ECLI:NL:TGZRSGR:2018:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-300

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:94
Datum uitspraak: 26-06-2018
Datum publicatie: 26-06-2018
Zaaknummer(s): 2017-300
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een arts. Het rapport voldoet aan de te stellen eisen. Niet gebleken dat de arts niet onafhankelijk was. Aan klager komt geen blokkeringsrecht toe. Klacht afgewezen.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:                        

C, arts,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2017;

- een aanvullend klaagschrift, ontvangen op 22 januari 2018;

- de brief, met bijlagen, ontvangen d.d. 26 februari 2018 van klager;

- het verweerschrift;

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 28 maart 2018.

1.2       Partijen hebben op 28 maart 2018 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       Het College heeft de klacht op 15 mei 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klager, geboren in 1991, is op 1 mei 2015 betrokken geweest bij een

verkeersongeval. Klager reed op zijn bromscooter en moest op een kruispunt remmen voor een oudere dame op een fiets die geen voorrang verleende. Klager is toen geslipt en ten val gekomen.

2.2              Klager heeft een beroep gedaan op een uitkering bij blijvende invaliditeit, voor zover

rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg, waarvoor klager is verzekerd bij E.

2.3              Verweerder heeft als arts – neuroloog, niet praktiserend – van E

de opdracht ontvangen om klager te beoordelen op rechtstreekse medische ongevalsgevolgen binnen zijn vakgebied.

2.4              Het onderzoek van klager vond plaats op 8 februari 2016. Dit heeft geleid tot een

definitief medisch rapport d.d. 14 april 2016.

2.5              Verweerder heeft in dit rapport als relevante informatie genoemd:

-          Brief van F, huisarts te G, d.d. 14 december 2015 (met relevante notities uit het huisartsenjournaal);

-          Brieven d.d. 17 september 2015 en 19 februari 2016, alsmede een teamrapportage d.d. 3 december 2015, van H;

-          Brieven van 5 september 2013, 3 januari 2014, 5 augustus 2014,  12 juni 2015 en 10 juli 2015, alsmede een neuropsychologisch rapport,van I;

-          Het aanrijdingsformulier d.d. 1 mei 2015;

-          Korte samenvatting van het telefoongesprek d.d. 4 april 2016 met de andere betrokkene bij het scooterongeval;

Daarnaast heeft verweerder de anamnese afgenomen en algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek bij klager verricht. Het rapport besluit met een bespreking, inhoudende: ‘Op 1 mei 2015 is A gevallen en met zijn hoofd op straat terechtgekomen. De getuige, J, heeft waargenomen dat hij naar haar herinnering 3 tot 4 minuten niet reageerde, maar onmiddellijk daarna helder was. Er is geen sprake van een posttraumatische- of retrograde amnesie. De klacht van moeite met concentreren en daardoor slecht onthouden bestond ook al eerder na vergelijkbare ongevallen in juni 2012 en mei 2013. Hij is hiervoor van juni 2013 tot medio april 2015 onder behandeling geweest bij I. Hier is toen neuropsychologisch onderzoek verricht waaromtrent op 13 maart 2015 is gerapporteerd dat geen sprake was van cognitieve afwijkingen, maar wel vastgesteld werd dat sprake was van een depressie. Bij mijn lichamelijk / neurologisch onderzoek herken ik myogene pijnklachten van de cervicale, thoracale en lumbosacrale wervelkolom. De lagere visus beiderzijds vind ik vreemd. Deze past niet bij een herkend letsel van het visuele systeem en komt ook niet overeen met een neurologische lokalisatie. Evenmin worden problemen betreffende de gezichtsscherpte gemeld.

Het aangeven dat links alles meer gevoeld wordt dan rechts heb ik bij lichamelijk onderzoek niet herkend door uitval van een sensibele kwaliteit rechts en kan ook niet door een letsel van centraal of perifeer zenuwstelsel worden verklaard.

Mijns inziens is het niet plausibel dat betrokkene thans nog lijdt aan cognitieve afwijkingen ten gevolge van een hersenletsel door het ongeval op 1/5/2016 omdat:

·         Het mogelijke bewustzijnsverlies niet langer duurde dan 3 minuten en hij onmiddellijk daarna weer volledig helder was.

·         Bij de val met het hoofd op straat geen uitwendig letsel optrad.

·         Geen sprake is van retrograde- of posttraumatische amnesie.

·         De fouten bij de MMSE onwaarschijnlijk zijn gezien het vermogen een uitgebreide gedetailleerde anamnese te presenteren

·         Bij neurologisch onderzoek niet te duiden symptomen worden gepresenteerd; visusdaling bij niet brildrager, verminderd ervaren sensiliteit rechts gelaat en lichaam.

