ECLI:NL:TGZRGRO:2018:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/94
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2018:71 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-11-2018 |
| Datum publicatie: | 27-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | G2018/94 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verzekeringsarts wegens onjuist handelen en een onvoldoende gemotiveerd advies dat klager arbeidsgeschikt was. Klacht ongegrond en afgewezen. |
Rep.nr. G2018/94
27 november 2018
Def. 224
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DEGEZONDHEIDSZORG
TE GRONINGEN
Beslissing op de klacht van:
A,
klager,
wonende te B,
advocaat: mr. B. van Dijk,
tegen
C,
werkzaam als verzekeringsarts te D,
verweerder,
BIG-reg.nr:,
gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Juergens.
1. Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift van 12 juli 2018, ingekomen op 13 juli 2018;
- het verweerschrift van 6 augustus 2018, ingekomen op 9 augustus 2018;
- de repliek van 22 augustus 2018, ingekomen op 24 augustus 2018;
- de dupliek van 6 september 2018, ingekomen op 7 september 2018.
In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
De klacht is behandeld ter openbare zitting van 16 oktober 2018. Klager is zelf niet verschenen tijdens de zitting, maar liet zich vertegenwoordigen door zijn advocaat. Verweerder was wel aanwezig tijdens de zitting, tezamen met zijn gemachtigde.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1
Klager is werkzaam als beveiliger in een tbs-kliniek. Op 8 maart 2018 heeft hij zich ziek gemeld bij zijn werkgever, nadat hij gedurende langere tijd kampte met spannings- en vermoeidheidsklachten. Daarvoor was klager reeds onder behandeling bij een psycholoog. Mede vanwege een negatief verlopen beoordelingsgesprek op 6 maart 2018 namen de klachten van cliënt verder toe en wel zodanig dat hij zich zowel fysiek als psychisch niet meer in staat achtte om zijn werkzaamheden op een behoorlijke wijze te blijven verrichten.
2.2
Op 28 maart 2018 vond er een consult met een bedrijfsarts plaats. Deze bedrijfsarts achtte klager arbeidsongeschikt en adviseerde tevens een 'afkoelingsperiode' van twee weken waarna werkgever en werknemer in gesprek met elkaar dienden te gaan over de door werknemer ervaren situatie. Er was geen vervolgconsult gepland.
2.3
Na afloop van deze periode riep de werkgever cliënt op om zijn werkzaamheden te hervatten. Klager heeft toen telefonisch contact gezocht met de bedrijfsarts, omdat hij zich nog niet in staat achtte om zijn werk weer te hervatten. De bedrijfsarts heeft vervolgens op 17 april 2018 na een telefoongesprek met klager geoordeeld dat klager arbeidsgeschikt is. Hierna is geen vervolgconsult meer gepland.
2.4
Klager was het oneens met het oordeel van de bedrijfsarts en voelde zich nog niet in staat om zijn werkzaamheden te hervatten. Daarom heeft hij bij het UWV op 24 mei 2018 een deskundigenoordeel gevraagd.
2.5
Naar aanleiding van dit verzoek is klager door verweerder uitgenodigd op zijn spreekuur van 13 juni 2018. Na het spreekuur met klager heeft verweerder met toestemming van klager nog aanvullende informatie opgevraagd bij de huisarts.
2.6
Bij brief van 20 juni 2018 heeft klager het deskundigenoordeel van het UWV ontvangen. De onderliggende verzekeringsgeneeskundige rapportage van verweerder is als bijlage aan die brief gehecht. Daaruit volgde dat verweerder klager eveneens geschikt achtte voor het eigen werk op de te beoordelen datum 11 april 2018.
2.7
Naar aanleiding van het deskundigenoordeel heeft klager nog een schrijven en een e-mail gestuurd naar verweerder. Hierop heeft verweerder geantwoord.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt:
1. de rapportage van verweerder vermeldt niet de volledige feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. de rapportage van verweerder geeft geen blijk van de juiste methode(s) van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in de rapportage van verweerder wordt niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. de rapportage van verweerder vermeldt niet de bronnen waarop deze berust, daaronder inbegrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. verweerder heeft in strijd met de richtlijn 'Communicatie met behandelaars' gehandeld;
6. verweerder heeft niet gehandeld overeenkomstig de eisen die aan hem op grond van zijn beroep en individuele deskundigheid mogen worden gesteld.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
4.1 Verweer op eerste klachtonderdeel
Bij een beoordeling wordt naast een verzekeringsgeneeskundige rapportage ook een medisch onderzoeksverslag aangemaakt. Dit verslag bevat medische informatie die onder het medisch beroepsgeheim valt. Dit is derhalve een uitgebreidere verslaglegging. Het medisch onderzoeksverslag vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen op basis waarvan het advies tot stand is gekomen. Omdat het stuk medische en andere gevoelige informatie bevat, wordt het in eerste instantie niet naar de klant gestuurd. In het schrijven aan de advocaat van klager is echter aangegeven dat klager altijd recht heeft op inzage in zijn dossier of een kopie hiervan, gedurende de wettelijke bewaartermijn. Tot op heden hebben klager en/of zijn advocaat geen verzoek ingediend voor het opvragen van de volledige medische rapportage.
