ECLI:NL:TGZRSGR:2018:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-241

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:141
Datum uitspraak: 21-08-2018
Datum publicatie: 21-08-2018
Zaaknummer(s): 2017-241
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Hoewel er door verweerster vanwege een levensbedreigende ziekte geen verweerschrift is ingediend, is het College na bestudering van het dossier tot de conclusie gekomen zich voldoende voorgelicht te achten om in deze zaak thans tot een beslissing te kunnen komen. Niet gebleken dat de verzekeringsarts op niet onafhankelijke wijze tot haar oordeel is gekomen. Niet kan haar worden verweten dat zij geen eigen audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, omdat zij bij een behandelend kno-arts informatie heeft ingewonnen. Klacht voor het overige ook ongegrond. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, arts voor arbeid en gezondheid/verzekeringsarts,

 (destijds) werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. drs. D, werkzaam te E.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2017;

- aanvullend klaagschrift, ontvangen op 16 november 2017;

- brief met bijlagen van klager d.d. 24 november 2017

- brief van gemachtigde d.d. 15 december 2017;

- brief met bijlagen van klager d.d. 9 april 2018;

- brief met bijlage van gemachtigde d.d. 16 april 2018;

- brief van klager d.d. 14 mei 2018;

- brief gemachtigde d.d. 25 april 2018.

1.2       In verband met persoonlijke omstandigheden – een levensbedreigende ziekte – is namens verweerster geen verweerschrift ingediend en heeft ook geen mondeling vooronderzoek plaatsgevonden. Klager heeft aangedrongen op een beslissing op de klacht. Het College heeft de klacht op 10 juli 2018 in raadkamer behandeld en zich in staat geacht op grond van de voorliggende informatie op de klacht te beslissen. Het College gaat hierop hierna nader in.

2.           De feiten

2.1              Klager, geboren […] 1970, is van 14 juli 2014 tot 1 augustus 2014 als magazijnmedewerker in dienst geweest bij F. Hij is op 16 juli 2014 na twee dagen werken uitgevallen voor zijn werkzaamheden wegens fysieke klachten. Naar aanleiding van zijn ziekmelding is klager op 27 oktober 2014 op het spreekuur geweest bij een sociaal-medisch verpleegkundige (SMV) in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter.

2.2       Verweerster was in 2014 werkzaam als verzekeringsarts. Naar aanleiding van de bevindingen van de SMV heeft verweerster bij brief van 27 oktober 2014 nadere informatie opgevraagd bij de behandelend KNO-arts van klager. In de betreffende brief heeft verweerster vermeld dat zij klager zelf had gezien.

2.3       Bij brief van 27 november 2014 heeft de behandelend KNO-arts inlichtingen verstrekt en de vragen van verweerster beantwoord. Klager is vervolgens op 18 december 2014 bij verweerster op spreekuur geweest en door haar onderzocht. Daarop heeft verweerster op dezelfde datum op basis van haar bevindingen een ‘Medische rapportage ziektewet’ opgemaakt, waarbij zij tot de conclusie is gekomen dat klager per 22 december 2014 hersteld was voor de maatgevende arbeid. Klager heeft tijdens het consult te kennen gegeven dat hij zich niet kon vinden in deze beslissing en dat hij mogelijk bezwaar zou aantekenen.

2.4       Het rapport van verweerster van 18 december 2014 vermeldt onder “2. Onderzoek gegevens” – voor zover hier van belang – de volgende passage:

"Belanghebbende heeft tot 2011 gewerkt als magazijn medewerker voor 7 jaar, dat werk was passend want hij hoeft niet een kophoofd tel. te gebruiken.”

2.5       Op 19 december 2016 zijn tijdens een zitting bij de Centrale Raad van Beroep vragen gerezen over de hiervoor aangehaalde passage uit de medische rapportage van 18 december 2014, opgemaakt door verweerster. Op 6 januari 2017 is verweerster door een medewerker hoger beroep/JKC per mail verzocht een toelichting te verstrekken. Op 26 januari 2017 heeft verweerster in een ‘Medische rapportage ziektewet’ de mail van 6 januari 2017 beantwoord.

Zij schrijft hierin, voor zover hier van belang:

“Om te beginnen kan ik me niet meer herinneren wat er precies tijdens het onderzoek op 18 december 2014 over en weer is gezegd. (…)

Ik lees overigens pas nu dat ik in mijn brief van 27 oktober 2014 aan de KNO-arts heb geschreven (citaat) ‘Onlangs zag ik bovenstaande cliënt’. Dat was dus niet correct. Het was de SMV die ‘bovenstaande cliënt’ zag. (…)

In geen van de stukken die afkomstig zijn van de arbodienst is vermeld dat de heer A in zijn werk gebruik maakt van een hoofdtelefoon, laat staan dat er melding is gemaakt van problemen met het gebruik van een hoofdtelefoon. De aanvankelijke reden voor zijn op 16 september 2010 aangevangen verzuim was een conflict op het werk met zijn collega’s. (…).

