ECLI:NL:TGZRSGR:2018:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-090
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:158 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-10-2018 |
| Datum publicatie: | 23-10-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-090 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Het zoontje van klaagster is twee dagen na het bezoek aan de huisarts (van de huisartsenpost) overleden. Het College is van oordeel dat de huisarts tijdens het consult voldoende en adequaat onderzoek heeft gedaan en op basis hiervan tot zijn beleid heeft kunnen komen. Er was geen reden om nader onderzoek te doen of de zoon van klaagster op dat moment in te sturen. Daarnaast heeft de huisarts gezorgd voor een vangnet door klaagster te vertellen dat zij zich moest wenden tot de eigen huisarts als de klachten zouden verergeren. Het verwijt van klaagster dat de huisarts tekort is geschoten in de zorg die hij had moeten verlenen aan haar zoon is daarom ongegrond. Klacht afgewezen. |
Datum uitspraak: 23 oktober 2018
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. I. Alderlieste, werkzaam te Rotterdam,
tegen:
C , huisarts,
werkzaam te B,
verweerder.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 19 april 2018,
- de brief met bijlagen d.d. 20 april 2018 van mr. Alderlieste,
- het verweerschrift.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 12 september 2018. De partijen, klaagster bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De klacht is behandeld tezamen met de andere, met de klacht samenhangende, zaak (kenmerk: 2018-088) zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
2. De feiten
2.1 Klaagster is de moeder van D, geboren in 2014.
2.2 Op 15 november 2016 heeft klaagster met D de huisartsenpost bezocht. D is daar gezien door verweerder. In het waarneembericht staat hierover het volgende vermeldt:
“(S) Klacht/beloop: inloop: mevr geeft aan dat hij sinds het weekend minder eten en moeilijk slapen en niet eten. Heeft ook gebraakt 2 maal.
(…)
(S Arts) Sinds 2 dg minder eten; drinkt heel goed; plast heel veel; vandaag eenmalig
overgegeven.
(O) Geen tekenen van dehydratie; temp: 37.3 (oor); tong wittig (heeft al medicatie hiervoor); pulm vag, geen bijgeluiden. Cor gb. Abdomen nl peristaltiek, soepele buik, niet drukpijnlijk.
(E) Gastro-enteritis
(icpc) D73 Veronderstelde gastro-intestinale infectie
(P) Expectatief; goed blijven drinken; soep. Bij verergering, retour eigen ha.”
2.3 Op 16 november 2016 heeft klaagster met D de eigen huisarts (verweerster in zaak 2018-088) bezocht.
2.4 Op 17 november 2016 is D overleden.
3. De klacht
Klaagster verwijt verweerder dat hij tekort is geschoten in de zorg die hij had moeten verlenen aan D.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 In deze trieste zaak, waarbij een jong kind is overleden, gaat het om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, waarbij moet worden beoordeeld of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en in het licht van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren of konden zijn.
5.2 Voor zover de (toelichting op de) klacht gaat over een gesprek dat voorafgaand aan het consult bij verweerder op de huisartsenpost tussen klaagster en een assistente heeft plaatsgevonden, kan dat tuchtrechtelijk niet aan verweerder worden tegengeworpen nu hij geen invloed heeft kunnen hebben op de inhoud van het gevoerde gesprek.
5.3 Verweerder heeft D eenmalig op de huisartsenpost rond 17.15 uur gezien. Daarbij heeft verweerder D onderzocht en de afweging gemaakt of D op dat moment naar het ziekenhuis zou moeten of dat hij de volgende dag de eigen huisarts kon bezoeken. Verweerder heeft na lichamelijk onderzoek geoordeeld dat de situatie van D niet zo acuut was dat het niet kon wachten tot de volgende dag.
Het college is van oordeel dat verweerder tijdens het consult voldoende en adequaat onderzoek heeft gedaan en op basis van dit onderzoek op dat moment tot zijn beleid heeft kunnen komen. Er was geen reden om nader onderzoek te doen of D op dat moment door te sturen naar het ziekenhuis; een consultduur van ongeveer tien minuten is in het algemeen niet te kort zoals klaagster meent. Het adviseren om goed te blijven drinken was adequaat. Daarnaast heeft verweerder gezorgd voor een vangnet door klaagster te vertellen dat zij zich moest wenden tot de eigen huisarts als de klachten zouden verergeren. Dit beleid heeft verweerder ook vastgelegd in het waarneembericht dat naar de eigen huisarts van D is verstuurd. In het dossier heeft het college geen aanwijzingen gevonden dat verweerder de zorgen die klaagster tijdens het consult heeft geuit niet serieus heeft genomen.
5.4 De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Dozy, voorzitter, E.P. de Beij, lid-jurist, M. Bezemer, A.M. van Hemert en N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij
niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur Gezondheidszorg en Jeugd , wie de
aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.