ECLI:NL:TGZRSGR:2018:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-213
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2018 |
| Datum publicatie: | 27-03-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2017-213 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. De rapportage had, in de tijd dat verweerder nog in opleiding was, gecontrasigneerd moeten worden. Dit hoeft echter niet te leiden tot de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Dit is ook niet gebleken. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , verzekeringsarts,
werkzaam te B ,
verweerder,
gemachtigde: mr. drs. G.P. van Delft, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 7 september 2017;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek;
- aanvullende stukken d.d. 22 november 2017 van klager;
- de dupliek;
1.2 Klager heeft in zijn brief van 21 november 2017 te kennen gegeven geen gebruik te maken van een verhoor in het vooronderzoek.
1.3 Het College heeft de klacht in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Op 10 december 2013 heeft klager zich met terugwerkende kracht per 1 juni 2013 ziek
gemeld bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Naar aanleiding van deze ziekmelding is klager in maart 2014 bij verweerder op het spreekuur geweest, waarin onder meer is gesproken over de geschiktheid van klager voor eigen werk of voor andere passende arbeid. Verweerder was op dat moment verzekeringsarts in opleiding en is per 28 januari 2015 als verzekeringsarts geregistreerd in het BIG-register.
2.2 Verweerder heeft, nadat hij nadere informatie van de behandelend KNO-arts van
klager had verkregen, in zijn rapportage van 6 mei 2014 (hierna: de rapportage) geconcludeerd dat klager per 1 juni 2013 niet arbeidsongeschikt was. Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling door het UWV dat hij vanaf 1 juni 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep heeft in zijn rapportage van 4 juni 2014 geconcludeerd dat er vanuit medisch oogpunt geen aanleiding is af te wijken van het oordeel van verweerder, waarna het bezwaar bij besluit van 5 juni 2014 ongegrond is verklaard. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 14 november 2014 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) heeft die uitspraak op 23 augustus 2017 bevestigd.
3.
De klacht
Klager verwijt verweerder dat hij klager tijdens het onderzoek in maart 2014 niet heeft gemeld dat hij verzekeringsarts in opleiding was en dat hij heeft verzuimd de rapportage te laten contrasigneren.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder erkent dat de rapportage door een verzekeringsarts (zijn opleider) gecontrasigneerd had moeten worden. Verweerder kan niet meer achterhalen waarom dat niet is gebeurd. Verweerder weet niet meer op welke wijze hij zich aan klager heeft voorgesteld, maar wijst erop dat hij zich overigens op geen enkele wijze - niet in de uitnodiging aan klager, niet in de brief aan de KNO-arts en evenmin bij de ondertekening van de rapportage - als verzekeringsarts heeft gepresenteerd.
5. De beoordeling
5.1 Het College kan niet vaststellen dat verweerder zich als verzekeringsarts heeft gepresenteerd aan klager. Dat klager in de veronderstelling verkeerde met een verzekeringsarts van doen te hebben doet daaraan niet af. Wat betreft het ontbreken van de contrasignering van de rapportage overweegt het College als volgt. Niet in geschil is dat de rapportage had moeten worden gecontrasigneerd door de opleider van verweerder. Het College is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt terzake hiervan treft en overweegt daartoe als volgt. De conclusies van verweerder zijn onderschreven door de (geregistreerde) verzekeringsarts Bezwaar en Beroep in diens rapport van 4 juni 2014, die tot dat oordeel kwam na dossierstudie en op basis van recente informatie van de behandelend sector. Zowel de rechtbank als de Raad waren van oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van verweerder in de rapportage. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 8 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI0581) dat onderzoek door een verzekeringsarts in opleiding in het kader van de Ziektewet (ZW) - zoals in dit geval - voldoet aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen. Ook in de onder 2.2 genoemde uitspraak van de Raad van 23 augustus 2017 is vermeld dat de enkele omstandigheid dat verweerder nog in opleiding was tot verzekeringsarts niet kan leiden tot de conclusie dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Ook overigens is niet gebleken dat het door verweerder gedane medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Het College is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens klager heeft gehandeld.
5.2 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2018 door mr. W.N.L. Donker, voorzitter, mr. P.M. van Dijk-de Keuning, lid-jurist, J. Edwards van Muijen, J.G.M. van Eekelen en dr. F.E. Ros , leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. B.J. Dekker, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.