ECLI:NL:TGZRSGR:2018:104 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-034

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:104
Datum uitspraak: 17-07-2018
Datum publicatie: 17-07-2018
Zaaknummer(s): 2018-034
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een huisarts. Onvoldoende gebleken dat de huisarts op de hoogte is geweest of had kunnen zijn dat de minderjarige dochter van klager werd gepest en daardoor hoofdpijnklachten had. Er was voor de huisarts geen reden om de dochter naar een psycholoog te verwijzen. Het niet uitschrijven van de minderjarige dochter door de huisarts was terecht, daar er voor de overschrijving van een minderjarig kind naar een andere huisarts toestemming of instemming nodig is van beide ouders en niet is gebleken dat de moeder van de dochter ook om uitschrijving heeft verzocht. De instemming van beide ouders is overigens niet nodig voor inzage in het medisch dossier van een minderjarig kind. Aanvankelijk weigerde de huisarts inzage door klager in het dossier, maar kwam hier op terug. Klacht afgewezen.   

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 februari 2018;

- het verweerschrift met bijlagen;

- de e-mail van klager met bijlage, ontvangen op 28 mei 2018.

1.2       Partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 5 juni 2018. De partijen, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.         De feiten

2.1       De klacht betreft de behandeling van de dochter van klager, D, geboren in 2006. Klager oefent gezamenlijk met de moeder van D het gezag over haar uit. De ouders van D leven gescheiden. D staat tot 14 april 2019 onder toezicht van de gecertificeerde instelling E.

2.2       Verweerder exploiteert in maatschapsverband een huisartsenpraktijk in Rotterdam, tezamen met huisarts F. D was aanvankelijk onder behandeling van huisarts F. Nadat verweerder was toegetreden tot de praktijk is ook hij D gaan behandelen.

2.3       Klager heeft zich met D tot verweerder gewend in verband met hoofdpijn van D. Het medische dossier vermeldt hierover – voor zover van belang –:

“27-09-2017 C Spanningshoofdpijn

A         Consult huisarts langer dan 20 minuten

S          Laatste 6 mnd veel hoofdpijn, niet constant, is ook hiervoor van school gehaald.

Braken, had 1x verhoging

O         D: Ik heb vooral last als ik stress heb. Heeft u stress omdat zij naar G wil

(zegt dat moeder dat graag wil en extra huiswerk met haar maakt om dit te halen).

Heeft nu Havo-VWO advies, waarom dan persé naar gymnasium? Klachten van

Hoofdpijn telkens bij stress om school en huiswerk

E         spanningshoofdpijn

P         Lijken lat hoog te leggen. Kan met atheneum ook naar TU Delft!!

S          Vraag van vader om dossier van D in te kijken en aan te laten passen over

beschrijvingen aangaande hemzelf

O         Nogal wat gebeurd tussen moeder en vader, jeugdzorg ed.

P         Ga dit eerst met collega huisarts eerst overleggen.”

2.4       Op 20 november 2017 heeft klager een inschrijfformulier ingevuld om D te laten inschrijven bij huisarts H in Rotterdam. Als vorige huisarts heeft hij in het formulier een huisarts in Italië opgegeven. Op 5 januari 2018 heeft klager in een brief aan de praktijk van verweerder geschreven dat hij met ingang van die datum niet langer toestemming wenst te geven dat D patiënt blijft bij de praktijk.

2.5       Blijkens het medische dossier is op 29 november 2017 bij de praktijk bericht van huisarts H binnengekomen. Daarop is de voicemail van de moeder van D ingesproken met het verzoek terug te bellen. Klager heeft op 6 december 2017 aan de balie van de praktijk gevraagd om het dossier van D wegens aanmelding bij een andere huisarts. Klager is meegedeeld dat er schriftelijke toestemming van de moeder van D moest komen om D over te dragen aan een nieuwe huisarts. Op 8 december 2017 heeft de moeder de praktijk bericht dat zij D’s inschrijving bij de praktijk tot nader order wilde behouden.

2.6       Op 3 januari 2018 en op 5 januari 2018 is klager blijkens het medische dossier opnieuw aan de balie geweest om het dossier op te halen. Het dossier vermeldt hierover bij 3 januari 2018:

“S        Graag dossier uitprinten voor vader, staat ad balie en is heel boos, heeft het al 2x

gevraagd, 2x per mail en 1x per brief (…) Graag instructie ad balie wat te doen als

vader weer komt.

O         Simpele regel: Zie attentie pagina: LET OP OUDERS ZIJN UIT ELKAAR, BEIDE

ouders moeten toestemming geven! à en moeder geeft geen toestemming.

