ECLI:NL:TGZRSGR:2018:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-198

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:87
Datum uitspraak: 29-05-2018
Datum publicatie: 29-05-2018
Zaaknummer(s): 2017-198
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een tandarts. De lezingen van partijen over het voldoende uitleggen van het gewijzigde behandelplan en de instemming van klaagster staan lijnrecht tegenover elkaar. De overgelegde stukken bieden op dit punt onvoldoende houvast. Daarnaast is niet gebleken van een noemenswaardig lengteverschil, een onacceptabele ruimte tussen de twee kronen of een niet goed aan het tandvlees aansluitende brug. Ook niet gebleken dat de tandarts zich in liet met onjuiste facturering. Klacht afgewezen.  

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: mr. T. Rhijnsburger, werkzaam te Rotterdam,

tegen:

C , tandarts,

destijds werkzaam te B,

verweerster.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 11 augustus 2017

- de brief van klaagster met bijlagen en een cdrom

- het verweerschrift

- tandheelkundige gegevens ontvangen van klaagster

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek gehouden op 6 februari 2018.

1.2       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 april 2018. Beide partijen - klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde -  zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.         De feiten

2.1       Verweerster heeft tot half maart 2017 als tandarts gewerkt in tandartsenpraktijk D in B (hierna: de praktijk). Klaagster, geboren in 1970, is op 12 september 2016 voor het eerst bij verweerster op consult geweest. Klaagster had namelijk klachten over haar gebit en meer specifiek over de brug in haar bovenkaak die indertijd in het buitenland was geplaatst. Verweerster heeft klaagsters parodontium en gebit beoordeeld en haar verwezen naar een mondhygiënist. Klaagster heeft daarop in het najaar van 2016 tweemaal de mondhygiënist bezocht.

2.2.      In de periode van begin januari 2017 tot en met eind februari danwel half maart 2017 heeft verweerster klaagster vervolgens in enkele (ongeveer twee of drie) sessies tandheelkundig behandeld. Daarbij heeft verweerster de oude (verblokte) kronen op de elementen 14, 13, 12, 11 en 24, 23, 22, 21 bij klaagster verwijderd. Voorts heeft zij de elementen 14 en 24 geëxtraheerd. De elementen 11, 12, 13 en 21, 22, 23 heeft verweerster behandeld door in alle genoemde elementen een wortelkanaalbehandeling uit te voeren. Twee snijtanden in de bovenkaak (de elementen 11 en 21) heeft verweerster van een kroon voorzien.  Links boven (elementen 22, 23, 24) heeft verweerster een brug geplaatst. De brug rechtsboven (elementen 12, 13, 14) heeft verweerster teruggestuurd naar de tandtechnicus omdat deze brug niet goed paste.

2.3       Vanaf half maart 2017 was verweerster niet meer bij de praktijk werkzaam. Klaagster is vanaf dat moment onder behandeling geweest bij een andere tandarts binnen de praktijk. De brug rechtsboven, die uiteindelijk ook was geplaatst, is door deze andere tandarts vervangen.

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerster - zakelijk weergegeven - het volgende:

(i) Verweerster heeft klaagster niet het type behandeling gegeven waar klaagster om had verzocht. Klaagster wilde bij voorkeur losse kronen per afzonderlijk element in plaats van brugkroon-constructies. Verweerster heeft echter gekozen voor driedelige brugconstructies voor links- en rechtsboven en zij heeft klaagster vooraf onvoldoende over dit gewijzigde behandelplan geïnformeerd;

(ii) Verweerster heeft twee elementen (14 en 24) getrokken zonder klaagster hiervan van te voren op de hoogte te stellen;

(iii) Verweerster heeft de noodkronen continu verwijderd en weer afdrukken gemaakt, waardoor de elementen los zijn geraakt;

(iv) De kwaliteit van de uitgevoerde behandeling was ondermaats en daardoor is ook het eindresultaat niet goed geworden; er is sprake van een lengte- en kleurverschil, de linkerbrug sluit niet mooi aan op het tandvlees en er zit ruimte tussen de twee kronen op de snijtanden middenvoor;

(v) Verweerster heeft na haar vertrek uit de praktijk onjuiste facturen naar klaagster gestuurd waarbij de naam van verweerster nog steeds als behandelaar staat vermeld.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Zij heeft onder meer aangevoerd geen toegang te hebben tot de patiëntgegevens omdat zij in onmin uit de praktijk is vertrokken terwijl klaagster patiënt bleef van de praktijk. Ook betwist verweerster ferm de juistheid van de door klaagster overgelegde patiëntengegevens omdat daarin na haar vertrek uit de praktijk is ‘gerommeld’: een deel van de door verweerster genoteerde aantekeningen op de patiëntenkaart is, aldus verweerster, verwijderd danwel gewijzigd.

