ECLI:NL:TGZRSGR:2018:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-065
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:110 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2018 |
| Datum publicatie: | 31-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-065 |
| Onderwerp: | Niet of te laat verwijzen |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft zich ingespannen en heeft klaagster serieus genomen. Het College ziet geen aanwijzingen dat klaagster (eerder) doorverwezen had moeten worden. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C, huisarts
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met een bijlage, ontvangen op 30 maart 2018
- het verweerschrift met bijlagen
- de brief d.d. 26 april 2018 van mr. Brouwer met aanvullende bijlagen
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 23 mei 2018.
1.2 Het College heeft de klacht op 19 juni 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Klaagster, geboren op […] 1990, heeft op 23 juni 2016 en 4 augustus 2016
neurologisch onderzoek laten verrichten in D te E. Dit neurologisch onderzoek vond plaats na doorverwijzing door haar toenmalige huisarts en bestond uit algemeen neurologisch onderzoek op 23 juni 2016 en een MRI-scan op 4 augustus 2016. Over de MRI-scan stond in de specialistenbrief d.d. 4 augustus 2016 het volgende:
“(…)
Bespreking:
wij vonden bij neurologisch en aanvullend onderzoek geen aanwijzingen voor een neurologische aandoening als verklaring voor de subjectieve cognitieve stoornissen. Differentiaaldiagnostisch zou gedacht kunnen worden aan een psychiatrische oorzaak. Wij spraken met patiënte een expectatief beleid af.
Conclusie:
progressieve cognitieve stoornissen zonder aanwijzingen voor neurologische aandoening”
2.2 Klaagster is sinds eind januari 2018 ingeschreven in de praktijk van verweerster. Het kennismakingsgesprek vond plaats op 31 januari 2018. Tijdens dit gesprek vertelde klaagster verweerster dat zij in november 2016 slangengif in haar eten toegediend heeft gekregen door een verpleegkundige. Verweerster heeft klaagster geadviseerd na dit consult met spoed een afspraak met de POH GGZ te maken.
2.3 In het consult van 21 maart 2018 heeft klaagster verweerster verzocht om een verwijzing naar de neuroloog voor een MRI van de hersenen naar aanleiding van het slangengif. Hierop heeft verweerster contact opgenomen met de behandelaar van het FACT-team van F waar klaagster bekend was. In het dossier staat hierover het volgende vermeld:
“S wil verwijzing NEU voor MRI hersenen nav slangengif van 1jr geleden,dan kan de aangifte doen,kan niet zeggen waar ze last van heeft,bij verder uitvragen krijg ik geen antwoord op,bij het uitvragen dat er eerder een scan vd hersenen verricht is,komt in stilte vallen
O boos,emotioneel,anamnese compleet in- coherent,gespannen,praat met luide stem,boze ogen,neiging tot agressie,kan alle ledematen nl bewegen,geen functiebeperkingen waar te nemen, symm gelaat. door spanningen/boosheid ben ik van verdere LO afgezien ook mede dat het op dit moment niet relevant is,gezien het “ incident van1-jr geleden” en ptnte haar klachten niet goed kunnen aangeven
bij het verlaten van van mijn SK heeft de deur heel hard dicht
E Psychische klachten: asII
P gezien de toestand vd ptnte” angstig en gespannen”heb ik overleg gehad met G ( fact team F, naam vd ptnte doorgekregen) om haar op een professionele manier te kunnen helpen, gezien de psychotische toestand van de patiënt.
Het beelk dat ptnte sinds 5mnd overgenomen van GGZ-H,wklks gesprek,weigert antipsychotica,eerder door risperdal epil aanval gehad ( aldus ptnte) psychotisch,achterdochtig en angstig. F wil wachten dat er ooit iets fout gaat,crisis erbij komt dan pas indicatie voor anti-psy met rechtelijke machtiging --> VREEMD MI
Op verzoek toch gesprek met PSY,morgen wordt teruggekoppeld aan mij”
2.4 Op 28 maart 2018 heeft klaagster een brief met een klacht aan verweerster toegezonden. Daarop heeft verweerster klaagster uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerster voor klaagster een verwijsbrief naar de neuroloog gemaakt. Het dossier vermeldt hierover het volgende:
“S nav de klachtenbrief,nog steeds de wens om doorverwezen te worden naar NEU,wil naar I,met de doel om aangifte te kunnen doen tegen de verpleging
Bij verdere uitvragen of er sprake is van een lich klacht,geeft antwoord”nee”
(…)
P op haar verzoek heb ik verw NEU gemaakt met het uitleg erbij dat de verw niet medisch is --> komt ongeïnteresseerd over
Afspraak ‘verwijsafspraak’ gemaakt bij Neurologie – I.
(…)”
2.5 Op 6 april 2018 ontving verweerster het bericht van de afdeling neurologie van I dat de verwijzing niet in behandeling werd genomen.
3.
De klacht
Klaagster verwijt verweerster dat zij klaagsters verzoek om te worden doorverwezen naar een neuroloog niet heeft gehonoreerd. Klaagster verwijt haar voorts dat ze niet heeft geluisterd en niets heeft gedaan met de informatie van klaagster.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 De klacht van klaagster komt erop neer dat verweerster haar niet door heeft verwezen naar de neuroloog, terwijl klaagster hier uitdrukkelijk om verzocht. Klaagster heeft naar eigen zeggen slangengif toegediend gekregen en wilde dit met een MRI-scan laten vaststellen. Klaagster vindt dat verweerster niets heeft gedaan met de informatie en voelt zich hierdoor niet serieus genomen.
5.2 Verweerster heeft in haar verweerschrift gesteld dat zij klaagster aanvankelijk niet had doorverwezen omdat hiertoe geen redenen waren. Klaagster had immers zelf geen lichamelijke klachten. Bovendien had verweerster uit het dossier van de voorgaande huisarts opgemaakt dat klaagster in 2016 reeds eerder een MRI-onderzoek had ondergaan in verband met lichamelijke klachten en angst voor afwijkingen aan hersenen en dat toen de bevinding was: progressieve cognitieve stoornis zonder aanwijzingen voor neurologische aandoeningen. Volgens verweerster was er vanwege het ontbreken van lichamelijke klachten, het feit dat het vermeende incident een jaar eerder had plaats gevonden, het overleg met het FACT-team van F en de eigen waarnemingen van verweerster geen indicatie om klaagster door te verwijzen naar een neuroloog.
Nadat klaagster op 28 maart 2018 een klacht bij de praktijk van verweerster had ingediend, is zij het gesprek met klaagster aangegaan en heeft zij alsnog zorggedragen voor een doorverwijzing naar de neuroloog, ondanks dat hiertoe geen medische indicatie was. Deze verwijzing is niet in behandeling genomen met de aantekening dat een verwijzing alleen zinvol geacht wordt door een behandelend psychiater en niet op verzoek van klaagster zelf. Tot zover verweerster.
5.3 Het College ziet in het handelen van verweerster geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag en ziet geen aanwijzingen dat verweerster klaagster (eerder) had moeten doorverwijzen.
Het beleid van verweerster was juist. Gezien de inspanningen van verweerster – het afnemen van een zorgvuldige anamnese, het advies om met spoed een afspraak met de POH-GGZ te maken en het nadien benaderen van de behandelaar van klaagster bij F – kan het College niet vaststellen dat zij klaagster niet serieus heeft genomen en niets met haar informatie heeft gedaan. De klacht is ongegrond.
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 31 juli 2018 door L.J. Sarlemijn, voorzitter,
M.W. Koek, lid-jurist, B. van Ek, R.J. Stolker, N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.