We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSGR:2018:166 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-024a

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:166
Datum uitspraak: 06-11-2018
Datum publicatie: 06-11-2018
Zaaknummer(s): 2018-024a
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een huisarts. Tijdens het consult tussen de huisarts en de patiënt waren er geen signalen die erop wezen dat sprake was van een beginnende sepsis of aanwijzingen voor een longontsteking. Patiënt kwam voornamelijk voor zijn rug, been- en knieklachten waarbij ook de griepverschijnselen aan de orde zijn gekomen. De voorgeschreven dosering naproxen maakt niet dat eventuele alarmsignalen voor sepsis zouden zijn gemaskeerd. Klacht afgewezen.    

Datum uitspraak: 6 november 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B ,

verweerster,

gemachtigde: mr. D.M. Pot, werkzaam te Utrecht.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2018;

- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 13 februari 2018;

- het verweerschrift met bijlagen;

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 19 juni 2018.

1.2       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 25 september 2018. Klaagster en verweerster zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster werd vergezeld door haar twee dochters. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. Deze heeft pleitnotities overgelegd.

2.         De feiten

2.1       De echtgenoot van klaagster, D, geboren in 1947, is op 6 januari 2018 overleden. Verweerster is als huisarts werkzaam in een huisartsenpraktijk.

2.2       D heeft in de ochtend van 2 januari 2018 voor een afspraak naar de praktijk gebeld. De assistente heeft daarover genoteerd: “pijn in knie, kan bijna niet lopen

(..) ”. De assistente heeft hem telefonisch verteld dat verweerster geen mogelijkheid had om in de ochtend een huisvisite bij hem af te leggen. Verweerster heeft D vervolgens diezelfde dag (rond 10.20 uur) op het spreekuur voor een consult gezien. Verweerster zag dat D per auto bij de praktijk aankwam (hij werd gebracht) en dat hij moeite had om uit de auto te komen (hij had krukken bij zich). Daarop is verweerster naar buiten gegaan en heeft zij D geholpen om naar binnen te komen. 

2.3       Tijdens het consult op 2 januari 2018 werd D vergezeld door klaagster. Aan de orde is geweest dat D al langere tijd last had van zijn linkerknie, moeite had met lopen en dat hij de drie dagen daarvoor met koorts hoestend in bed had gelegen.

In het medisch journaal staat hierover genoteerd:

“02-01-18       S pijn in li bovenbeen nar 3 dgn griep verhaal, met

S koorts en op bed liggen. Nu moeite met lopen op li

S been (…)”

2.4       Verweerster heeft D vervolgens lichamelijk onderzocht. Hij voelde vanwege de koorts warm en klam, maar zijn knieën waren niet warm, rood of dik en zijn voeten waren normaal van kleur. De sensibiliteit en de kracht van de benen was symmetrisch. Er bestond pijn in de lage rug. Verweerster heeft D geadviseerd om regelmatig te bewegen en de plek in de rug warm te houden. Ook heeft verweerster geadviseerd om viermaal daags 1000 mg paracetamol en tweemaal daags 500 mg naproxen te gebruiken. In het medisch journaal staat hierover:          

“02-01-18       O been/ knie niet dik niet beperkt las neg sens

O symm, kracht symm, pijn lage rug

                        E rugklachten

P bewegen en warmte, pcm 4 dd 1000 en naproxen 2dd

P 500

                        P R/20 st naproxen tabl 500mg (…)”

2.5       Met betrekking tot de knieklachten heeft verweerster gezegd dat D eerst van de griep moest herstellen en dat zij verwachtte dat de koorts binnen twee dagen zou dalen. Ook heeft zij gezegd dat hij opnieuw contact moest opnemen indien de klachten daarna toch aanhielden of verergerden.

2.6       De dagen na verweersters consult ging het aanvankelijk beter met D. In de nacht van 4 op 5 januari 2018 verslechterde zijn situatie. Na een bezoek aan de huisartsenpost op 5 januari 2018 (in de vroege ochtend rond 8.00 uur) is D doorgestuurd naar de spoedeisende hulp. Diezelfde dag is hij in het ziekenhuis op de Intensive Care opgenomen vanwege een diepe septische shock met multi-orgaanfalen zonder evident primaire focus. Daar is D de dag erna overleden. In de brief d.d. 9 januari 2018 van het ziekenhuis aan verweerster staat - voor zover hier relevant- :

“ (…) Anamnese

Rondom de kerstdagen ziek geweest, nu aan beterende hand. Intake gedurende ziekte nihil. Collaps waarvoor bezoek huisarts. Aldaar niet meetbare tensie en saturatie waarvoor doorverwijzing naar SEH. Pijnklachten knie en laag lumbaal, waarvoor sinds kort naproxen gebruik. Hetero-anamnestisch (dochter) sindsdien malaise, galbulten en dikke handen.

Lichamelijke onderzoek

A: Spreekt vrij (…)

B: sat 100% met 15 L ah 30/min VAG bdz geen bijgeluiden

C: pols 100/min RR 60/40 perifeer koud CR 5 sec, zwakke pulsaties.

sls2 geen souffles, soepele buik; abd; spaarzame peristaltiek, geen druk of loslaatpijn, soepele buik, geen slagpijn in de nierloges.

