ECLI:NL:TGZRSGR:2018:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-276

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:91
Datum uitspraak: 26-06-2018
Datum publicatie: 26-06-2018
Zaaknummer(s): 2017-276
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts valt niet te verwijten dat de poh in de huisartsenpraktijk de uitslag van de allergietest niet correct aan klaagster heeft doorgegeven. Er is geen aanwijzing dat deze fout de huisarts is aan te rekenen, bijvoorbeeld wegens onvoldoende instructie van de poh. Het was voorts wel beter geweest wanneer de huisarts aan klaagster had laten weten wat de vertraging was van een gesprek tussen klaagster en de huisarts, maar dit is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht afgewezen.  

Datum uitspraak: 26 juni 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: mr. R.G.E. de Vries, werkzaam te Diemen,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te D,

verweerster.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 7 november 2017

- het verweerschrift met bijlage

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 12 maart 2018.

1.2       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde, die een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd.

2.         De feiten.

2.1       Klaagster, geboren in 1962, was patiënte van huisarts E (hierna ook: E), die praktijk hield op twee locaties, te weten locatie F en locatie G te D. Klaagster was patiënte bij de locatie F.

2.2       Verweerster is als huisarts werkzaam in huisartsenpraktijk H in D. In deze praktijk werkt ook huisarts I en (op enig moment) basisarts J.

2.3       In verband met de schorsing van huisarts E (voor zes maanden) werd zijn praktijk gesloten. Verweerster heeft in augustus (volgens klaagster op 28 augustus) 2017 de patiëntenzorg van de patiënten, locatie F, overgenomen, alsmede de assistentes van E, die in dienst bleven van de onderneming van E, te weten de assistente K en de praktijkondersteuner (poh), L. Aanvankelijk was voorzien in een waarneming door verweerster, waarbij gewerkt werd met basisartsen en verweerster als eindverantwoordelijke. Toen later bleek dat E niet meer terugkwam als huisarts zijn in 2018 andere maatregelen genomen en is (in ieder geval) een deel van de patiënten van E ingeschreven als patiënt van verweerster.

In verband met de plotselinge toestroom van patiënten in augustus 2017 is in verweersters praktijk een extra arts ingeschakeld, de basisarts M.

2.4       Voor de patiënten van E, locatie G, zijn andere waarnemers ingezet.

2.5       Klaagster heeft (nog) in opdracht van dokter E bloed laten prikken (in verband met eventuele allergieën), en wel op 17 augustus 2017. Klaagster heeft (onder meer) op vrijdag 25 augustus 2017 telefonisch contact gehad met assistente K. In het medisch journaal staat onder meer genoteerd: dat klaagster de allergie-uitslag wilde bespreken met de huisarts, dat klaagster niet op de telefoonlijst stond die dag, dat zij een telefonische afspraak met de huisarts kon krijgen voor de maandagochtend en dat het die (vrij)dag niet meer lukte; dat klaagster boos werd en heeft opgehangen.

2.6       Op dinsdag 29 augustus 2017 is er telefonisch contact geweest tussen de poh L (hierna: L) en klaagster. In het medisch journaal is niet vermeld wat toen is besproken. Vast staat wel dat in ieder geval over de uitslag van het bloedonderzoek is gesproken en dat L onjuiste, althans verwarrende, informatie heeft doorgegeven.  Klaagster heeft in ieder geval uit dit telefoongesprek begrepen dat er sprake was van allergieën.

2.7       Klaagster heeft op 23 oktober 2017 een telefonisch consult gehad bij huisarts I in verband met een blaasontsteking. Zij heeft daarvoor medicijnen voorgeschreven gekregen.

2.8       In het medisch journaal staat bij 25 oktober 2017 onder meer genoteerd over een telefonisch consult met een assistente: “[.]  tvs allergie bespreken, afsprk 271017 bij [..]”

[College: [..] staat voor: verweerster].

2.9       Klaagster is vervolgens op 27 oktober 2017 op het spreekuur geweest, waarbij ze is gezien door basisarts M. Blijkens het medisch dossier zijn er toen diverse medische kwesties besproken en onderzocht. Naar aanleiding van een vraag van klaagster heeft M haar verteld dat in het systeem stond dat klaagster geen allergieën had en dat de uitslag negatief was. In het medisch journaal is over dit consult (naast diverse medische klachten) onder meer vermeld:

“[.]  heeft veel klachten over de communicatie en werking tussen praktijkk F en G. is niet tevreden. Er zou gezegd zijn dat haar allergietest positief is, maar alles is hier in de computer negatief.”

