ECLI:NL:TGZRSGR:2018:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-168b
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2018 |
| Datum publicatie: | 03-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2017-168b |
| Onderwerp: | Niet of te laat komen |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts. Met de arts is het College van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de afwijzing van het verzoek van klaagster om bij haar te kijken niet in strijd was met de zorgplicht. De arts kende klaagster goed, was op de hoogte van haar klachten en pijn en wist dat er afspraken waren gemaakt over ruime pijnmedicatie en zij had geen concrete alarmsignalen gekregen dat sprake was van een afwijkende situatie. Onder deze omstandigheden behoefde zij klaagster niet te bezoeken. Dit geldt temeer indien dat verzoek niet is gedaan of alleen betrekking had op het voorval. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 3 juli 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
destijds verblijvende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. B.A.C. van Tuinen, werkzaam te Amsterdam,
tegen:
C, arts,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr.drs. E.E. Rippen, werkzaam te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2017
- het aanvullend klaagschrift met bijlage
- het verweerschrift met bijlagen
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 20 november 2017
- de brief van 14 mei 2018 van mr. Van Tuinen ter aanzegging van een getuige.
1.2 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Mr. Van Tuinen heeft pleitnotities overgelegd.
1.3 De klacht is behandeld tezamen met andere, met de klacht samenhangende, klachten, die bekend zijn onder de dossiernummers 2017-168a, 2017-168c, 2017-168d en 2017-234, in een samenstelling van twee leden-artsen en twee leden-verpleegkundigen, zoals bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De partijen in de onderhavige zaak hebben ook de beschikking gekregen over de verweerschriften in de genoemde samenhangende zaken. Als getuige is gehoord D.
2. De feiten
2.1 Klaagster, geboren in 1970, was sinds 6 maart 2017 opgenomen in het E, locatie B. Verweerster, justitieel geneeskundige, is als afdelingsarts aan E verbonden. Er zijn drie afdelingen met elk een afdelingsarts.
Er was bij klaagster sprake van obesitas, aangezichtspijn, clusterhoofdpijn en afhankelijkheid van opiaten. Voor de al sinds langere tijd bestaande aangezichts- en clusterhoofdpijn kreeg klaagster naast opiaten dagelijks hoge doseringen paracetamol, naproxen en neuropathische analgetica. Ook was klaagster bekend met een slecht gebit en tand- en kiespijn. Hiervoor werd zij door de tandarts gezien.
2.2 Verweerster was tot 15 april 2017 de vaste afdelingsarts van klaagster geweest. Toen was klaagster begonnen met de afbouw van het gebruik van de opiaten. Vanaf 15 april 2017 was een andere arts, verweerster in de klacht met nummer 2017-168a, de afdelingsarts van klaagster. Klaagster en de desbetreffende afdelingsarts bepaalden wekelijks in overleg welke gift werd afgebouwd. Per 24 mei 2017 was het schema als volgt: morfine retard (langwerkend opiaat): ochtend van 30 mg naar 25 mg, middag 30 mg en avond 30 mg. Daarnaast gebruikte klaagster 3 x daags 10 mg oxynorm (snelwerkend opiaat). Ingaande 6 juni 2017 was het schema als volgt: morfine retard: ochtend 25 mg, middag van 30 mg naar 25 mg en avond 30 mg, ook weer met telkens daarnaast 3 x daags de 10 mg snelwerkende oxynorm. Los van deze opiaten gebruikte klaagster andere medicatie, waaronder zo nodig extra pijnstillers.
2.3 De medicatie ten behoeve van patiënten in E wordt door de afdelingsarts voorgeschreven. De voorgeschreven medicatie of een wijziging daarin wordt op stickers en/of op een deellijst geprint en vermeld op de medicatiedeellijst. De verstrekking van medicatie gebeurt door verpleegkundigen op basis van de medicatiedeellijsten, die de verpleegkundige aftekent bij het uitdelen. Voor de verstrekking van opiaten moet een tweede verpleegkundige tekenen. De medicatie wordt afgeleverd door de apotheek. Bij haar opname in E had klaagster een eigen voorraad morfine retard meegebracht: 30 tabletten van 10 mg. Deze werden bewaard in een kluis, waartoe alleen de verpleging toegang had. Bij gebruik van medicatie uit de eigen voorraad van de patiënt dient de voorraadlijst door twee verpleegkundigen te worden afgetekend.
2.4 Bij de afspraak tussen klaagster en de vaste afdelingsarts op 8 juni 2017 is de verdere afbouw voor de daarop volgende week afgesproken. Klaagster heeft toen tegen deze afdelingsarts gezegd dat zij de dagen ervoor teveel opiaten had gekregen.
2.5 Op 9 juni 2017 heeft de afdelingsarts tegen verweerster gezegd:
- dat klaagster had gezegd dat zij gedurende een aantal dagen te veel opiaten had gekregen
- dat de medicatiedeellijst niet te vinden was
- dat het daarom op dat moment niet duidelijk was of klaagster daadwerkelijk te veel opiaten had gekregen
- dat verder werd uitgezocht of er iets was misgegaan en zo ja wat, en
- dat de medicatie niet veranderd zou worden totdat duidelijkheid was verkregen.
