ECLI:NL:TGZRSGR:2018:182 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-137
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:182 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-11-2018 |
| Datum publicatie: | 20-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-137 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Het College volgt klaagster in haar klacht dat de gz-psycholoog jegens haar onvoldoende duidelijk is geweest in haar keuze voor een traumabehandeling, in het licht van het – betere – alternatief van een behandeling in de SGGZ. Dit had de gz-psycholoog duidelijker met klaagster moeten bespreken. Verder had de gz-psycholoog na klaagsters verwijt respectloos te hebben opgetreden meer zelfreflectie moeten tonen en een poging moeten doen de onvrede weg te nemen. De brief van de gz-psycholoog aan de huisarts bevat op zichzelf geen onjuiste feiten, maar zij had aanleiding moeten zien de brief in zoverre aan te vullen dat daarin de andersluidende opvatting van klaagster was opgenomen. Waarschuwing. |
Datum uitspraak: 20 november 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C , gz-psycholoog,
werkzaam te D,
verweerster,
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 22 juni 2018
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 24 augustus 2018
- bij brief van 24 september 2018 van klaagster nader ingezonden stukken
- de reactie van klaagster op die stukken van 13 oktober 2018
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018. De partijen, klaagster bijgestaan door E en verweerster door F, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Omdat ter zitting bleek dat verweerster de kort voor de zitting ingediende nadere stukken niet had ontvangen heeft het college haar in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Dat heeft verweerster bij brief van 13 oktober 2018 gedaan.
2. De feiten
2.1 Bij klaagster, ten tijde van belang 20 jaar oud, is op jonge leeftijd de diagnose PDD-NOS vastgesteld. Zij heeft daarvoor verschillende behandelingen ondergaan in de SGGZ. Klaagster kampt met gevoelens van nutteloosheid, afwijzing en depressie. Daarnaast lijdt klaagster aan een posttraumatische stressstoornis als gevolg van ondervonden seksueel misbruik.
2.2 Klaagster heeft, na verschillende voor haar teleurstellend verlopen behandelingen, in juni 2017 contact met verweerster gezocht. Op dat moment was er nog een behandelrelatie met GGZ G, waar zij ontevreden over was. Verweerster heeft besloten tot een traumabehandeling, in de vorm van cognitieve gedragstherapie waar psycho-educatie, EMDR en e-health-modules deel van uitmaakten. Deze therapie is aanvankelijk, ondanks enkele onderbrekingen, naar tevredenheid van klaagster verlopen en werd in december 2017 afgerond. Het traject kenmerkte zich wel door een aantal tegenslagen voor klaagster. Zo brak zij haar enkel, moest zij aan haar amandelen worden geopereerd en overleed haar grootvader.
2.3 Tussen verweerster en klaagster werd vervolgens gesproken over een vervolgtraject. Omdat verweerster in de eerste twee maanden van 2018 met verlof was, is haar aangeboden om in die periode de gesprekken in het kader van het voortgezette behandeltraject te laten voeren door een collega in de praktijk. Klaagster heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Er is wel contact geweest met de praktijk in verband met een crisissituatie bij klaagster.
2.4 Op 8 maart 2018 heeft klaagster, met haar moeder, met verweerster een gesprek gehad. Besloten werd tot een aantal nieuwe gesprekken. De afspraken daartoe zijn door klaagster vervolgens afgezegd omdat zij zich wilde beraden en met de (verdere) behandeling is daarom geen begin gemaakt. Vervolgens heeft klaagster gevraagd om een gesprek in aanwezigheid van haar nieuwe coach, H.
2.5 Op 2 mei 2018 heeft dit gesprek plaatsgevonden. Klaagster heeft naast H ook onaangekondigd haar vriend I meegenomen. In het gesprek zijn drie alternatieven aan de orde geweest: doorgaan naar de SGGZ, het eerst afmaken van de behandeling en vervolgens doorgaan naar de SGGZ of een creatieve therapie bij de J, gevolgd door een eventueel doorgaan in de SGGZ. In de avond van 2 mei 2018 stuurt klaagster een mail aan verweerster waarin zij aangeeft zeer ongelukkig te zijn met het verloop van het gesprek en in het bijzonder met de wijze waarop haar vriend door verweerster is bejegend. Klaagster geeft in de mail aan het behandeltraject niet te willen voortzetten. Verweerster heeft hierop gereageerd met een korte mail. Daarop is de (verdere) behandeling gestaakt.
2.6 Verweerster heeft in een brief van 9 mei 2018 aan de huisarts van klaagster verslag gedaan van haar bevindingen en de contacten met klaagster.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerster, zoals toegelicht op de zitting, zakelijk weergegeven, dat verweerster haar onvoldoende informatie over haar behandeling heeft gegeven. Verder verwijt klaagster haar dat verweerster zich tijdens het gesprek op 2 mei 2018 respectloos heeft gedragen, in het bijzonder door de wijze waarop zij haar vriend heeft bejegend. Tenslotte verwijt klaagster verweerster dat zij haar huisarts verkeerd heeft geïnformeerd, waardoor onjuiste informatie in haar medisch dossier is terechtgekomen.