·         Betrokkene  vasthoudend in staat is zijn visie omtrent zijn klachten en de expertisevraagstelling te presenteren.

·         Al eerder na een vergelijkbaar ongeval vergelijkbare cognitieve klachten waren opgetreden, die bij neuropsychologisch onderzoek in maart 2015 niet bevestigd konden worden.

Samenvattend kom ik tot de conclusie dat geen sprake is van medische afwijkingen als ongevalsgevolg. Dit standpunt betreft echter een grote mate van plausibiliteit. Hiervan uitgaande heb ik de vraagstelling beantwoord. Bij bestuderen van relevante literatuur via PubMed kan ik mijn standpunt echter niet onderbouwen tot een zekerheid van 100%, Dit zou verkregen moeten worden met een nieuw neuropsychologisch onderzoek. Indien hierbij dan cognitieve afwijkingen aangetoond zouden worden met uitsluiten van onderpresteren, zou ik alsnog een percentage blijvende invaliditeit als rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg duiden. Bij hanteren  van de richtlijnen van de NVN 2013, zou ik dan, via hoofstuk3.A.1, komen tot een percentage van 7%.’

2.6              Verweerder heeft het conceptrapport naar klager toegestuurd in het kader van het

correctierecht. Klager heeft hierop uitgebreid gereageerd. Verweerder heeft niet alle reacties van klager verwerkt in het definitieve rapport. Wel is de reactie van klager bij het rapport gevoegd.

2.7              Het definitieve rapport is op 14 april 2016 verstuurd naar E, de opdrachtgever van

klager.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven, dat verweerder:

-          Een onjuiste rapportage heeft opgesteld;

-          Niet onafhankelijk is, waarbij hij nog heeft gesteld dat hij geen gebruik heeft mogen maken van zijn blokkeringsrecht;

-          Met opzet geen juiste informatie heeft gebruikt;

-          Onjuiste conclusies heeft getrokken.

4.        Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2       Voorts dienen bij de beoordeling van de vraag of een rapportage van een beroepsbeoefenaar voldoet aan de daaraan te stellen eisen volgens vaste jurisprudentie de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het College toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van

vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

Feiten die ten tijde van het onderzoek nog niet bekend of redelijkerwijs niet

voorzien waren, kunnen de rapporteur niet worden tegengeworpen.

5.3       Klager verwijt verweerder allereerst dat hij een onjuiste rapportage heeft opgesteld, met opzet geen juiste informatie heeft gebruikt en onjuiste conclusies heeft getrokken.

5.4       Verweerder heeft in zijn rapportage de verschillende, naar het oordeel van het College relevante, bronnen weergegeven waarvan hij gebruik heeft gemaakt bij het opstellen van zijn rapportage. Daarnaast heeft verweerder de bevindingen van zijn eigen algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek vermeld, alsmede de richtlijn die hij heeft gehanteerd.

In het rapport is op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De opgemaakte rapportage voldoet kortom aan de daaraan te stellen (in r.o. 5.2 genoemde) eisen. De omstandigheid dat verweerder op basis van zijn deskundigheid tot een voor klager ongewenste conclusie is gekomen, maakt dit niet anders.

5.5       Klager heeft verder gesteld dat verweerder niet onafhankelijk is, met name aangezien:

- E zijn opdrachtgever is en de eindconclusie gunstig uitpakt voor de verzekeringsmaatschappij E; 

- klager niet is gewezen op zijn blokkeringsrecht.

5.6       Verweerder heeft naar voren gebracht dat hij bij het opstellen van de rapportage de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie heeft gehanteerd; dat hij op basis van zijn medische expertise tot zijn rapport gekomen en volstrekt onafhankelijk is van E.

Ook heeft verweerder aangevoerd dat klager op basis van artikel 7:464 lid 2 onder b BW geen blokkeringsrecht toekomt; dat klager wél in de gelegenheid is gesteld om gebruik te maken van zijn correctierecht, bestaande in het corrigeren van feitelijke onjuistheden en spelfouten. Verder gaat dit recht niet.

5.7       Het College is van oordeel dat er geen aanwijzing is dat verweerder zich bij het uitbrengen van de rapportage heeft laten leiden door de opdrachtgever of dat hij anderszins niet onafhankelijk is. Voorts is het College van oordeel dat ingeval van een beroep op een bestaande burgerrechtelijke verzekering, zoals bij klager, onderzochte (op grond van artikel 7:464 lid 2 onder b BW) geen blokkeringsrecht heeft en dat het correctierecht niet verder gaat dan hiervoor omschreven.

Om bovenstaande redenen zal de klacht in al zijn onderdelen zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 26 juni 2018 door mr. M.A.F. Tan- de Sonnaville, voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, dr. B. van Ek, dr. I. Dawson en dr. E.A. Dubois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. M. Braspenning-Groeneveld, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.