ECLI:NL:TGZRSGR:2018:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-196

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:41
Datum uitspraak: 27-03-2018
Datum publicatie: 27-03-2018
Zaaknummer(s): 2017-196
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. De specialist heeft in overeenstemming met de beroepsnormen gehandeld en een ziekenhuisopname had in medisch opzicht geen meerwaarde. Ook geen sprake van een onjuiste start van het stervenstraject. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , specialist ouderengeneeskunde,

werkzaam te D,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.W. Autar-Matawlie, werkzaam te Den Haag.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2017

- het verweerschrift met bijlagen

- de brief van klager van 9 oktober 2017

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 8 november 2017

- de brief van verweerder met bijlage van 16 november 2017

- de brief van verweerder van 29 november 2017

- de brief van klager van 12 december 2017

1.2       Het College heeft de klacht op 13 februari 2018 in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

2.1       Verweerder is werkzaam als specialist ouderengeneeskunde in E in D. De moeder van klager, F, verbleef sinds 30 november 2015 in E. De broer van klager stond bij E als eerste contactpersoon geregistreerd.

2.2       Vanaf 29 juli 2016 heeft verweerder met onder anderen klager gesproken over het te voeren beleid vanwege een verslechterde gezondheidssituatie van de moeder van klager. In het medisch dossier is hierover onder meer vermeld:

29-07-2016                14:45:00.

Rapporteur:                G. (…)

Gaat conditioneel achteruit, blijft temp. verhoging houden.

Evaluatie: Tachypnoe en rhonchi passend bij pneumonie links. 98-jarige vrouw met dehydratie en pneumonie. Beleid besproken met familie: 2 zonen aanwezig. Hebben verschillend idee over situatie van moeder en over het te voeren beleid. Van de andere 4 kinderen hebben er 2 zich niet uitgesproken en 2 hebben te kennen gegeven dat zij geen heil zien in een ziekenhuisopname. Na uitvoerig gesprek (zie verslag) en overleg met collega H opnieuw gesprek met de broers. Afspraak: mw. blijft in verpleeghuis, ziekenhuisopname heeft geen duidelijke meerwaarde, wel voor dementerende veel nadelen. Plan: Maximale zorg in verpleeghuis: start per vandaag hypodermoclyse 1000 tot 1500 ml NaCL 0,9% of NaCl/Glucose per 24 uur. Start per vandaag kuur Rocephin (Ceftriaxon) 1000 mgr i.m. eenmaal daags. Evaluatie: over 3 dagen. Vocht per os kan druppelsgewijs gegeven worden door familie. Medicatie per os voorlopig niet tenzij zij weer zo ver opknapt dat zij dit veilig kan slikken ’. (…)

01-08-2016                11:32:00

Rapporteur:                G (…)

In afgelopen weekeinde met wisselend succes vocht toegediend gekregen met hypodermoclyse. Mw. heeft gisteren de hypodermoclyse naalden uit de benen getrokken. (…)

Info zorg: mw. heeft zaterdagmiddag en zondagochtend 5 druppels Haldol gekregen ivm onrust/ delirant gedrag: plukgedrag, benen over de bedrand gooien. Geen rapportage dat het in overleg met dd. arts is gedaan. (…)

Plan: Familiegesprek plannen over verder beleid. Mijns inziens geen kans dat mw. weer zelfstandig voldoende gaat drinken en geen kans op verder herstel. Levensverlengend handelen nu niet zinvol. ’ (…)

’03-08-2016                16:48:00

Rapporteur:                G (…)

Mw. heeft 5 dagen ondersteuning gekregen door parenteraal vocht en antibiotica toediening. Haar toestand is niet verbeterd (…). Gezien dementieel beeld en verwachte verdere achteruitgang is verder uitvoeren van levensrekkende handelingen medisch gezien zinloos. Uitgebreid besproken met 4 van de 6 kinderen. Plan: starten met zorgpad stervensfase. (…)

2.3       Op 4 augustus 2016 is de moeder van klager overleden.

3.         De klacht

Klager verwijt verweerder dat:

1.         hij dat zijn moeder niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. Verweerder is ten onrechte afgegaan op het oordeel van zijn broer, de eerste contactpersoon;

2.         hij onjuist heeft gehandeld tijdens de start van het stervenstraject nadat de moeder van klager door toedoen van E zeer verzwakt was geworden en nu haldol is toegediend.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1          Naar het oordeel van het College zijn er in het dossier geen aanwijzingen dat het handelen van verweerder niet in overeenstemming met de beroepsnormen is. Het College gaat uit van de verslaglegging in het medisch dossier zoals weergegeven onder 2.2. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid hiervan. Zoals blijkt uit het medisch dossier heeft verweerder bij de beslissing om de moeder van klager niet naar een ziekenhuis te verwijzen meerdere familieleden bevraagd en ook een collega arts geraadpleegd. Omdat een ziekenhuisopname in medisch opzicht geen duidelijke meerwaarde had en voor een dementerende wel veel nadelen, heeft verweerder besloten daarvan af te zien. Dat verweerder bij het nemen van die beslissing uitsluitend of teveel waarde heeft gehecht aan de mening van de broer van

klager, is niet gebleken. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen dat de keuze om de moeder van klager niet naar het ziekenhuis te verwijzen en maximale zorg in het verpleeghuis te starten, geen verdedigbare keuze is. In E is de maximale zorg aan de moeder van klager geboden door in ieder geval vocht door middel van hypodermoclyse en antibiotica intramusculair toe te dienen. Naar het oordeel van het College had een opname in het ziekenhuis in dat stadium geen meerwaarde. Van onzorgvuldig handelen door verweerder is niet gebleken. Er is ook geen sprake van een onjuiste start van het stervenstraject. Het oordeel over het staken van medisch zinloos handelen is een medisch professioneel oordeel, welke beslissing toekomt aan de arts, in dit geval verweerder. De arts dient daarbij ook de familie te begeleiden, wat in dit geval is gebeurd. Er is geen enkele aanwijzing dat verweerder in dit geval niet als een goed hulpverlener als bedoeld in artikel 7:465, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft gehandeld.

5.2       Voor zover klager verweerder een verwijt maakt voor wat betreft het toedienen van haldol op 31 juli 2016, overweegt het College dat dit verwijt geen doel treft nu een woonzorgbegeleider dit tijdens de behandeling in afwijking van het voorschrift van verweerder en zonder zijn toestemming heeft gedaan.                                                                                                  

5.3       De conclusie is dat verweerder met betrekking tot klachtonderdelen 1 en 2 geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. 

5.4       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2018 door: mr. W.N.L. Donker, voorzitter,

mr. P.M. van Dijk-de Keuning, lid-jurist, M. Keus, J. Edwards van Muijen en

dr. F.E. Ros, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.