Van mijn bevindingen heb ik op dezelfde dag rapport opgemaakt. Daarin heb ik in paragraaf 2 geschreven dat de heer A in zijn werk bij G niet met een hoofdtelefoon hoefde te werken. Gelet op mijn vaste werkwijze heb ik de overtuiging dat de opmerking in mijn rapport dat de heer A in zijn werk geen hoofdtelefoon hoefde te gebruiken, is gebaseerd op wat de heer A zelf aan mij heeft verteld. (...)

Daar komt bij dat de heer A met zijn brief van 17 februari 2015 heeft gevraagd een 2-tal passages in mijn rapport van 18 december 2014 aan te passen dan wel te verwijderen. De gewraakte passages heb ik aangepast en het gewijzigde rapport is vervolgens op 7 april 2015 naar de heer A gestuurd. De passage dat de heer A geen hoofdtelefoon hoefde te gebruiken werd niet aangepast, omdat de heer A dat niet heeft gevraagd (…) Ook dit overtuigt mij dat het de heer A is geweest die mij gezegd heeft dat hij geen hoofdtelefoon hoefde te gebruiken. Want als hij wel een hoofdtelefoon moest gebruiken om zijn werk bij G te doen, dan had de heer A dat wel in zijn brief van 17 februari 2015 vermeld.’

3.         De klacht

Klager verwijt verweerster zakelijk weergegeven, dat zij:

1.         zich niet als een onafhankelijk verzekeringsarts heeft gedragen, nu zij zich niet kan herinneren wat er precies over en weer is gezegd, maar er gezien haar gebruikelijke werkwijze van uitgaat dat klager de betreffende informatie heeft verstrekt. Klager betwist dit;

2.         ten onrechte heeft vermeld dat de reden van de ziekmelding op 16 september 2010 is gelegen in een conflict met collega’s;

3.         nooit een audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, noch een onderzoek heeft verricht aan zijn oren;

4.         klager hersteld heeft gemeld, terwijl zij wist dat klager in januari 2015 een afspraak had bij de KNO-arts en dat er nog een operatie zou volgen;

5.         in haar brief van 27 oktober 2014 heeft geschreven dat zij klager had gezien. Klager is toen echter gezien door de SMV. Verweerster heeft derhalve onjuiste en misleidende informatie verstrekt.

4.       Het standpunt van verweerster

4.1              Namens verweerster heeft haar gemachtigde verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift voor een nader te bepalen periode. Verweerster krijgt in verband met een levensbedreigende ziekte momenteel een behandeling. Haar gezondheidstoestand laat het indienen van een verweerschrift niet toe, aldus de gemachtigde.

4.2              Klager heeft niet ingestemd met verdere aanhouding en het College verzocht zijn klacht te behandelen zonder verweerschrift van verweerster, aangezien zijn klacht al dateert van 4 oktober 2017 en hem op 5 februari 2018 is toegezegd dat de zaak op 5 april 2018 zou worden geagendeerd.

4.3              Het College hecht grote waarde aan hoor en wederhoor, een fundamenteel beginsel van een eerlijk proces. In beginsel kan een klacht dan ook niet worden afgedaan zonder dat de wederpartij in de gelegenheid is geweest om daarop behoorlijk te reageren. Ook als dit – als gevolg van overmacht zoals hier aan de orde is – geruime tijd in beslag neemt, zal een klager dat tijdsverloop moeten accepteren. In dit geval is echter gebleken dat zich in het dossier de hiervoor aangehaalde ‘Medische rapportage ziektewet’ van 27 januari 2017 van verweerster bevindt, waarin zij reeds is ingegaan op verschillende aspecten waarop de klacht betrekking heeft. In zoverre heeft zij haar zienswijze reeds kenbaar gemaakt. Verder speelt mee dat niet binnen enige afzienbare termijn te verwachten is dat verweerster alsnog in staat zal zijn een verweerschrift in te dienen. Een mondelinge toelichting tijdens het vooronderzoek van beide zijden behoort derhalve ook niet tot de mogelijkheden.

4.4              Na bestudering van het dossier is het College tot de conclusie gekomen dat het zich voldoende voorgelicht acht om in deze zaak thans tot een beslissing te kunnen komen. Een verdere aanhouding is dan ook niet noodzakelijk. Het verzoek van gemachtigde van verweerster om de zaak voor een nader te bepalen periode aan te houden, zal derhalve niet worden gehonoreerd.

5.       De beoordeling

5.1       In klachtonderdeel 1 voert klager aan dat verweerster zich niet als een onafhankelijk verzekeringsarts heeft gedragen, nu zij zich niet kan herinneren wat er precies over en weer is gezegd tijdens het spreekuur op 18 december 2014, maar dat zij gezien haar gebruikelijke werkwijze er van uit gaat dat klager de informatie over de koptelefoon heeft verstrekt. Klager betwist dat hij dit heeft gedaan en voert aan dat er ook nergens in het dossier is genoteerd dat hij de betreffende informatie heeft verstrekt. Dit blijkt ook niet uit de rapportage van verweerster van 18 december 2014. Uit de rapportage van 26 januari 2017 blijkt dat verweerster het dossier ter hand heeft genomen om de vraag van de medewerker hoger beroep/JKC te kunnen beantwoorden.

