ECLI:NL:TGZRSGR:2018:177 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-085b
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:177 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-11-2018 |
| Datum publicatie: | 13-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-085b |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Dat klager een ernstige reactie op het antipsychoticum zou krijgen had de psychiater niet kunnen en hoeven voorzien. Na het zien van de ernstige toestand van klager is de psychiater zeer alert geweest. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
verblijvende te B,
klager,
tegen:
C, psychiater,
werkzaam te B,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2018,
- het verweerschrift met bijlagen
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 15 augustus 2018.
1.2 Het College heeft de klacht op 2 oktober 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Klager is, geboren in 1966, is sinds 9 oktober 2014 opgenomen in D (hierna: D).
2.2 Verweerder is werkzaam in D als psychiater. Tot 3 november 2017 was verweerder de behandelend psychiater van klager op de afdeling E.
2.3 Op 24 maart 2017 is besloten tot een A-dwangbehandeling met antipsychotica, noodzakelijk ter afwending van gevaar voor zichzelf, voor anderen in de kliniek en op langere termijn voor anderen buiten de kliniek. Verweerder en klager spraken elkaar wekelijks. Klager kreeg 200 mg cisordinol per twee weken. Na het optreden van bijwerkingen is deze dosering verlaagd naar 150 mg.
2.4 Op 4 mei 2017 spraken klager en verweerder over klagers dwangklachten en om die tegen te gaan is op maandag 8 mei 2017 gestart met citalopram 10 mg gedurende een week.
2.5 Op 12 mei 2017 openbaarde zich een ernstig klachtenbeeld bij klager. Klager kreeg last van stijfheid, zweten en een gespannen gevoel. Hij maakte daarbij een katatone indruk. De klachten verergerden op 13 mei 2017. Klager is diezelfde dag nog ingestuurd naar het ziekenhuis. Op 15 mei 2017 is klager weer ontslagen uit het ziekenhuis omdat het katatone beeld aanzienlijk verbeterde.
2.6 Op 18 mei 2017 maakte klager weer een zieke indruk. Hij reageerde nauwelijks, zijn armen en benen waren moeilijk te strekken en hij had een gespannen houding. Op 19 mei 2017 werd waargenomen dat de spierrigiditeit in de armen begon toe te nemen en dat klager last had van speekselvloed. Omdat de toestand van klager leek te verergeren, werd afgesproken dat er continu iemand bij klager in de separeer moest zijn. Op 22 mei 2017 is klager wederom opgenomen, toen op de Medisch Psychiatrische Unit van het F te G. Voor zover relevant wordt hierover het volgende in de brief van de psychiater aldaar aan de huisarts van klager vermeld:
“Het betreft een 51 jarige man, doorverwezen vanuit TBS-kliniek D in verband met verdenking op een katatoon toestandsbeeld of maligne neuroleptica syndroom waarvoor hij eerder kortdurend opgenomen is geweest in het H waar citalopram gestaakt werd. Hij is verwezen door C. Patiënt is bekend met een autismespectrumstoornis en psychoses. Bij psychiatrisch onderzoek zien we een patiënt met verlaagd bewustzijn, bewegingsarmoede, rigiditeit en spraakstoornis (hakkelende spraak, vertraagde reactie, woordarmoede). Somatisch zijn er geen aanwijzingen voor autonome dysregulatie. Differentiaal diagnostisch wordt gedacht aan katatonie, benzodiazepine in-
toxicatie of juist nagebootste stoornis met benzodiazepine afhankelijkheid gezien discrepantie van het klinische beeld (georiënteerd, inzicht in klachten, aangeven dat hij oxazepam wil met discrepantie van indien katatonie, ernstige uitingsvorm ervan).”
2.7 Op 19 juni 2017 is klager weer naar D gestuurd. Hierna heeft klager geen last meer gehad van dergelijke klachten.
3.
De klacht
Klager verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij klager medicatie heeft toegediend die bij klager vervolgens een zware allergische reactie heeft veroorzaakt.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1 Het College heeft er begrip voor de klachten van het maligne neuroleptica syndroom zeer aangrijpend voor klager moeten zijn geweest. Toch zal ook in dit geval, waar het gaat om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, moeten worden beoordeeld of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.
5.2 Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift en tijdens het mondeling verhoor in het kader van het vooronderzoek op het standpunt gesteld dat vastgesteld moet worden dat het ernstige beloop van de klachten redelijkerwijs niet te voorzien was. Verweerder stelt voorts dat klager met relatief lage doseringen is behandeld. Ook heeft hij adequaat gehandeld door
klager meteen in te sturen en vervolgens toezicht te houden op het eventueel herintreden van klachten.
5.3 Het College oordeelt als volgt. Dat klager een dergelijke ernstige reactie op het antipsychoticum zou krijgen had verweerder niet kunnen en hoeven voorzien. Het College stelt verder vast dat verweerder, na het zien van de ernstige toestand van klager, zeer alert is geweest. Na één dag is klager ingestuurd en na het ontslag heeft (het team van) verweerder klager goed in de gaten gehouden. Toen de klachten wederom verergerden heeft verweerder opnieuw zorgvuldig en adequaat gehandeld door eerst klager onder toezicht te stellen en vervolgens in te sturen. De klacht kan dan ook niet slagen.
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6.
De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 13 november 2018 door W.N.L. Donker, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, H.N. Koetsier, B. van Ek, R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.