zij daarvan rustiger werd. Klaagster had nog wel pijn in de armen. Verweerder heeft klaagster uitleg gegeven over het hyperventilatiesyndroom, gezegd dat klaagster oxazepam mocht nemen als escape en haar Ibuprofen 600 mg voorgeschreven.
Verweerder heeft op dinsdag 15 augustus 2017 een visite afgelegd bij klaagster. Het ging niet goed met haar. Klaagster was misselijk, gaf over, snakte naar adem, bleef maar hoesten en had de dag ervoor weer een dikke voet. Verweerder noteerde in het dossier dat er geen aanwijzingen waren voor stress, dat klaagster bijna uit de schuldsanering was, en dan mocht haar vriend officieel komen wonen. Klaagster had een eigen inkomen en hoefde niet bang te zijn voor haar baan; haar baas had gezegd dat ze maar goed uit moest zieken. En hij noteerde: “Kan de containers niet buiten zetten”. Bij lichamelijk onderzoek noteerde verweerder: “Niet ziek, teil (ge-) leeg. Cor pulm gb, abd n perist soepel O2 98% p120/min. T 36.”
Klaagster kon bij het onderzoek plat liggen. Verweerder heeft bloedonderzoek laten doen. Verweerder heeft op woensdag 16 augustus 2017 weer een visite bij klaagster afgelegd omdat de uitslag van het NT-proBNP (2206) zou kunnen passen bij hartfalen. Klaagster gaf tijdens de visite aan dat het niet goed ging en dat zij niets meer kon door pijn bij haar leverstreek. Naar aanleiding van de verhoogde NT-proBNP, ondanks overige negatieve bevindingen, heeft verweerder de dienstdoende cardioloog gebeld en overlegd over de termijn voor het consult. Er is een afspraak gemaakt op maandag 21 augustus 2017. Verweerder heeft klaagster met een verwijsbrief verwezen naar de cardioloog.
Op 17 en 18 augustus 2017 hebben er consulten plaatsgevonden. Het ging beter met klaagster na een injectie diclofenac.
Op 20 augustus 2017 heeft klaagster de huisartsenpost bezocht vanwege kortademigheid en benauwdheid. De dienstdoende arts heeft geoordeeld dat klaagster kon wachten op het consult bij de cardioloog de volgende dag.
De cardioloog heeft die dag, 21 augustus 2017, de diagnose hartfalen gesteld en klaagster opgenomen in het ziekenhuis in D. Zij is na 4 dagen weer ontslagen. Van
3 september tot 9 september 2017 is klaagster heropgenomen geweest. In de ontslagbrief van de cardioloog is geschreven:
“ Toename pijnklachten, dyspneu, hoesten en oedeem dd toename decompensatio cordis
Patiente werd heropgenomen met progressie van hartfalen. Het hoesten, waarvoor perindopril gestopt was, was nog steeds aanwezig, daarom werd de ACE remmer herstart en opgehoogd. De b blokker was (abusievelijk ?) voor ontslag gestopt, ook deze werd weer ingesteld. Onder iv diuretica ontwaterde zij 10 kg, voelde zich beter, de pijn op de borstklachten verdwenen vanzelf , deze leken niet passende bij pericarditis. Hiervoor waren bij opname de prednison/colchicine en ascal al gestopt. Voor ontslag werd een MRI scan verricht. Hierbij was sprake van een EF van 15%, geen aanwijzingen voor een doorgemaakte (peri)myocarditis. Geen aanwijzingen voor ischaemie.
Poliklinische follow up via hartfalenpoli en poliklinisch bij collega E. F.”
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij haar niet serieus heeft genomen en dat hij de diagnose hartfalen niet heeft gesteld en haar het weekend thuis heeft laten liggen.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij met de kennis van dat moment gehandeld heeft zoals van hem in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden en verzoekt het college de klacht als (kennelijk) ongegrond af te wijzen. In zijn laatste woord heeft verweerder zijn visie naar voren gebracht op zijn mens-zijn en zijn beroepsopvatting als arts.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het college wijst er verder op dat die beoordeling dient plaats te vinden in het licht van wat verweerder op dat moment wist en kon of moest weten en dat het verdere verloop van klaagsters gezondheidstoestand, hoe naar dat voor klaagster ook is geweest, bij de beoordeling van het handelen van verweerder buiten beschouwing dient te blijven.
5.2
Bij klachten, zoals die zich bij klaagster presenteerden, is de anamnese, naast het lichamelijk onderzoek, de belangrijkste informatiebron om het beleid op te baseren. Het college wijst in dit verband op de NHG-standaard hartfalen. Bij het consult op 27 juni 2017 heeft verweerder, zoals hierboven weergegeven, de anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek gedaan. Op grond van deze bevindingen en de bekende klachten/problemen van klaagster is het college van oordeel dat het voor de hand lag dat verweerder de klachten van klaagster als passend bij hyperventilatie heeft geduid.
