ECLI:NL:TGZRSGR:2018:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-140
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-10-2018 |
| Datum publicatie: | 23-10-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-140 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Er was nog geen sprake van een reeds gestelde diagnose, er is dus geen verkeerde diagnose gesteld en verstrekt aan de nieuwe behandelaars van klager. De rol van de gz-psycholoog was overigens beperkt tot het beoordelen van de brief en het medeondertekenen daarvan. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
verblijvende te B,
klager,
tegen:
C , klinisch psycholoog,
werkzaam te B ,
verweerster,
gemachtigde: mr. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 15 juni 2018;
- het verweerschrift met bijlagen.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 Het College heeft de klacht op 11 september 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Verweerster is sinds 1 januari 2018 als klinisch psycholoog werkzaam bij D
in de functie van ‘Manager Behandeling en Bedrijfsvoering’. Klager verbleef vanaf verweersters indiensttreding op de afdeling E. Vanuit haar hoedanigheid van Manager Behandeling en Bedrijfsvoering is verweerster indirect bij de aan klager verleende zorg betrokken geweest. Tussen klager en verweerster bestond geen behandelrelatie.
2.2 Vanwege een behandelimpasse is op 9 maart 2018 een schriftelijke vraagstelling voor
een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek van klager (een second opinion) verstuurd. De vraagstelling is geformuleerd door het Hoofd Behandeling en Bedrijfsvoering van afdeling D en door de psychiater die aan deze afdeling verbonden is. De tekst van deze vraagstelling luidt onder meer als volgt:
“(…) [Klager] is een 30-jarige man met een verstandelijke beperking bij wie een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde en narcistische trekken en een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (gedeeltelijk in remissie) zijn vastgesteld. Graag kritisch meekijken naar de diagnostiek. Wijzen de geobjectiveerde hardnekkige achterdocht en waanachtige overtuigingen op psychotische problematiek of zijn ze anders te verklaren? Is er onderliggend mogelijk sprake van een aan autisme verwante stoornis? (…)”
2.3 Deze brief is getekend door de psychiater, door het hoofd van de inrichting, door
het hoofd behandeling en bedrijfsvoering en ook door verweerster als manager behandeling en bedrijfsvoering en klinisch psycholoog/psychotherapeut.
2.4 Op 5 april 2018 heeft klager overplaatsing gevraagd bij het Ministerie van Veiligheid
en Justitie. De kliniek heeft schriftelijk op dat verzoek gereageerd. In de betreffende reactie van 23 april 2018 zijn dezelfde vragen opgenomen als in het verzoek om een second opinion. Ook deze brief heeft verweerster vanuit haar functie als manager behandeling en bedrijfsvoering mede ondertekend.
3.
De klacht
Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven dat zij een verkeerde diagnose (psychose en autisme) heeft gesteld en dat zij deze verkeerde diagnose vervolgens aan de behandelaars van F heeft medegedeeld.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
Verweerster heeft aangevoerd dat sprake is van een vraagstelling, die nog nader moet worden beoordeeld, en niet van een reeds gestelde diagnose. Uit de brief van 9 maart 2018 blijkt dat dit verweer juist is. In die brief wordt immers gevraagd of er mogelijk sprake is van een aan autisme verwante stoornis en of de achterdocht en waanachtige overtuigingen op psychose wijzen of dat deze anders zijn te verklaren. Daar komt nog bij dat de rol van verweerster beperkt is gebleven tot het beoordelen van de brief en het mede ondertekenen daarvan. Er is dus ook geen ‘verkeerde diagnose’ aan de F verstrekt. Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 23 oktober 2018 door A.E.B. ter Heide, voorzitter, G.P. van de Beek, lid-jurist, E.S.J. Roorda, N.A.M. Perquin, M. Mostert-Uijterwijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.