Het College overweegt dat het geen aanleiding ziet om aan de verklaring van verweerster te twijfelen. Dat verweerster in januari 2017 niet meer precies wist hoe het gegaan was op 18 december 2014 is goed denkbaar. Verweerster ziet op een dag meerdere klanten, ieder met hun eigen verhaal. Het is niet realistisch te verwachten dat verweerster ruim twee jaar later nog precies zou weten wat er op het desbetreffende spreekuur over en weer is gezegd.

Klager moet worden toegegeven dat in de ‘Medische rapportage ziektewet’ van 18 december 2014 niet is vermeld dat hij heeft gezegd dat hij destijds bij G geen hoofdtelefoon hoefde te gebruiken. Het College acht de verklaring van verweerster waarom zij daar wel van uitgaat, in het bijzonder gelet op de in 2015 door klager gevraagde correcties van het betreffende rapport, echter voldoende overtuigend. Er is ook geen andere aannemelijke verklaring voor de herkomst van de informatie in de betreffende passage.

Het College is dan ook van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat verweerster niet op onafhankelijke wijze tot haar oordeel is gekomen.

Dit klachtonderdeel zal derhalve zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

5.2       In klachtonderdeel 2 betoogt klager dat verweerster ten onrechte heeft genoteerd dat de reden van klagers ziekmelding op 16 september 2010 is gelegen in een conflict met collega‘s. Teneinde zijn bewering te staven legt klager een deskundigenoordeel van het UWV d.d. 2 november 2010 over. Hierin valt te lezen:

Ons deskundigenoordeel

U vindt dat u uw eigen werk op 16 september 2010 niet kon doen. Uw werkgever vindt echter dat u uw eigen werk wel kon doen. Ons oordeel is dat u uw eigen werk op 16 september 2010 inderdaad niet kon doen. In de bijgevoegde rapportage van onze arts leest u meer over onze motivatie en over uw mogelijkheden en beperkingen.

De genoemde rapportage van de arts ontbreekt echter in het dossier, zodat niet kan worden vastgesteld wat volgens de arts de reden van de ziekmelding is. Voorts is niet gebleken van andere omstandigheden die de lezing van klager staven.

Om bovenstaande redenen zal ook dit klachtonderdeel derhalve zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

5.3       In klachtonderdeel 3 beklaagt klager zich erover dat verweerster nooit een audiologisch onderzoek heeft verricht bij klager, noch een onderzoek heeft verricht aan zijn oren.

Het College is van oordeel dat dit verweerster niet tuchtrechtelijk kan worden verweten, nu zij informatie over klager heeft ingewonnen bij de behandelend KNO-arts, die de gevraagde informatie ook heeft verstrekt. Onder die omstandigheden valt niet in te zien wat een eigen onderzoek door verweerster zou hebben toegevoegd. Dit klachtonderdeel zal daarom eveneens zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

5.4       In klachtonderdeel 4 beklaagt klager zich erover dat verweerster klager hersteld heeft gemeld, terwijl zij wist dat klager in januari 2015 een afspraak had bij de KNO-arts en dat er nog een operatie zou volgen.

Op zichzelf is juist dat verweerster van de door klager gestelde informatie op de hoogte was. De ‘Medische rapportage ziektewet’ van 18 december 2014 vermeldt onder ‘Beloop en behandeling’ dat klager ‘nu nog aan het linker oor geopereerd [moet] worden, wanner dat is weet hij nog niet, in jan. moet hij weer terug komen.’ Volgens het rapport had verweerster echter als taak de volgende vragen te beantwoorden: ‘Is klant thans ongeschikt te achten voor het eigen werk c.q. de maatgevende relevante arbeid? Is klant thans ongeschikt te achten voor andere passende arbeid?’ Bij de beantwoording van deze vragen wordt een eventueel in de toekomst te verwachten operatie niet betrokken. Dat klager bij de KNO-arts een afspraak had en/of onder controle moest blijven, speelt daarbij evenmin een rol. Het College is derhalve van oordeel dat verweerster in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.

Het College zal dit klachtonderdeel eveneens zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afwijzen.

5.5       In klachtonderdeel 5 beklaagt klager zich erover dat verweerster in haar brief van

27 oktober 2014 heeft geschreven dat zij klager heeft gezien. Gelet op hetgeen verweerster hierover in haar rapportage van 26 januari 2017 heeft geschreven – zie hiervoor onder 2.5 – is duidelijk dat het hier een vergissing betreft. Klager is door deze kennelijke schrijffout niet in zijn belang geschaad. Het College is dan ook van oordeel dat dit verweerster niet (tuchtrechtelijk) valt aan te rekenen, zodat ook dit klachtonderdeel zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afgewezen wordt.

5.6       Het College beslist dus als volgt.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 21 augustus 2017 door N.B. Verkleij, voorzitter,

E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, M. van Heugten-Hoogendoorn, B. van Ek en

R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Braspenning-Groeneveld, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

 niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.