2.6 In het weekend van 10 en 11 juni 2017 had verweerster weekenddienst op alle afdelingen van E.
2.7 Het verpleegkundig dossier vermeldt bij 10 juni 2017:
[nachtdienst]: Pt. heeft haar avondmedicatie nog gekregen.
rond 04.30 uur belde zij vanwege pijn. Dit was vlgns haar al langer aanwezig. Naproxen en pcm verstrekt.
[dagdienst]: Mw heeft zichzelf verzorgd. Mw heeft veel pijn en wil vandaag nog een arts spreken over haar pijnmedicatie.
[avonddienst]: Mw is ontstemd over het feit dat er geen arts is geweest om over het ‘voorval’ van de pijnmedicatie te praten.
21:00 - mw liet een losse tand zien, die volgens haar te wijten is aan het letterlijk verbijten van de pijn.
Bij 11 juni vermeldt het verpleegkundig dossier:
[nachtdienst]: Kreeg om 1 u extra pcm/naproxen. Sliep m.i
[dagdienst]: Mw wil arts spreken over de medicatie.
Artsen zijn hiermee bezig.
Mw zegt dat ze aan het afkicken is, voelt zich beverig.
[avonddienst]: Mw geeft aan toenemende pijnklachten te hebben.
Vriendelijk aanwezig.
Het medisch dossier bevat bij de data 10 en 11 juni 2017 geen aantekeningen.
2.8 Tijdens de ‘papieren visite’ op zaterdag 10 juni 2017 - waarbij de arts de patiënten met de verpleging bespreekt, buiten de aanwezigheid van de patiënten - heeft verweerster met twee verpleegkundigen, onder wie de getuige D, gesproken over klaagster. Verweerster heeft toen gezegd wat zij over het voorval met de overdosering de vorige dag van de afdelingsarts had gehoord. Zij heeft klaagster niet bezocht.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerster dat zij in strijd met haar zorgplicht jegens klaagster in het weekend van zaterdag 10 en zondag 11 juni 2017 geen visite aan klaagster heeft afgelegd.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Verweerster heeft gesteld dat zij in het weekend van 10 op 11 juni 2017 geen verzoek om een bezoek aan klaagster heeft ontvangen en dat de informatie die de verpleegkundigen, onder wie de getuige D, tijdens de papieren visite op 10 juni 2017 gaven, betrekking had op het ‘voorval’. Zij stelt op de vraag van de getuige of verweerster in verband daarmee nog langs zou gaan bij klaagster te hebben geantwoord dat zij op dat moment weinig kon doen, dat de afdelingsarts en het hoofd verpleging onderzoek deden, dat dit geen zaak voor de weekenddienst was en dat er geen spoed bij was. Als getuige, gehoord ter zitting, heeft D verklaard hoezeer zij bezorgd was vanwege de pijn van klaagster, dat zij de pijn aan de orde heeft gesteld bij de papieren visite en heeft gevraagd of de pijnmedicatie voldoende was. En voorts dat zij het verzoek van klaagster om de komst van een arts heeft overgebracht aan verweerster.
Subsidiair heeft verweerster aangevoerd dat, ook al had de verpleegkundige toen gevraagd bij klaagster langs te gaan om te spreken over pijnmedicatie ‘an sich’, dat geen reden zou zijn geweest voor een visite. Zij stelt dat de beoordeling van de pijnmedicatie bij de eigen afdelingsarts lag en dat zij alleen als er sprake zou zijn geweest van alarmsymptomen naar klaagster toe zou zijn gegaan, maar dat die symptomen er niet waren. Klaagster had al langere tijd veel pijn en er waren afspraken over pijnmedicatie, aldus verweerster.
5.2 Bij de beoordeling gaat het College er veronderstellenderwijs van uit dat de verpleegkundige aan verweerster heeft gevraagd naar klaagster te gaan kijken in verband met de pijn – en dus niet (alleen) in verband met ‘het voorval’. Het College moet dan de vraag beantwoorden of de afwijzing van dat verzoek in strijd was met verweersters zorgplicht jegens klaagster. Met verweerster is het College van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet zo was. Bij deze beoordeling neemt het College in aanmerking, dat verweerster klaagster als voormalige behandelaar goed kende, op de hoogte was van haar klachten en pijn gedurende langere tijd, wist dat er afspraken waren gemaakt over ruime pijnmedicatie en geen concrete alarmsignalen had gekregen dat sprake was van een afwijkende situatie. Onder deze omstandigheden behoefde zij klaagster niet te bezoeken.
Gelet op dit oordeel - uitgaande van een door de verpleegkundige gedaan verzoek om naar klaagster te komen in verband met pijn - geldt dit temeer indien dat verzoek niet is gedaan of alleen betrekking had op ‘het voorval’.
5.3 De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Sarlemijn, voorzitter, dr. G.J. Dogterom en dr. C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij
niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de
volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.