ECLI:NL:TGZRSGR:2018:191 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-154

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:191
Datum uitspraak: 27-11-2018
Datum publicatie: 27-11-2018
Zaaknummer(s): 2018-154
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts was niet betrokken bij de zorg voor klager betreffende de hoestklachten. Niet kan worden vastgesteld wat er wel of niet gezegd is in het gesprek tussen klager en de huisarts. Evenmin kan word worden vastgesteld of is komen vast te staan dat de huisarts de inhoud van het gesprek met de ex van klager heeft gedeeld. Het College ziet in het handelen van de huisarts, dat zij (vanuit haar professie) heeft doorgevraagd naar de echtscheiding en het contact van klager met zijn kinderen, geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende

beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, huisarts,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. D.M. Pot werkzaam te Utrecht.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 6 juli 2018

- het verweerschrift met bijlagen

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 18 september 2018

1.2       Het College heeft de klacht op 16 oktober 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Op 22 augustus 2017 is klager op consult geweest bij verweerster. In dit consult is

over de echtscheiding van klager en zijn ex-partner gesproken. Van dit consult staat het volgende genoteerd in het medisch dossier:

“Navraag over situatie rondom kinderen en expartner. Nog in juridische strijd

verwikkeld. Raadsonderzoek bezig. Kinderen 2 mnd geleden laatste keer gezien. Er zijn veel zorginstanties betrokken bij mdr/kinderen. Een instantie zou gezegd hebben dat ze intensievere behandeling nodig heeft en kinderen dan tijdelijk uit huis zouden moeten worden geplaatst. Dit zou zwart op wit staan. Pt krijgt het niet voor elkaar kinderen vaker te zien. Zijn doel is nu kinderen altijd bij hem of in een pleeggezin maar niet meer bij zijn expartner omdat die psychische problemen heeft. Zegt nu te overwegen iedere dag bij school te gaan staan om kinderen te zien. Neemt voor lief dat daar veel problemen met evt politie van zouden kunnen komen. Hij is het gedrag van partner zat. Doet geen uitspraken over voornemen geweld, geen uitspraken over dat hij kinderen iets aan wil doen. Wil punt maken naar partner. Werkt nu niet. Eind mei ontslag genomen. Zit in ww. Is voornemens per oktober weer te werken. Hoofd staat er nu niet naar. Gesproken, advies weer afspraak bij POH GGZ. Hij vindt dit nu niet nodig. Advies gegeven om wel te gaan werken, maar wil dit pas in oktober.

Dringend advies gegeven om niet bij school te gaan staan omwille van kinderen en om problemen voor zichzelf te voorkomen. Ook dat advies slaat hij nu af. Voorgespiegeld dat evt confrontatie  tussen ouders op school schadelijk is voor kind. Reageert daarop dat er altijd vanuit het kind wordt gedacht door hulpverleners, maar niet aan hem en hij de dupe is in het verhaal door gedrag van expartner en hij daarin een punt wil maken”

2.2              Klager is op 2 oktober 2017 op het spreekuur geweest bij de huisartsenpraktijk van

verweerster in verband met hoestklachten. Klager is toen gezien door een collega huisarts van verweerster. Klager heeft hierover op 11 oktober 2017 nogmaals contact gehad met een collega huisarts van verweerster en op 18 oktober 2017 met een collega huisarts van de waarneempraktijk. Op 27 oktober 2017 en 20 november 2017 is klager wederom op het spreekuur geweest voor de hoestklachten en gezien door een collega huisarts van verweerster.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerster - zakelijk weergegeven - dat zij zijn hoestklachten heeft

verwaarloosd, dat zij slechts geïnteresseerd was in zijn echtscheiding en dat zij de ex-partner van klager zou hebben geïnformeerd over het consult op 22 augustus 2017.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Klager is voor zijn hoestklachten niet door verweerster gezien, maar door collega huisartsen van verweerster. Verweerster is derhalve niet betrokken geweest bij de zorg voor klager met betrekking tot de hoestklachten. Het eerste klachtonderdeel moet daarom ongegrond worden verklaard.

5.2       Klager heeft op 22 augustus 2017 met verweerster gesproken over zijn echtscheiding en het contact met zijn kinderen. Volgens klager heeft verweerster in dit gesprek gezegd dat klager een straatverbod zou moeten krijgen. Ook heeft verweerster volgens klager zijn ex-partner geïnformeerd over dit gesprek. Verweerster ontkent dat zij heeft gezegd (dan wel van mening was) dat klager een straatverbod moest krijgen. Nu alleen klager en verweerster aan het gesprek hebben deelgenomen, is niet vast te stellen wat er wel of niet zou zijn gezegd. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerster klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klager en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dat geldt eveneens voor het verwijt dat verweerster de inhoud van het gesprek zou hebben gedeeld met zijn ex-partner. Verweerster stelt dat zij de ex-partner van klager niet kent en betwist dat zij de inhoud van het gesprek met klager heeft gedeeld met zijn ex-partner. Dit is ook anderszins niet vast komen te staan.

Verweerster heeft voorts in haar verweerschrift toegelicht waarom zij vanuit haar professie als huisarts reden zag om (door) te vragen naar de echtscheiding en het contact van klager met zijn kinderen. Het College ziet in dit handelen van verweerster geen tuchtrechtelijk

verwijtbaar gedrag.

Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 27 november 2018 door Y.J. Wijnnobel-van Erp,

voorzitter, H. Uhlenbroek, lid-jurist, G.J. Dogterom, W.P. Vandertop en B. van Ramshorst, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.