ECLI:NL:TGZRSGR:2018:117 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-243b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:117
Datum uitspraak: 24-07-2018
Datum publicatie: 25-07-2018
Zaaknummer(s): 2017-243b
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De vragenlijst die de gz-psycholoog heeft gebruikt voor het psychodiagnostisch onderzoek is gevalideerd en wordt veelvuldig binnen de beroepsgroep gebruikt. Niet gebleken dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Klacht afgewezen.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, gz-psycholoog,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar, werkzaam te Rotterdam .

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met aanvullingen en bijlagen, ontvangen op 11 en 25 oktober 2017,

- het verweerschrift met bijlagen,

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 5 maart 2018;

1.2       Het College heeft de klacht op 12 juni 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klaagster is in het kader van een echtscheidingsprocedure in contact gekomen met

Jeugdbescherming D, verder te noemen D.

2.2              Op verzoek van D heeft het E, verder te noemen E, een psychodiagnostisch onderzoek ingesteld betreffende klaagster en drie van haar kinderen en heeft daarover gerapporteerd.

2.3              Verweerster is aan het E verbonden als gezondheidszorgpsycholoog en is

betrokken geweest bij het onder 2.2 bedoelde onderzoek en rapport.

3.           De klacht

Klaagster maakt verweerster een aantal verwijten die er in de kern op neerkomen dat bij het onderzoek een test is gebruikt met een onhandige en verwarrende vragenlijst, die de kans op een onjuiste diagnose verhoogt. Verder zouden haar bij het invullen van de vragenlijst adviezen zijn gegeven, waardoor mogelijk een onjuiste diagnose is gesteld met voor klaagster en haar kinderen ongewenste gevolgen.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       De door het College te beantwoorden vraag is of de aan het rapport ten grondslag liggende onderzoeken door verweerster uit oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kunnen doorstaan. Daarbij neemt het College de volgende criteria in aanmerking :

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

5.2       De klacht van klaagster heeft vooral betrekking op de door verweerster bij het onderzoek gebruikte Minnesota Multiphasic Personality Inventory-2 test (verder: MMPI-2).

5.3       De MMPI is een gevalideerde vragenlijst en wordt veelvuldig binnen de beroepsgroep van psychologen gehanteerd. Dat bepaalde vragen in deze test voor klaagster onduidelijk en verwarrend zijn geweest maakt niet dat het gebruik van deze test bij het door verweerster gedane onderzoek de toets der kritiek niet zou kunnen doorstaan. Vooral ook omdat de test onderdeel uitmaakt van een breder assessment.

5.4       Zo al sprake zou zijn van een onjuiste beantwoording van een verduidelijkingsvraag van klaagster is het College van oordeel dat, gelet op aard en inhoud van eerder bedoelde test, eventuele onjuiste antwoorden aan klaagster geen beslissende invloed zouden kunnen hebben op de uitkomst van het onderzoek.

5.5       Verder niet is gebleken dat verweerster bij het onderzoek buiten de grenzen van haar deskundigheid is getreden en evenmin is gebleken dat het mede door verweerster uitgebrachte rapport niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen.

Aan de andere opmerkingen van klaagster gaat het College voorbij, ofwel omdat de relevantie daarvan voor de klacht ontbreekt ofwel omdat verweerster deze heeft bestreden en enig verwijt niet valt vast te stellen. De klacht wordt dan ook zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 24 juli 2018, door mr. W.N.L. Donker voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, dr. T.A.W. van der Schoot, E.S.J. Roorda, dr. R.J. Takens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. E.C. Zandman, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.