Verweerster stelt voorts voorafgaand aan de tandheelkundige behandeling intra-oraal en röntgenologisch onderzoek te hebben verricht,  op basis waarvan zij - kort samengevat - constateerde dat bij klaagster sprake was van ernstige parodontitis, halitose, slechte aan elkaar geplakte kronen waarbij de metaalranden waren te zien. Het tandvlees was opgezwollen en bloedde tijdens het sonderen. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Allereerst merkt het College op dat de beoordeling van de onderhavige klacht wordt bemoeilijkt door het feit dat geen (beeld)materiaal is overgelegd van de beginsituatie van klaagsters tanden en parodontium vóórdat zij door verweerster is behandeld. De panoramafoto van 5 januari 2017 geeft de toestand weer nadat verweerster de oude kronen en brugwerk reeds had verwijderd, terwijl de panoramafoto’s van 28 juli 2017 zijn gemaakt nadat de andere tandarts uit de praktijk klaagster had behandeld en de rechterbrug had vervangen. Daarbij komt dat verweerster de juistheid van de door klaagster overgelegde patiëntengegevens steeds (zowel in de processtukken als tijdens het mondelinge verhoor en ter zitting) stellig heeft betwist. Evenmin heeft zij toegang tot het patiëntendossier waarin haar oorspronkelijke aantekeningen staan vermeld en niet is komen vast te staan - aldus het College - dat dit aan verweerster is te wijten.

5.2       De klachtenonderdelen (i) en (ii) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor het College is - op basis van de processtukken in samenhang met hetgeen door partijen ter zitting en tijdens het mondelinge verhoor is verklaard - vast komen te staan dat verweerster klaagster naar een mondhygiënist heeft verwezen ter verbetering van klaagsters parodontium alvorens met een tandheelkundige behandeling te zijn gestart. Eveneens staat vast dat verweerster voorafgaand aan de behandeling met klaagster een behandelplan heeft besproken en een begroting heeft gemaakt die door klaagster is geaccordeerd. Ook heeft verweerster met klaagster besproken dat niet was te voorspellen hoe de behandeling precies zou verlopen omdat niet duidelijk was wat de staat was van de elementen en het parodontium onder het oude kroon- en brugwerk zou zijn. Verweerster heeft aan klaagster verteld dat dit pas goed viel te beoordelen na verwijdering van de oude restauraties en dat dan pas met zeker was te zeggen wat de mogelijkheden zouden zijn voor het plaatsen van losse kronen. Verweerster stelt dat de toestand van hetgeen zij onder de verwijderde restauraties aantrof van dien aard was (botafbraak, slechte staat van het resterende tandmateriaal) dat er geen andere optie was dan extractie van de elementen 14 en 24 en plaatsing van driedelige bruggen links- en rechtsboven. Daar waar verweerster stelt dat zij het aldus gewijzigde behandelplan (waarbij toch twee driedelige bruggen zouden worden geplaatst en twee niet te behouden elementen zouden worden geëxtraheerd) voldoende aan klaagster heeft uitgelegd en dat klaagster daar mee instemde, wordt dit door klaagster ontkend.

5.3       Nu de visies van klaagster en verweerster hierover lijnrecht tegenover elkaar staan en de overgelegde stukken waaronder de patiëntenkaart op dit punt evenmin voldoende houvast bieden, kan het College niet uitmaken wie van beiden daarin gelijk heeft, omdat aan het woord van de een niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander. Het is vaste tuchtrechtspraak in gevallen als deze, waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus hier niet vaststellen. Dit betekent dat de klachtonderdelen (i) en (ii) niet kunnen slagen.

5.4       Ook de overige klachtonderdelen (iii), (iv) en (v) kunnen niet slagen. Van een noemenswaardig lengteverschil, een onacceptabele ruimte tussen de twee kronen danwel een niet goed aan het tandvlees aansluitende brug is niet gebleken. Een bepaalde mate van beweeglijkheid kan zich bij geplaatste kronen en bruggen inderdaad voordoen, maar dat wil niet zeggen dat dat het gevolg is van een onjuiste behandeling. In dit geval is niet komen vast te staan dat verweerster hiervan een tuchtrechtelijk verwijt is te maken. Klaagster heeft betwist dat zij (na haar vertrek uit de praktijk) betrokken is geweest bij de facturering en ook anderszins is niet gebleken dat zij zich in liet met onjuiste facturering.

5.5       De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook in haar geheel als ongegrond worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E.B. ter Heide, voorzitter, mr. E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, M.M.L.F. Smulders, H.W. Luk, J.M.W. Croes, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2018.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.