P         Als vader weer komt: arts roepen en dhr evt even apart zetten in behandelkamer.”

en bij 5 januari 2018:

“S        Vader wederom aan balie en wil dossier van zijn dochter.

O         Wil het dossier van zijn dochter en de leugens van F over hem eruit

halen omdat dit volgens hem voor zijn dochter nadelig kan zijn in de toekomst en

dossier meenemen naar andere huisarts (…).

P         Geen toestemming tot overschrijven !!!!

            Dhr uitgelegd dat onze wet zegt ik het dossier niet mee mag geven omdat beide ouders

gezag hebben en moeder het er niet mee eens is. (…)”         

3.         De klacht

3.1       Klager verwijt verweerder in het klaagschrift dat hij:

a.       D niet naar de juiste zorg heeft verwezen;

b.      heeft geweigerd om D uit te schrijven uit de praktijk;

c.       hem geen inzage heeft gegeven in het dossier van D.

Ter zitting heeft klager te kennen gegeven dat hij het niet eens was met het feit dat D (ook) als patiënte bij verweerder werd ondergebracht. Hij heeft later echter erkend dat hij daar nooit bezwaar tegen heeft gemaakt en er na verloop van tijd ook mee heeft ingestemd. Het College laat dit dan ook verder buiten beschouwing.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1              Het College moet beoordelen of verweerder als huisarts heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mag worden verwacht.

Klachtonderdeel 1: niet naar de juiste zorg verwezen

5.2              Klager heeft ter toelichting op dit klachtonderdeel aangevoerd dat – naar het College begrijpt – hij zijn dochter verschillende malen bij verweerder heeft gebracht met hoofdpijnklachten, dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de precieze oorzaak daarvan en alle keren heeft gezegd dat het om stress ging. Gebleken is dat D op school wordt gepest en het is aannemelijk dat dit de oorzaak is van de hoofdpijn. D zou dit ook aan verweerder hebben verteld.

Het College overweegt dat uit het medisch dossier blijkt dat D alleen op 27 september 2017 bij verweerder is geweest met hoofdpijnklachten. In de aantekeningen van verweerder heeft hij vermeld wat D over de oorzaken van haar hoofdpijn heeft verteld. Zij heeft daarbij niet gezegd dat zij op school werd gepest. Klager heeft ter zitting verklaard dat D hem pas rond de kerst van 2017 over het pesten heeft verteld. Naar het oordeel van het College is dan ook onvoldoende gebleken dat verweerder van het pesten van D op de hoogte is geweest of had kunnen zijn. Gelet op de klachten van D en hetgeen zij daarover aan verweerder heeft verteld, was er voor verweerder geen reden om D naar een psycholoog te verwijzen. Verweerder heeft ook onweersproken gesteld dat hem niet om een verwijzing naar een psycholoog is gevraagd. Verder is niet gebleken dat D vaker dan die ene keer op 27 september 2017 met hoofdpijnklachten bij verweerder op consult is geweest. Klager heeft dit ook niet nader onderbouwd.

Het College acht dit onderdeel van de klacht ongegrond.

Klachtonderdeel 2: geweigerd om D uit te schrijven uit de praktijk

5.3              Verweerder heeft tegen dit klachtonderdeel aangevoerd dat voor overschrijving van de minderjarige D naar een andere huisarts toestemming of instemming van beide gezaghebbende ouders vereist is. De moeder van D gaf die toestemming niet. Zonder die toestemming stond het verweerder niet vrij D uit te schrijven uit de praktijk, aldus verweerder.

Het College overweegt dat het standpunt van verweerder in overeenstemming is met de wet en de voor artsen geldende richtlijnen van de KNMG. Uit het dossier blijkt voorts dat de moeder van D op 8 december 2017 aan de praktijk te kennen heeft gegeven dat zij D’s inschrijving in de praktijk tot nader order wilde handhaven. In overleg met klager zou zij een bezoek brengen aan de (potentiële) nieuwe huisarts. Niet gebleken is dat de moeder van D daarna ook om uitschrijving heeft verzocht. Dat betekent dat verweerder juist heeft gehandeld door D niet uit te schrijven. Ook dit klachtonderdeel is dus niet gegrond.

Klachtonderdeel 3: klager geen inzage gegeven in het dossier van D

5.4              Het College vat dit klachtonderdeel in die zin op dat het klager ook gaat om het niet afgeven van het dossier van D aan hem door verweerder. Blijkens het verweerschrift heeft verweerder dit klachtonderdeel ook zo begrepen.

