ECLI:NL:TGZRSGR:2018:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-160
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:181 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-11-2018 |
| Datum publicatie: | 20-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-160 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Vast staat dat de ICVA bij klaagster is ontstaan na de behandeling, maar het College kan niet vaststellen dat dit letsel is ontstaan door onjuist of onzorgvuldig handelen van de fysiotherapeut tijdens de manuele behandeling van de nek, waarbij een laag cervicale manipulatie heeft plaatsgevonden. Beter was als er eerder contact met klaagster was opgenomen na haar ziekenhuisopname, maar dit is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 20 november 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C,
tegen:
D , fysiotherapeut,
werkzaam te E,
verweerster,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 16 juli 2018;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de brief met bijlage d.d. 25 juli 2018 van C.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1 Klaagster (geboren in 1971) is op 28 september 2017 via directe toegankelijkheid bij de fysiotherapiepraktijk F (hierna: de praktijk) gekomen in verband met nek- en schouderklachten. Verweerster is werkzaam bij de praktijk als fysio- en manueel therapeut.
2.2 Verweerster heeft diezelfde dag de anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht bij klaagster. Het medisch dossier vermeldt hierover onder meer:
“Hoofddoel: Optimaliseren van mobiliteit cwk gericht op pijnvrij kunnen
functioneren in ADL
(O)bjectief / bevindingen bewegingsbeperking cervicaal laag c4-c5
therapeut: Verteld dat ik d.m.v. een manipulatie de bewegingsbeperking op wil heffen. Uitleg gegeven over manuele therapie cwk: in zeer zeldzame gevallen ernstige complicaties. Met name bij manipulaties hoog in de nek zijn deze negatieve gevolgen gerapporteerd. Ik heb uitgelegd dat ik een manipulatie laag cwk ga toepassen.
De manuele therapie behandeling kan wat bijwerkingen geven: hoofdpijn, duizeligheid, nekpijn, vermoeidheid. Mobiliseren( een alternatief) kan dezelfde bijwerkingen geven.
Mevrouw stemde in met de manuele therapie behandeling.
Ik heb duidelijk uitgelegd dat ze voor de manipulatie ontspannen moet blijven zitten.
(P)lan van aanpak / m. trapezius links en rechts bewegingsbeperking c4-c5,
uitgevoerde behandeling: manipulatie c4-c5 re”.
2.3 Verweerster heeft geconcludeerd dat er geen “rode vlaggen” aanwezig waren en dat de screening “pluis” was.
2.4 Daarna heeft verweerster klaagster behandeld op 12 oktober 2017, 19 oktober 2017, 27 oktober 2017 en 8 november 2017.
2.5 Tijdens de behandeling van 8 november 2017 heeft verweerster klaagster uitgelegd dat de aanhoudende nekklachten van klaagster niet overeen leken te komen met haar bevindingen en dat er geen verdere behandeldoelen meer waren.
2.6 Op verzoek van klaagster heeft een collega van verweerster op 6 december 2017 een afspraak gemaakt voor een behandeling van klaagster bij verweerster. Klaagster heeft tijdens deze behandeling aan verweerster verteld dat zij nog steeds veel last van haar schouder en haar nek had en dat zij twee keer in de week behandeld wilde worden. Verweerster heeft klaagster daarop uitgelegd dat dat niet nodig was.
2.5 In de ochtend van 8 december 2017 en van 11 december 2017 heeft klaagster de voicemail van de praktijk ingesproken in verband met klachten van hoofdpijn en nekpijn.
2.6 Op 11 december 2017 heeft verweerster klaagster wederom behandeld. Het medisch dossier vermeldt daarover:
“(…)
(S)ubjectief / bevindingen geeft aan 2 keer therapie in de week te willen
patiënt: heeft afgelopen dagen veel hoofdpijn gehad. migraine?
(O)bjectief / bevindingen laag cervicaal beperking c5-c7 rotatie rechts
therapeut:
(P)lan van aanpak / manipulatie laag cervicaal c5-c6 li . Mevrouw sprong omhoog
uitgevoerde behandeling: tijdens de manipulatie.
detonisatie trapezius en aanhechting occiput.”
