ECLI:NL:TGZRSGR:2018:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-044

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:121
Datum uitspraak: 24-07-2018
Datum publicatie: 25-07-2018
Zaaknummer(s): 2018-044
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een psychiater. Het zou beter zijn geweest indien de ontvangst van de faxen was bevestigd aan (de gemachtigde van) klager en zij/hij was geïnformeerd over de wijze van verdere behandeling van deze faxen. Dit levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

verblijvende te B,

klager,

tegen:

C, psychiater,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 8 maart 2018

- het verweerschrift met bijlagen.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       Het College heeft de klacht op 13 juni 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klager verbleef in het D te B (hierna: de kliniek) op de afdeling E. Hij heeft op 29 november 2017 afdelingsarrest gekregen in verband met opnames met een mobiele telefoon en aankoop van een USB-stick, die door een derde buiten de kliniek is gepost. Het afdelingsarrest is meermaals verlengd.

2.2       Verweerder is sinds […] als eerste geneeskundige verbonden aan de kliniek. Per […] is hij toegetreden tot de Raad van Bestuur, sinds […] als voorzitter van de 3-hoofdige Raad van Bestuur van de Kliniek.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met zijn zorgplicht heeft gehandeld door niet te reageren op een fax van klagers gemachtigde, aan verweerder als bestuursvoorzitter gericht, ter zake van een verzoek om een nieuw vroegsignaleringsplan op te stellen.

Voorts verwijt klager verweerder in algemene zin nalatigheid in verband met misstanden binnen de inrichting, zoals het aanwezig zijn van soft- en harddrugs, handel in mobiele telefoons en ernstige fysieke incidenten.

4.          Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1       Hetgeen klager verweerder verwijt is geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (artikel 47, lid 1, aanhef en onder a, Wet BIG), aangezien er geen directe (zorg-/behandel)relatie tussen verweerder en klager is geweest.

5.2       Op grond van de tweede tuchtnorm kan handelen in een bestuurlijke of leidinggevende functie tuchtrechtelijk worden getoetst voor zover dit handelen in strijd is met het belang van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg. Het (hierna beschreven) laten afhandelen van een ontvangen fax ter zake van een verzoek om een nieuw vroegsignaleringsplan op te stellen (waarin gedragingen van een ter beschikking gestelde die een aanwijzing kunnen zijn voor een verhoogd recidiverisico en de maatregelen om de risico’s onder controle te houden worden beschreven) kan het algemeen belang van een goede uitoefening van die zorg raken en heeft daarop voldoende weerslag. Klager kan daarom in zijn klacht worden ontvangen.

5.3       Verweerder heeft gesteld dat hij geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het verwerken of beantwoorden van berichten van de gemachtigde van klager. Hij heeft toegelicht dat brieven of faxen van of namens patiënten aan hem als voorzitter van de Raad van Bestuur niet door hemzelf in persoon worden beantwoord, maar door het bestuurssecretariaat worden doorgestuurd naar de afdeling Behandelingsrapportage. Op die afdeling worden berichten in het elektronisch patiëntendossier opgenomen en naar de juiste behandelaar doorgezonden voor verdere beoordeling of actie. Onderzoek leerde, zo heeft verweerder onweersproken gesteld, dat aldus ook is gehandeld met betrekking tot twee faxen die de gemachtigde van klager aan verweerder heeft gericht, waarvan er een betrekking had op de vraag of de vroegsignalering mogelijk opnieuw kon worden bekeken. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat de voorgelegde vragen inhoudelijk zijn opgepakt en daarover een gesprek met de gemachtigde van klager heeft plaatsgevonden. Dat (ook nog) een schriftelijke reactie werd verwacht was verweerder niet duidelijk geworden.

5.4       Het zou beter zijn geweest indien de ontvangst van de faxen was bevestigd aan (de gemachtigde van) klager en zij/hij was geïnformeerd over de wijze van verdere behandeling van deze faxen. Dit gebrek is evenwel niet dermate ernstig, dat dit zou moeten leiden tot tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van verweerder. Voor het overige ontmoet de door verweerder beschreven gang van zaken bij het College geen bedenkingen.

5.5       Het klachtonderdeel ter zake van misstanden binnen de inrichting, zoals het aanwezig zijn van soft- en harddrugs, handel in mobiele telefoons en ernstige fysieke incidenten is zeer algemeen geformuleerd en heeft klager op geen enkele wijze met feiten onderbouwd, zodat reeds hierom aan dit verwijt voorbij wordt gegaan.

5.6       Om bovenstaande redenen zal het eerste klachtonderdeel zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen en zal klager in het tweede klachtonderdeel niet worden ontvangen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst het eerste klachtonderdeel af

en verklaart klager niet-ontvankelijk voor wat betreft het tweede klachtonderdeel.  

Deze beslissing is gegeven op 24 juli 2018 door M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.N. Koetsier, A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven en M. Bezemer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door  I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.