Klager had als gezaghebbende ouder van D – toen nog geen twaalf jaar oud – recht op inzage in haar dossier. In september 2017 verzocht klager hierom met als reden de wens om gedeelten over hemzelf uit het dossier te laten verwijderen. Volgens het medisch dossier heeft verweerder klager toen te kennen gegeven dat hij hierover met zijn collega wilde overleggen. Ter zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat hij het als goed hulpverlener van D niet verantwoord vond om belangrijke aantekeningen uit haar dossier te verwijderen. Het College acht het niet onbegrijpelijk dat verweerder naar aanleiding van het betreffende verzoek van verweerder overleg met zijn collega wilde plegen, voor zover deze wens van klager als een verzoek om het verwijderen van de gewraakte informatie uit het dossier had kunnen of moeten worden opgevat. Verweerder was niet zonder meer tot die verwijdering verplicht. Dit geldt te meer nu voor het verwijderen van informatie uit het dossier van D ook toestemming van haar moeder nodig zou zijn geweest.

Voor zover dit verzoek uitsluitend zag op inzage zou de vraag kunnen worden opgeworpen of verweerder hierop adequaat heeft gereageerd. Dit verzoek is echter in feite ingehaald door de verzoeken van klager van 6 december 2017, 3 en 5 januari 2018 om afgifte van het dossier, welke afgifte om een andere reden werd gevraagd. Het verzoek van 6 december 2017 hing samen met de wens van klager tot de inschrijving van D bij een nieuwe huisarts. Op grond van hetgeen onder 5.3 is overwogen mocht – en moest – verweerder de om die reden gevraagde afgifte weigeren bij gebreke van toestemming van de eveneens gezaghebbende moeder van D. Blijkens het medisch dossier heeft verweerder de reden van die weigering ook aan de assistentes doorgegeven voor het geval klager weer om het dossier zou vragen. Op 3 januari en 5 januari 2018 verzoekt klager om een afschrift van het dossier. Aanvankelijk meent verweerder dat daarvoor ook toestemming van de moeder van D nodig is. Op 5 januari 2018 heeft verweerder de reden van deze weigering van de afgifte van het dossier ook zelf aan de vader uitgelegd. Deze reden was echter niet van toepassing; voor inzage is geen toestemming van de andere ouder nodig. Verweerder heeft zich dit kennelijk gerealiseerd, want ter zitting heeft hij verklaard dat het dossier kort na 5 januari 2018 toch voor klager is uitgeprint en klaargelegd, maar dat klager niet meer op de praktijk is gekomen, waardoor dit niet meer aan hem meegegeven heeft kunnen worden. Het College overweegt dat verweerder hiermee binnen de redelijke termijn (na 3 en 5 januari 2018) van twee weken bleef, waarin een afschrift van een dossier beschikbaar gesteld hoort te worden. Naar het oordeel van het College had verweerder klager wel telefonisch of per e-mail op de hoogte kunnen (laten) stellen van het feit dat het dossier van D alsnog voor hem klaarlag. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, en ook dat hij het dossier niet eerder aan klager heeft afgegeven, acht het College echter in de gegeven omstandigheden niet zo ernstig dat dit als tuchtrechtelijk verwijtbaar kan worden beschouwd. Ten eerste is verweerder teruggekomen op de weigering het dossier af te geven. Ten tweede heeft klager in het kader van deze procedure alsnog de beschikking gekregen over het dossier van D. Ten slotte blijkt uit het medische dossier dat klager herhaaldelijk erg boos is geworden in de praktijk en die boosheid op onbehoorlijke wijze tegen de medewerkers van de praktijk heeft geuit. Verweerder heeft, zo blijkt ook uit het dossier, mede in verband met de opstelling van klager geregeld extra tijd aan hem moeten besteden en, door de situatie tussen klager en de moeder van D, ook aan overleg met jeugdbescherming en aan communicatie met de moeder van D. Onder die omstandigheden kan het verweerder redelijkerwijze niet in beduidende mate worden aangerekend dat hij aanvankelijk heeft geaarzeld over de afgifte van het dossier aan klager en dat hij klager later niet uit eigen beweging heeft bericht of laten berichten dat het dossier alsnog klaarlag.

Gelet op het voorgaande ziet het College onvoldoende aanwijzingen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij als huisarts jegens (D en) klager in acht behoorde en behoort te nemen.

5.5       De conclusie is dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klacht is dus in al haar onderdelen ongegrond, zodat deze moet worden afgewezen.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2018 door mr. N.B. Verkleij, voorzitter, mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, lid-jurist, dr. G.J. Dogterom, dr. A.M.J.S. Vervest en dr. I. Dawson, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij

            niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de

            volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde

            belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.