ECLI:NL:TGZRSGR:2018:106 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-297

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:106
Datum uitspraak: 17-07-2018
Datum publicatie: 17-07-2018
Zaaknummer(s): 2017-297
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft klaagster wel serieus genomen, door naar klaagsters uitdrukkelijke verzoek tot verwijzing te luisteren, terwijl er naar zijn oordeel geen noodzaak voor bestond. Zij is in verband met bovenbuikklachten correct doorverwezen naar het ziekenhuis voor echo-onderzoek van de buik. Niet vast komt te staan dat de huisarts haat jegens haar heeft gezaaid. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, huisarts,

werkzaam te B,

verweerder.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift, ontvangen op 28 december 2017

-          het verweerschrift

-          een medische machtiging van klaagster, ingekomen op 2 februari 2018

-          de brief van klaagster, ingekomen op 6 februari 2018, waarbij zij haar medische machtiging intrekt

-          de brief van het secretariaat van het College aan klaagster van 26 februari 2018, waarin wordt bevestigd dat klaagster telefonisch toestemming heeft gegeven haar medisch dossier over de periode februari 2017 tot en met december 2017 op te vragen;

-          de brief van verweerder, ingekomen op 9 april 2018, met als bijlage het medische dossier

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 25 april 2018.

1.2       Het College heeft de klacht op 5 juni 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klaagster heeft zich op 9 februari 2017 ingeschreven in de huisartsenpraktijk van

verweerder.

2.2              De eerste consulten van klaagster, tot en met 11 juli 2017, hebben bij een waarnemer

van verweerder plaatsgevonden. Op 6 april 2017 is klaagster door deze waarnemer voor de eerste keer gezien met buikklachten.

2.3              Op 12 juli 2017 heeft het eerste consult bij verweerder plaatsgevonden, ook in

verband met bovenbuikklachten. De ALAT-waarde was toen licht verhoogd. Op verzoek van klaagster heeft verweerder haar verwezen naar het ziekenhuis voor echo-onderzoek.

2.4              Op 21 juli 2017 is in het D te B (locatie E) bij klaagster

echo-onderzoek van de buik verricht. Er zijn toen geen afwijkingen geconstateerd.

2.5       Op 2 oktober 2017 heeft klaagster zich gemeld bij de huisartsenpost in verband met buikpijn. Er werd medicatie voorgeschreven en klaagster werd geadviseerd voor controle terug te gaan naar haar eigen huisarts. Op dezelfde dag is klaagster voor controle gezien door verweerder. Hij heeft klaagster toen verwezen naar het D (locatie F) voor nieuw echo-onderzoek.

2.6       Op 24 oktober 2017 heeft het echo-onderzoek van de buik bij klaagster plaatsgevonden. Verweerder heeft de uitslag van dit onderzoek niet met klaagster kunnen bespreken, aangezien klaagster zich inmiddels – op 13 oktober 2017 – had ingeschreven bij een andere huisartsenpraktijk.

3.           De klacht

Klaagster verwijt verweerder – zakelijk weergegeven – dat hij

1.      klaagster nooit serieus heeft genomen: hij zou haar hebben genegeerd en slechts met moeite hebben doorverwezen;

2.      een verkeerde diagnose heeft gesteld dan wel een onjuiste behandeling heeft gegeven door geen onderzoek te (laten) verrichten;

3.      klaagster ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een MDL-arts;

4.      het beroepsgeheim heeft geschonden;

5.      haat heeft gezaaid, bij de nieuwe huisarts en andere artsen.

4.        Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Bij het mondeling vooronderzoek is besproken dat met partijen nog contact zou worden opgenomen met betrekking tot ontbrekende labuitslagen, specialistenbrieven en verwijsbrieven. Uit een telefoonnotitie in het dossier van 3 mei 2018 blijkt dat klaagster uiteindelijk geen toestemming heeft gegeven voor het overleggen van deze stukken uit het medisch dossier. De zaak zal dan ook worden beoordeeld op grond van de in het dossier aanwezige stukken.

5.2       Het College heeft geconstateerd dat klaagster te kennen heeft gegeven dat zij, behalve in verweerder, ook in verschillende andere artsen en medisch personeel geen vertrouwen heeft, onder andere in haar vorige huisarts en de radioloog of radiologen die in het ziekenhuis echo-onderzoek bij haar heeft/hebben verricht. Verweerder zou hen allen hebben beïnvloed, alsook in de assistentes van verweerder, die zich volgens klaagster vreemd hebben gedragen. Het College stelt voorop dat in deze zaak het (medisch) handelen van verweerder centraal staat. Het gaat in het medisch tuchtrecht om de persoonlijke verwijtbaarheid van de arts. Verweerder kan derhalve geen verwijt worden gemaakt van handelen door andere in de gezondheidszorg werkzame personen.

