ECLI:NL:TGZRSGR:2018:183 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-180

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:183
Datum uitspraak: 20-11-2018
Datum publicatie: 20-11-2018
Zaaknummer(s): 2018-180
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager is in het eerste klachtonderdeel niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem. Verder is de gz-psycholoog niet betrokken geweest bij de behandeling van klager, zodat zij voor het terugplaatsen van klager in de kliniek niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

verblijvende in de B te C,

klager,

tegen:

D, gz-psycholoog,

werkzaam te C,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2018;

- het verweerschrift met bijlagen.

1.2       Het College heeft de klacht op 9 oktober 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1       Klager verbleef, op grond van een hem opgelegde tbs-maatregel, tot 13 november 2017 op de afdeling [….] van de B te C (hierna: de kliniek). Verweerster was vanaf september 2017 tot 13 november 2017 hoofdbehandelaar van klager.

2.2       Op 13 november 2017 is klager overgeplaatst naar de afdeling [….] van de kliniek.

2.3       Op 6 juni 2018 is klager overgeplaatst naar de E te F (hierna: E). Klager verbleef daar tot 5 juli 2018.

2.3       Op 5 juli 2018 is klager teruggeplaatst in de kliniek.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven:

1)      het achterhouden van informatie voor de E over een eerder conflict tussen klager en een andere patiënt in de E, waardoor klager is

teruggeplaatst in de kliniek;

2)      het zich bedienen van leugens.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager ten aanzien van het tweede klachtonderdeel en de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen voor het overige bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Het College stelt voorop dat in artikel 51 van de Wet BIG is bepaald dat niemand andermaal tuchtrechtelijk kan worden berecht ter zake van enig handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden eindbeslissing is genomen. In deze bepaling is het zogeheten ‘ne bis in idem’- beginsel, dat meebrengt dat niet twee maal over hetzelfde handelen kan worden geklaagd als over het eerste handelen alleen een onherroepelijke uitspraak van de tuchtrechter is gedaan.

5.2       Het College is van oordeel dat het verwijt onder klachtonderdeel 2 (dat ziet op “het hanteren van leugens” door verweerster) al is meegenomen in de uitspraak van het College van 24 april 2018, met dossiernummer 2017-246. Hiertoe wijst het College met name naar rechtsoverweging 5.2 van deze uitspraak. Het klachtonderdeel heeft wederom een algemene strekking en is in onvoldoende mate geconcretiseerd. Het College acht klager voor dit onderdeel van zijn klacht dan ook niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het College niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit klachtonderdeel.

5.3       Het College constateert voorts dat vast staat dat verweerder vanaf 13 november 2017 niet betrokken is geweest bij de behandeling van klager, zodat verweerster ten aanzien van klachtonderdeel 1 in tuchtrechtelijke zin niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit klachtonderdeel zal dan ook worden afgewezen.

5.4       Om bovenstaande redenen zal de klacht voor het overige zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

verklaart klager niet-ontvankelijk ten aanzien van klachtonderdeel 2;

wijst de klacht voor het overige af;

Deze beslissing is gegeven op 20 november 2018 door E.J. Daalder, voorzitter,

M.M. van ‘t-Nedereind, lid-jurist, E.H. Muste, E.S.J. Roorda en N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.