Extr: Oedeem van beide handen en onderarmen (…)

E: temp 33 (…)

X-thorax 8:35: Cor grootte binnen de norm. Normale hili. Slank mediastinum. Scherp afgrensbare diafragmakoepels. Geen infiltraten. Geen decompensatio.

X-thorax 16.15: Sluiering over het rechter longveld. (…)

Beloop IC Opname:

(…) Reden van opname was een diepe sceptische shock met multiorgaanfalen (MOF) zonder evident primair focus. Bloedkweken toonde gram positieve kokken verdacht voor stafylokokken (bleek postmoraal te gaan om waarschijnlijk mond-keelflora). (…) Ondanks therapie verslechterde de patient, waarbij verdere therapeutische behandeling niet zinvol was. In het bijzijn van partner en zijn 2 dochter is hij overleden. Er volgt geen donatie of obductie.  (…).”

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij tijdens het consult op 2 januari 2018 de ernst van de toestand van D heeft onderschat en onvoldoende onderzoek bij hem heeft gedaan en zo de diagnose heeft gemist, met alle gevolgen van dien. Ook verwijt zij verweerster dat zij  een te hoge dosering naproxen heeft voorgeschreven.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       Kern van het geschil is of verweerster op 2 januari 2018 te weinig onderzoek heeft gedaan, waardoor zij de ernst van de situatie van de heer Veenema niet heeft onderkend. Het College stelt voorop dat het niet aan het College is om uitsluitsel te geven over de vraag of D op 6 januari 2018 al dan niet (mede) aan een longontsteking is overleden. De tuchtrechtelijke beoordeling gaat over de vraag of verweerster op 2 januari 2018 heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in die omstandigheden mocht worden verwacht, gelet op de toen beschikbare informatie. Om die reden ziet het College geen noodzaak om alsnog te beschikken over de uitslagen van het kweekonderzoek van E, zoals een dochter van klaagster ter zitting bepleitte. Die uitslagen geven namelijk alleen in retrospectief aan wat er is gebeurd, maar kunnen bij de beoordeling van verweersters handelen op 2 januari 2018 geen rol spelen. Het verzoek van klaagster ter zitting om de zaak te heropenen, zodat de uitslagen van het kweekonderzoek kunnen worden overgelegd, wordt daarom afgewezen.

5.2       Het College is van oordeel dat er tijdens het consult op 2 januari 2018 geen signalen waren die er op wezen dat bij D sprake was van een (beginnende) sepsis. Uit het medisch journaal en de aantekeningen van de assistente blijkt (en dit is door partijen ter zitting bevestigd) dat D voornamelijk voor zijn rug, been- en knieklachten bij verweerster op het consult is gekomen, waarbij ook de griepverschijnselen aan de orde zijn gekomen. Bij lichamelijk onderzoek werden aan de benen geen wondjes of vlekjes gevonden. D was voorts helder, kon zijn eigen verhaal goed doen, is zelf op de onderzoeksbank geklommen en heeft lopend (met één kruk) de spreekkamer verlaten. Het College heeft in ieder geval geen aanwijzing dat dit anders is gegaan. De klachten van D gaven verweerster in redelijkheid geen aanleiding om te denken dat toen sprake was van een sepsis. In dit verband wijst het College ook op het volgende.

5.3       Na het consult ging het aanvankelijk beter met D, hetgeen ter zitting door klaagster is bevestigd. In de nacht van 4 op 5 januari 2018 verslechterde zijn situatie echter drastisch en is de situatie in een stroomversnelling geraakt. De intensive care arts en de intensivist die verweerster na het overlijden van D belden, noemden - zo valt te lezen in het medisch journaal - een “zeer snel progressief beeld” en dat hij “in korte tijd 12 uur onder hun handen is overleden” terwijl hij “bij opname op de SEH nog niet zo ziek” was. Bekend is dat sepsis een ziektebeeld is dat zich in zeer korte tijd kan ontwikkelen. De septische shock met multi-orgaanfalen waar op 5 en 6 januari 2018 sprake van was, is daarom redelijkerwijs niet in verband te brengen met zijn situatie op 2 januari 2018.

5.4       Ten tijde van het consult met verweerster op 2 januari 2018 waren er evenmin aanwijzingen voor een longontsteking. Hij ademde normaal en had geen pijn op de borst. Ook bij binnenkomst op de SEH die ochtend van 5 januari 2018 vertelde D niet te hoesten en geen pijn op de borst te hebben. De thoraxfoto die in de vroege ochtend van 5 januari 2018 werd gemaakt toonde geen afwijkingen die zouden kunnen passen bij een longontsteking. Pas later die dag veranderde het beeld van de longen in negatieve zin. Verweerster kan al met al niet een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden dat zij op 2 januari 2018 niet naar de longen heeft geluisterd.

5.5       De voorgeschreven dosering naproxen maakt niet dat eventuele alarmsignalen voor sepsis zouden zijn gemaskeerd. De aan D voorgeschreven dosis naproxen is overeenkomstig de ‘Richtlijnen van het Farmacotherapeutisch Kompas bij ernstige klachten aan het bewegingsapparaat’. Er zijn geen aanwijzingen dat het beloop anders was geweest bij een lagere dosis naproxen.

5.6       De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook in haar geheel als ongegrond worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 6 november 2018 door M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.C. Baak, E.P. van Heuzen en B. van Ramshorst, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd , wie de

            aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.