5.3
Tijdens het consult van 1 augustus 2017 waren de klachten van klaagster anders. Klaagster vertelde het gevoel te hebben dat er een vrachtwagen op haar stond en klaagster had een polsslag van 120/minuut. Verweerder heeft daarom, om een cardiale oorzaak voor de klachten uit te sluiten, een ECG gemaakt. Het ECG liet geen afwijkingen zien. Het college kan het daarom billijken dat verweerder heeft vastgehouden aan de diagnose hyperventilatiesyndroom.
5.4
Op 4 augustus 2017 heeft er, na bezoek aan de huisartsenpost en verwijzing, een consult plaatsgevonden bij de longarts. De longarts heeft een ECG, een X-thorax en een CT- angio gemaakt en cor-enzymen bepaald. Al deze onderzoeken lieten geen afwijkingen zien. De werkdiagnose van de longarts was een virale pleuritis met reactieve leverenzymstoornissen en aanwijzingen voor chronische hyperventilatie.
5.5
Op 7 augustus 2017 bezocht klaagster weer het spreekuur van verweerder. Dat verweerder op dat moment geen nader onderzoek heeft gedaan acht het college, mede gezien het zeer recente consult bij de longarts en de door deze uitgevoerde onderzoeken, te billijken, ook al sprak klaagster toen opnieuw over onder meer aanvallen van benauwdheid en een gevoel alsof er iemand op haar borst zat.
5.6
Klaagster heeft op 8 augustus 2017 de huisartsenpost bezocht. Tijdens het consult bij verweerder op 9 augustus 2017 vertelde klaagster verweerder dat ze van de oxazepam die ze had genomen rustiger was geworden. Verweerder heeft met klaagster gesproken over het hyperventilatiesyndroom. Het college kan verweerder daarin volgen.
5.7
Op 15 augustus 2017 heeft verweerder een visite afgelegd bij klaagster. Verweerder heeft met klaagster mogelijke stressfactoren bespoken en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor stress. Verweerder heeft om verder te zoeken naar de oorzaak van klaagsters klachten onder meer NT-proBNP laten bepalen. De uitslag van dit onderzoek (2206) kwam binnen bij verweerder op 16 augustus 2017. Deze uitslag kan passen bij hartfalen. Het is daarom juist dat verweerder heeft overlegd met de cardioloog. De cardioloog was van oordeel dat een consult op maandag 21 augustus 2017 verantwoord was. Verweerder is daarmee akkoord gegaan. Het college kan daarin meegaan. Er waren geen signalen dat sprake was van een acute situatie; er was geen acuut begin geweest van de klachten of een snelle toename van de klachten, er was sprake van een langer bestaand klachtenpatroon. Dat een spoedverwijzing was geboden, was daarom op dat moment niet duidelijk. Het college wijst er in dit verband op dat er voor 21 augustus 2017 nog andere artsen betrokken zijn geweest bij de behandeling van klaagster die ook niet tot een andere conclusie zijn gekomen.
5.8
Klaagster heeft ter zitting nog aangevoerd dat verweerder al op 16 augustus 2017 wist dat er bij haar sprake was van hartfalen en dat niet tegen haar heeft gezegd en haar niet
heeft laten opnemen in het ziekenhuis. Het college merkt in dat verband op dat de diagnose hartfalen toen nog niet was gesteld. Wel was er een verdenking voor hartfalen op grond van de uitslag van het laboratoriumonderzoek en daarom heeft verweerder klaagster naar de cardioloog verwezen voor nader onderzoek naar het functioneren van het hart. Het komt het college voor dat het daarom voor klaagster wel duidelijk moet zijn geweest dat verweerder dacht dat het ‘iets met het hart’ was. En zoals hierboven overwogen waren er op 16 augustus 2017 geen aanwijzingen dat een consult bij de cardioloog niet kon wachten tot maandag 21 augustus 2017.
5.9
Verder heeft klaagster ter zitting nog naar voren gebracht dat de verwijsbrief van verweerder niet-relevante informatie bevatte. Het college wijst in dit verband op het advies van de Landelijke Huisartsenvereniging, dat gebaseerd is op wettelijke regelingen, om bij een verwijzing alleen die informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de zorgverlener om de patiënt goed te kunnen behandelen. Verweerder heeft in zijn verwijsbrief erg veel informatie over klaagster vermeld. Niet al die informatie was noodzakelijk om klaagster voor haar klachten op dat moment goed te kunnen behandelen. Verweerder had die niet-noodzakelijke informatie daarom beter niet kunnen geven in zijn verwijsbrief. Nu de klacht daar niet op ziet laat het college het bij deze constatering.
5.10
De conclusie van het college is dan ook dat er bij verweerders handelen wel kanttekeningen te plaatsen zijn maar dat de klacht tegen verweerder niet slaagt en dat deze daarom als ongegrond dient te worden afgewezen.
6. DE BESLISSING
Het college wijst de klacht af.
Aldus gedaan door mr. H.L. Wattel, voorzitter, P.A.J. Buis en P. Jongerius, leden-arts,
in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2018 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.