5.3       Klaagster heeft meerdere verwijten geuit jegens verweerder. Sommige verwijten zullen hieronder, gelet op de samenhang, gezamenlijk worden beoordeeld.

5.4       Ten aanzien van het 1e klachtonderdeel:

Verweerder heeft het verwijt dat hij klaagster nooit serieus heeft genomen gemotiveerd betwist. Er is volgens verweerder juist sprake geweest van verschillende dubbele consulten waarbij meer dan de gebruikelijke tijd is besteed aan klaagster.

Het College overweegt dat valt te betreuren dat klaagster zich kennelijk niet gehoord heeft gevoeld door verweerder, maar op grond van het medisch dossier beschikt het College niet over een aanwijzing dat verweerder klaagster niet serieus heeft genomen. Hij heeft haar klachten steeds met haar besproken en deze genoteerd en haar ook verwezen naar het D voor het maken van echo’s van de buik van klaagster. Dat verweerder overwegend op uitdrukkelijk verzoek van klaagster tot verwijzing is overgegaan, omdat er naar zijn oordeel medisch geen (dringende) noodzaak voor bestond, is juist een teken dat hij klaagster wel serieus heeft genomen.

Voor zover dit klachtonderdeel ook ziet op het niet serieus nemen van hartklachten van klaagster en het meermalen vallen, heeft verweerder betwist dat hierover is gesproken tijdens een consult; anders had hij – naar eigen zeggen – daar zeker een aantekening van gemaakt in het medisch dossier van klaagster, hetgeen hij niet heeft gedaan. Nu uit het dossier aldus niet blijkt dat deze onderwerpen tussen klaagster en verweerder ter sprake zijn gekomen en verweerder dit betwist, kan het College de juistheid van de stellingen van klaagster niet vaststellen. Daarmee kan ook niet worden vastgesteld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij als huisarts moet betrachten.

Het 1e klachtonderdeel dient te worden afgewezen.

5.5       Ten aanzien van het 2e en 3e klachtonderdeel:

Dat verweerder een onjuiste diagnose heeft gesteld dan wel een onjuiste behandeling heeft toegepast door geen onderzoek te (laten) verrichten is naar het oordeel van het College niet gebleken. Er was ten tijde van het eerste consult bij verweerder in juli 2017 kennelijk slechts sprake van één licht verhoogde bloedwaarde. Klaagster is in verband met bovenbuikklachten correct doorverwezen naar het ziekenhuis voor nader echo-onderzoek van de buik. Vast staat dat er toen geen afwijkingen zijn geconstateerd.  Het College is het met verweerder eens dat op basis van de klachten van klaagster en de uitslag van het echo-onderzoek in juli 2017 er geen medische reden bestond voor een doorverwijzing naar een MDL-arts. Hiervan was wel sprake naar aanleiding van de uitslag van het tweede echo-onderzoek op 24 oktober 2017; er werd toen immers door de radioloog een gastroscopie geadviseerd. Een doorverwijzing naar de MDL-arts door verweerder was toen echter niet meer aan de orde, want klaagster had zich ondertussen al ingeschreven bij een andere huisarts. Het College heeft geconstateerd dat de verwijzing naar een MDL-arts via deze huisarts heeft plaatsgevonden.

Het College concludeert dat zowel het 2e als het 3e klachtonderdeel moet worden afgewezen.

5.6       Ten aanzien van het 4e en 5e klachtonderdeel:

Klaagster heeft met betrekking tot deze klachtonderdelen bij gelegenheid van het mondeling vooronderzoek verklaard dat zij zeker weet dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden, omdat zij dat merkt in haar privéleven. Hoe hij bij haar nieuwe huisarts en in haar omgeving haat jegens haar zou hebben gezaaid weet zij niet, maar sinds zij bij verweerder is geweest is alles in haar buurt veranderd.

Het College constateert dat klaagster haar ervaringen niet heeft onderbouwd met concrete feiten, waartegen verweerder zich kan verdedigen. Daarnaast heeft verweerder verklaard dat hij zich niet herkent in het beeld dat klaagster over hem heeft geschetst; verweerder kent de nieuwe huisarts van klaagster niet en heeft nooit met deze arts gesproken. Van enig haatzaaien of het schenden van het beroepsgeheim is volgens verweerder nooit sprake geweest.

Het College kan, gelet op het bovenstaande, niet anders dan concluderen dat genoemde klachtonderdelen niet zijn komen vast te staan en derhalve moeten worden afgewezen.

5.7       Om bovenstaande redenen zal de klacht in zijn geheel zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2018 door mr. N.B. Verkleij, voorzitter, mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, lid-jurist, dr. G.J. Dogterom, dr. A.M.J.S. Vervest en dr. I. Dawson,

leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.