2.7 Klaagster is na het bezoek aan verweerster met onder andere visus- en hoofdpijnklachten naar het F (hierna: het ziekenhuis) gegaan.
2.8 Klaagster is van 11 tot en met 15 december 2017 in het ziekenhuis opgenomen geweest. In de brief van de behandelend neuroloog van het ziekenhuis d.d. 15 december 2017 staat onder meer:
“Conclusie:
iCVA rechts occipitaal bij vertebralis dissectie links, na behandeling manuele therapie op 11/12/2017.”
2.9 De praktijk heeft op 30 januari 2018 telefonisch contact opgenomen met klaagster. Op verzoek van klaagster is vervolgens een gesprek met verweerster en de praktijkhoudster gepland op 7 februari 2018.
2.10 Verweerster is klaagster op 2 februari 2018 tegengekomen op een kledingbeurs.
2.11 Het gesprek op 7 februari 2018 heeft op aangeven van klaagster geen doorgang gevonden.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerster zakelijk weergegeven:
1. het toebrengen van ernstige schade door het uitvoeren van manuele therapie aan de nek, met als gevolg dat klaagster in het ziekenhuis is opgenomen en beperkingen in haar leven ervaart;
2. dat er sprake is geweest van onprofessionele communicatie, hetgeen getuigt van een gebrek aan inlevingsvermogen en empathie.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsoefening, rekening houdende met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2. Hoewel klaagster snel na het laatste contact met verweerster in het ziekenhuis is opgenomen, acht het College het handelen van verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Er zijn in het dossier geen aanwijzingen dat verweerster de manuele behandelingen van klaagster, met name de behandeling op 11 december 2017, niet in overeenstemming met de beroepsnormen en meer in het bijzonder zonder noodzaak heeft uitgevoerd. Daarbij neemt het College in aanmerking dat klaagster door verweerster behandeld wenste te blijven, ook nadat verweerster klaagster heeft gewezen op de mogelijkheid van een massagebehandeling bij een collega of massagepraktijk. Klaagster heeft aldus ingestemd met de manuele therapie door verweerster.
5.3 Vast staat dat de ICVA bij klaagster is ontstaan na de behandeling op 11 december 2017, maar het College kan niet vaststellen dat dit letsel is ontstaan door onjuist of onzorgvuldig handelen van verweerster tijdens die behandeling, waarbij een laag cervicale manipulatie heeft plaatsgevonden. Verweerster heeft verklaard dat klaagster tijdens de manipulatie plotseling omhoog sprong en dat dit voor verweerster onverwacht kwam. Uit het verslag van de neuroloog en de daarin opgenomen woorden “na behandeling manuele therapie” kan niet worden afgeleid dat de neuroloog een verband tussen de behandeling en de geconstateerde dissectie heeft vastgesteld. Het College merkt verder op dat klaagster ter zitting heeft verklaard dat zij de klachten die zij tijdens de manipulatie op 11 december 2017 ervoer, zoals het gevoel dat haar maag omhoog kwam en dat zij zich daarna duizelig voelde, niet aan verweerster heeft gemeld. Klaagster heeft deze klachten dus welbewust niet met verweerster gedeeld. Naar het oordeel van het College kan verweerster niet worden verweten dat zij gedurende de behandeling van klaagster op 11 december 2017 in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame fysio- en manueel therapeut mag worden verwacht. Daarom treft verweerster dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt op dit punt. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.
5.4 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft klaagster ter zitting toegelicht dat de communicatie na de laatste behandeling op 11 december 2017 erg slecht is geweest. Het College constateert dat er ruim anderhalve maand nadat klaagster in het ziekenhuis opgenomen is geweest contact is gezocht met klaagster en een gesprek is gepland, dat vervolgens door klaagster is afgezegd. Het College is van oordeel dat het beter was geweest als er sneller contact met klaagster was opgenomen , maar acht het handelen van verweerster op dit punt niet van dien aard dat er sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen . Het tweede klachtonderdeel is derhalve ook ongegrond.
5.5 De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, M.M. van ‘t Nedereind,
lid-jurist, W.M. Mooij, J.E. Geensen en A.H.C.M. Snel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij
niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd , wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.