4. Het standpunt van verweerderster
Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Na een kennismakingsgesprek met klaagster heeft verweerster tot een traumabehandeling besloten en heeft zij met deze behandeling een aanvang gemaakt. Het college kan de keuze van verweerster voor een traumabehandeling volgen. Het is het college evenwel niet duidelijk geworden hoe de keuze van verweerster voor deze behandeling is afgewogen en is afgezet tegen de mogelijkheden van de behandeling in de – zwaardere – SGGZ. Daarbij is van belang dat verweerster heeft onderkend dat, gelet op de ernstige problematiek van klaagster, een behandeling in de SGGZ de voorkeur zou hebben verdiend.
Evenmin is het college duidelijk geworden hoe verweerster de behandelingen in de SGGZ in het verleden en de nog niet afgesloten behandeling bij GGZ G daarbij heeft gewogen en welke betekenis door verweerster is toegekend aan de eerder vastgestelde diagnose PDD-NOS. Daarom kan het college klaagster volgen in haar klacht dat verweerster jegens haar onvoldoende duidelijk is geweest in haar keuze voor een traumabehandeling, in het licht van het – betere – alternatief van een behandeling in de SGGZ. Het enkele feit dat klaagster heeft aangegeven vooralsnog haar behandeling in de SGGZ niet voort te willen zetten, kan het handelen van verweerster enigszins verklaren, maar neemt niet weg dat verweerster in dit opzicht duidelijker met klaagster de opties van behandeling in de SGGZ en haar keuze voor de traumabehandeling had moeten bespreken. Dit klachtonderdeel is in zoverre gegrond.
5.2 Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op het gesprek van 2 mei 2018. Verweerster heeft aangegeven dat de vriend van klaagster onverwacht en onaangekondigd bij het consult op 2 mei 2018 aanwezig was. Zij heeft daarom door middel van een aantal vragen met de vriend kennis willen maken. Tijdens die fase van het gesprek werd duidelijk dat de vriend transgender is en zich in een transitie-fase bevond en verweerster heeft daarover vragen gesteld. Klaagster stelt dat H, haar vriend en zijzelf de vragen als respectloos hebben ervaren en heeft daartoe verklaringen van H en haar vriend overgelegd. Verweerster stelt dat zij gewoon uit belangstelling de vragen heeft gesteld met het oog op de kennismaking, maar heeft geconfronteerd met deze verklaringen aangegeven daardoor te zijn geraakt. Het college acht het begrijpelijk dat verweerster eerst een aantal kennismakingsvragen aan de vriend van klaagster, die onaangekondigd bij het gesprek aanwezig was, heeft gesteld, zeker gelet op de bedoeling van het gesprek, te weten een keuze voor een nader behandeltraject. Het college neemt ook aan dat verweerster geen intentie heeft gehad door middel van de vragen haar gesprekspartners te kwetsen. In zoverre acht het college de door verweerster gestelde vragen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat neemt niet weg dat klaagster, zoals zij in een mail van diezelfde dag aan verweerster heeft laten weten, de vragen wel als respectloos heeft ervaren. Verweerster heeft daarop slechts gereageerd met een korte mail waarin zij aangeeft dat haar indruk was dat het gesprek goed was verlopen, maar dat zij de mening van klaagster respecteerde. In de gegeven omstandigheden had verweerster hiermee naar het oordeel van het college niet mogen volstaan.
Zij had naar aanleiding van het harde verwijt respectloos te hebben opgetreden meer zelfreflectie moeten tonen, zich moeten realiseren dat vragen over het zijn van transgender gevoelig kunnen liggen en een poging moeten doen de onvrede weg te nemen. Door dat niet te doen is zij te kort geschoten in de communicatie met klaagster. Dit klachtonderdeel is deels gegrond.
5.3 Het college is van oordeel dat de brief van 9 mei 2018 op zichzelf geen onjuiste feiten bevat. Dat verweerster in de brief heeft aangegeven dat de behandeling op verzoek van klaagster is gestaakt is, gelet op de inhoud van de mail van 2 mei 2018 van klaagster, juist. Omdat de brief van 9 mei 2018 deel uitmaakt van het medisch dossier, had verweerster evenwel in het gegeven dat klaagster betwiste dat de behandeling op haar verzoek was gestaakt, aanleiding moeten zien de brief van 9 mei 2018 in zoverre aan te vullen, dat daarin de andersluidende opvatting van klaagster was opgenomen. Ook had dan vermeld kunnen worden dat klaagster gegronde redenen had om afspraken af te zeggen, aangezien verweerster en klaagster het daarover eens waren en die vermelding voor klaagster van belang was. In zoverre is ook dit klachtonderdeel gegrond.
5.4 De conclusie is dat verweerster aldus in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gedeeltelijk gegrond.
5.5 Gelet op het voorgaande is verweerster op meerdere punten te kort geschoten in haar communicatie met klaagster. Zij heeft voorts de (ernst en betekenis van de) klachten die in deze procedure voorliggen aanvankelijk onderschat. Zij heeft voorts naar het oordeel van het college ten onrechte geprobeerd via de huisarts van klaagster met haar in gesprek te komen over de ingediende klachten, hetgeen klaagster als vervelend heeft ervaren. Ter zitting en vooral in haar brief van 13 oktober 2018 heeft verweerster dit begrip wel opgebracht en heeft zij gereflecteerd op haar eigen handelen. Het College acht de hierna te noemen maatregel daarom in de gegeven omstandigheden passend.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en wijst de klacht voor het overige af.
legt op de maatregel van waarschuwing.
Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, M.M. van ’t Nedereind, lid-jurist, E.H. Muste, E.S.J. Roorda en N.A.M. Perquin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
R.C. Kuit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij
niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd , wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.