ECLI:NL:TGZRSGR:2018:160 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-062

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:160
Datum uitspraak: 23-10-2018
Datum publicatie: 23-10-2018
Zaaknummer(s): 2018-062
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Niet is vast komen te staan dat de gz-psycholoog onvoldoende zorg heeft verleend aan de cliënt van klager. Dat verweerster ondanks haar toezegging vergat om een afschrift van de resultaten van een psychologisch onderzoek naar klager te sturen verdient niet de schoonheidsprijs, maar is onvoldoende voor een tuchtrechtelijk gegrond verwijt, mede gezien het feit dat het rapport bij eerste navraag door klager alsnog aan hem is verzonden. Klacht afgewezen.  

Datum uitspraak: 23 oktober 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , GZ-psycholoog,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. S. Dik, werkzaam te Amsterdam.

1.         Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 27 maart 2018;

- de brief van 9 april 2018 van klager, met bijlagen;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de brief van mr. Dik van 13 augustus 2018, met bijlage.

De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 11 september 2018. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Verweerster is bijgestaan door haar gemachtigde.

2.         De feiten

2.1       Klager is bewindvoerder en mentor van D, geboren in 1996. Laatstgenoemde woont sinds 14 november 2016 op de locatie E van de stichting F in B. Hij heeft als zorgprofiel VG 06: wonen met intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering.

2.2       Verweerster was als gedragsdeskundige per 2 januari 2018 werkzaam bij F, een instelling die zich richt op ondersteuning van onder andere verstandelijk beperkten. In deze hoedanigheid is zij belast met en verantwoordelijk voor de behandeling van de licht verstandelijk gehandicapte cliënt D. Zij heeft deze zorg per 2 januari 2018 overgenomen van haar collega. Per 1 september 2018 is verweerster elders gaan werken.

3.         De klacht

Klager verwijt verweerster dat zij:

1.         onvoldoende zorg draagt voor de begeleiding en behandeling van cliënt die hij nodig

heeft (conform diens zorgprofiel);

2.         onvoldoende zorg draagt voor communicatie over de begeleiding en behandeling van

cliënt met diens opleidingsinstelling en met klager;

3.         onvoldoende zorgt draagt voor een actueel zorgplan, ondertekend door cliënt en

klager;

4.         niet de toezegging waarmaakt klager een afschrift te sturen van de resultaten van het recent bij cliënt verrichte psychologisch onderzoek;

5.         onvoldoende ingaat op de klacht van 4 december 2017 omtrent de zorg en de

communicatie, door onvoorbereid, zonder stukken, te verschijnen bij een gesprek inzake de klacht en hierdoor de indruk te wekken dat zij de klacht niet serieus neemt.

Desgevraagd heeft klager ter zitting verklaard geen andere feitelijke onderbouwing te hebben voor de aangevoerde gronden van diens klacht. Wel heeft klager aangegeven meer regie van verweerster verwacht te hebben en hierin teleurgesteld te zijn. 

4.         Het standpunt van verweerster .

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       De vraag die het College heeft te beantwoorden is de vraag of verweerster in de periode van 2 januari tot 27 maart 2018 onvoldoende zorg heeft gegeven aan D, de cliënt van klager. Het College beantwoordt deze vraag om de navolgende redenen ontkennend.

5.2       De klacht gaat over de periode van 2 januari 2018 tot 27 maart 2018. In deze periode -   zo is ter zitting komen vast te staan - hebben klager en verweerster twee maal een gesprek gevoerd, namelijk op 9 februari en 16 maart 2018, heeft verweerster zorg gedragen voor een overplaatsing binnen de locatie naar een woning die beter is afgestemd op de behoefte van D aan zorg en begeleiding en heeft verweerster in gang gezet dat D passender werd ingesteld op medicatie.

5.3       Tijdens het gesprek van 16 maart 2018 zijn tussen klager en verweerster met betrekking tot de zorg en behandeling van D nadere afspraken gemaakt. Daarbij is tevens afgesproken dat rond 9 augustus 2018 de volgende afspraak zou worden gepland, waarbij onder meer het zorgplan op orde zal zijn. Reeds elf dagen later diende klager over het uitblijven van de nakoming van deze afspraken een tuchtklacht in. Het College vermag niet in te zien waarom klager niet verweerster in de gelegenheid heeft gesteld om deze afspraken na te komen. Juist is dat verweerster is vergeten aan klager een afschrift te sturen van de resultaten van het recent bij D verrichte psychologisch onderzoek, zoals zij op 16 maart 2018 had toegezegd. Dat verdient niet de schoonheidsprijs, maar is onvoldoende voor een tuchtrechtelijk gegrond verwijt, mede gezien het feit dat het rapport bij eerste navraag door klager alsnog aan hem is verzonden.

5.4       De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door A.E.B. ter Heide, voorzitter, G.P. van de Beek, lid-jurist, C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, N.A.M. Perquin en M. Mostert-Uijterwijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond-heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.