ECLI:NL:TGZRSGR:2018:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-020

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:95
Datum uitspraak: 26-06-2018
Datum publicatie: 26-06-2018
Zaaknummer(s): 2018-020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een cardioloog. De cardioloog is niet betrokken geweest bij de opname van patiënt op de CCU afdeling. Niet gebleken dat de cardioloog teveel medicatie heeft toegediend. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, cardioloog,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. L. Beij, werkzaam te Den Haag.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 22 januari 2018;

- instemmingsverklaring van mw. Neriman Arikan;

- het verweerschrift met bijlagen;

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 11 april 2018.

1.2       De partijen zijn op 11 april 2018 in het vooronderzoek mondeling gehoord.

1.3       Het College heeft de klacht op 15 mei 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klager heeft de klacht ingediend in namens zijn overleden vader [hierna te noemen:

patiënt], geboren in 1960, overleden in 2017.

2.2              Patiënt is vanuit het E verwezen naar F. Hij kwam daar op 20 november 2017 op de

poli. Tijdens zijn bezoek aan de poli is besproken dat patiënt op 28 november 2017 opgenomen zou worden teneinde de problematiek rond zijn hartfalen compleet in beeld te brengen.

2.3              Nadat er tijdens de opname allerlei onderzoeken waren uitgevoerd, is patiënt op 11

december 2017 overgeplaatst naar de Coronary Care Unit (verder: CCU).

2.4              Op 12 december 2017 is verweerster als dienstdoende cardioloog op de CCU voor het

eerst betrokken bij de behandeling van patiënt.

2.5              Tijdens de ochtendvisite had verweerster voor het eerst contact met patiënt. Hij gaf

aan dat hij zich opgesloten voelde en graag naar huis wilde. Verweerster heeft patiënt toen uitgelegd dat hij op de CCU is opgenomen om hem maximaal medicamenteus te kunnen behandelen voor zijn ernstige hartfalen in afwachting van eventueel verder beleid vanuit het G. Patiënt kon zich hierin vinden.

2.6              Op 14 december 2017 is op verzoek van het G een echocardiogram verricht.

Verweerster heeft de uitslag van de echo met patiënt en een aanwezige zoon besproken. Verweerster heeft toen uitgelegd dat het met de huidige intraveneuze medicatie niet mogelijk was om patiënt nog klinisch te verbeteren. Patiënt twijfelde of hij nog wel naar het G zou willen, ook als daar nog wel behandelmogelijkheden zouden zijn. Verweerster heeft met patiënt afgesproken, dat ze de uitslag van het G nog zouden afwachten.

2.7              Later op de dag bleek dat ook het G geen behandeloptie meer kon bieden aan

patiënt. Patiënt heeft naar aanleiding van dit bericht aangegeven dat hij de volgende dag naar huis wilde met pillen in plaats van een infuus. Patiënt was blij dat hij naar huis kon.

2.8              De intraveneuze medicatie is in de nacht van 14 op 15 december 2017 langzaam

afgebouwd.

2.9              Op 15 december 2017 is patiënt ontslagen. Dit is door een arts-assistent cardiologie

doorgegeven aan de huisartspraktijk van patiënt.

2.10          Op 18 december 2017 heeft verweerster contact gehad met de huisarts van patiënt.

2.11          Op 19 december 2017 is patiënt overleden.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven, dat verweerster;

-          patiënt zonder zijn toestemming c.q. tegen zijn wil op de CCU heeft opgenomen;

-          patiënt teveel medicatie heeft toegediend, terwijl de medicatie geen effect sorteerde en patiënt er slechter van werd.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Het eerste klachtonderdeel ziet op het zonder toestemming, dan wel tegen de wil van patiënt opnemen op de CCU afdeling.

Patiënt is op 11 december 2017 overgeplaatst naar de CCU afdeling. Op dat moment had  verweerster nog geen bemoeienis gehad met de behandeling van patiënt. Alleen daarom al  kan haar geen verwijt worden gemaakt dat zij patiënt zonder toestemming, dan wel tegen zijn wil heeft opgenomen op de CCU afdeling. Dit klachtonderdeel treft dus geen doel.

5.2       Met betrekking tot het deel van de klacht dat ziet op het teveel toedienen van medicatie, terwijl dit geen effect sorteerde overweegt het College als volgt.

Uit het medisch dossier is gebleken, dat de onderzoeksresultaten van patiënt vanaf zijn opname structureel zijn voorgelegd en besproken met de afdeling cardiologie van het G ter beoordeling van de eventuele behandelopties.

Gezien de ernstige klachten van patiënt, zijn de laatste behandelmogelijkheden verkend, en wel op een wijze die overeenkomt met de medische standaard en met instemming van

patiënt. Er is geen enkele aanwijzing dat er daarbij fouten zijn gemaakt. Hoewel het bijzonder spijtig is dat er geen behandelmogelijkheden meer bleken te zijn en patiënt snel achteruit is gegaan, valt verweerster hiervan geen verwijt te maken. Voor de duidelijkheid merkt het College bovendien nog op dat er veelvuldig contact is geweest met familie om zoveel mogelijk uit te leggen. Daarom treft ook dit klachtonderdeel geen doel.

Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 26 juni 2018 door mr. M.A.F. Tan- de Sonnaville, voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, dr. B. van Ek, dr. I. Dawson en dr. E.A. Dubois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. M. Braspenning-Groeneveld, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.