2.10     Klaagster heeft op 29 oktober 2017 een klacht ingediend bij de praktijk en op (maandag) 30 oktober naar de praktijk gebeld om te vragen of haar klacht was ontvangen en te zeggen dat ze wil dat een arts hiermee aan de slag gaat. Dit is zo ook in het medisch journaal genoteerd.

2.11     Klaagster heeft op 7 november 2017 opnieuw naar de praktijk gebeld onder meer over haar klachtbrief en haar onzekerheid of ze wel of geen allergie heeft. In het medisch journaal is hierover onder meer vermeld: “P Op agenda van dokter. C gezet om hierover te bellen.”.

2.12     Klaagster heeft op 13 november 2017 hierover opnieuw naar de praktijk gebeld. Dit is ook genoteerd in het medisch journaal.

2.13     Klaagster heeft op 14 december 2017 telefonisch contact opgenomen met de praktijk in verband met uitslag over haar hele lichaam. Dit staat genoteerd in het medisch journaal. Verweerster heeft diezelfde dag telefonisch contact opgenomen met klaagster, waarbij is gesproken over de klachten van klaagster. Dit staat genoteerd in het medisch journaal.

2.14     Klaagster  is op 16 januari 2018 overgestapt naar een andere huisarts.

3.         De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

1)         Klaagster is in het ongewisse gelaten over de correcte uitslag van het bloedonderzoek.

2)         De klachtafhandeling is veel te traag geweest. Verweerster heeft de zaak teveel op zijn beloop gelaten.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft gereageerd op de klachten, achtergrond informatie verstrekt en haar excuses aangeboden over de te trage klachtafhandeling. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

Klacht 1

5.1       Niet in geschil is dat de poh L (dit is geen arts) de uitslag van de allergietest niet correct heeft doorgegeven en dat op basis hiervan bij klaagster de indruk is ontstaan dat ze last had van allergieën. Ook staat vast dat basisarts M later (op 23 oktober 2017) met juistheid aan klaagster heeft verteld dat de uitslag negatief was.

Pas op de zitting van het College is duidelijk geworden dat klaagster naar haar zeggen met haar voormalige huisarts E had afgesproken dat ze bij een negatieve allergietest zou worden doorverwezen naar een dermatoloog. Er is echter geen aanwijzing dat verweerster van deze afspraak op de hoogte was, dan wel had moeten zijn. In het (onder verantwoordelijk­heid van de voormalige huisarts) opgemaakte journaal is van een dergelijke afspraak niets te vinden. Evenmin zijn er aanwijzingen (behoudens thans niet aan de orde zijnde bijzondere omstandigheden), dat verweerster, dan wel haar praktijk, na de negatieve uitslag van de allergietest voor doorverwijzing naar een dermatoloog had moeten zorgen.

5.2       Alhoewel te betreuren valt dat de poh de uitslag niet correct heeft doorgegeven, valt verweerster daarvan in de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Verweerster is immers niet degene geweest die deze fout heeft gemaakt, terwijl er geen aanwijzing is dat deze fout haar is aan te rekenen, bijvoorbeeld wegens onvoldoende instructie van de poh. Een poh mag in beginsel in staat geacht worden een dergelijke uitslag door te geven. Hier komt bij dat deze fout is hersteld door basisarts M, die de correcte uitslag aan klaagster heeft verteld

5.3       De eerste klacht is ongegrond.

Klacht 2

5.4       Vast staat dat er ongeveer zes weken zijn verlopen tussen de indiening van de klacht (eind oktober 2017) en het moment dat verweerster telefonisch contact opnam met klaagster (op 14 december 2017) naar aanleiding van de klacht. Verweerster heeft als verklaring voor dit tijdsverloop gegeven (i) dat ze de klacht in handen heeft gegeven aan haar praktijkmanager en (ii) dat ze eerst het verhaal van de poh L wilde horen alvorens een standpunt in te kunnen nemen. In verband met de vakantie van de poh heeft dit enige tijd geduurd.

5.5       Naar het oordeel van het College was het beter geweest wanneer verweerster aan klaagster had laten weten wat de reden van deze vertraging was –verweerster erkent dit ook–, maar al met al acht het College in de gegeven omstandigheden het tempo van klachtafhandeling niet van dien aard dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

5.6       Ook deze klacht is ongegrond.

5.7       De slotsom is dan ook dat beide klachten ongegrond zijn en zullen worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klachten af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.F. Tan- de Sonnaville, voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, dr. B. van Ek, dr. I. Dawson en dr. E.A. Dubois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. M. Braspenning-Groeneveld, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2018.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

            volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

            belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.