4.2 Verweer op tweede klachtonderdeel
Verweerder kan zijn handelen niet herkennen in deze deelklacht van klager. Verweerder heeft zijns inziens klager naar behoren onderzocht ter beantwoording van de aan hem gestelde onderzoeksvraag. De onderzoeksmethodiek (gesprek van zestig minuten, opvragen informatie huisarts met machtigingsformulier, telefonisch overleg bedrijfsarts en bestudering/samenvatting ingebrachte stukken tijdens spreekuurcontact na afronding van het spreekuurcontact) is uitvoerig beschreven in het medische onderzoeksverslag.
4.3 Verweer op derde klachtonderdeel
Ook in deze deelklacht herkent verweerder zich niet. Verweerder verwijst hiervoor wederom naar het medisch onderzoeksverslag. Tijdens het spreekuurcontact werd duidelijk dat klager hele dagen werkt in zijn eigen bedrijf. Uit de ingebrachte stukken tijdens het spreekuurcontact bleek dat er meerdere berichten waren dat hij gesignaleerd was in zijn werkbus na de ziekmelding. Dit sluit aan bij de bevindingen tijdens het spreekuurcontact dat er geen aanwijzingen waren voor een evidente depressie in engere zin.
4.4 Verweer op vierde klachtonderdeel
Verweerder verwijst naar de bronnen welke zijn meegenomen in de beoordeling. Wederom wenst verweerder te verwijzen naar het medische onderzoeksverslag, waarin uitgebreid de informatiebronnen worden vermeld.
4.5 Verweer op vijfde klachtonderdeel
Verweerder bestrijdt dat er in strijd is gehandeld met de richtlijn ‘Communicatie met behandelaars’. Op uitdrukkelijk verzoek en met instemming van klager heeft verweerder per brief informatie opgevraagd bij de huisarts. In de brief aan de huisarts werd ook melding gemaakt van het feit dat klager hele dagen werkzaam was in zijn eigen bedrijf. De huisarts gaf aan dat er sprake was van ernstige stressklachten met suïcidale uitingen, zonder verder in te gaan op de door klager verstrekte informatie die niet paste bij de door huisarts geschetste ernst van de problematiek. Klager werkte volledig in zijn eigen bedrijf, inclusief klantencontact. Daarnaast was er sprake van een normaal dag- en nachtritme.
4.6 Verweer op zesde klachtonderdeel
Deze deelklacht wordt door verweerder gezien als culminatie van de vijf hiervoor vermelde
deelklachten. Verweerder heeft zijns inziens genoegzaam beargumenteerd op welke gronden
de overige vijf deelklachten geen doel treffen.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De klachtonderdelen hebben betrekking op de verzekeringsgeneeskundige rapportage van verweerder. Dit is een beknopte en zakelijke rapportage die antwoord geeft op de vraag of klager al dan niet arbeidsongeschikt is. Zoals verweerder heeft aangegeven is er naast deze rapportage ook een uitgebreider medisch onderzoeksverslag aangemaakt. Het is gebruikelijk dat niet alle medische informatie in de verzekeringsgeneeskundige rapportage is opgenomen, omdat deze onder het medisch beroepsgeheim valt. Het medisch onderzoeksverslag vermeldt daarentegen wel de feiten, omstandigheden en bevindingen op basis waarvan het advies tot stand is gekomen. Klager beschikt niet over dit medisch onderzoeksverslag. Het college is van oordeel dat verweerder hieromtrent geen verwijt valt te maken, aangezien verweerder klager en zijn advocaat in de gelegenheid heeft gesteld om deze rapportage in te zien en klager noch zijn advocaat hiervan gebruik hebben gemaakt. Nu het medisch onderzoeksverslag wel onderdeel is van de stukken in de onderhavige tuchtprocedure, wordt dit verslag hierna wel betrokken in het oordeel van het college.
5.3
Het college is van oordeel dat verweerder alle feiten, omstandigheden en bevindingen uitvoerig heeft beschreven en gewogen in het medisch verslag. De informatie in het medisch verslag oogt in eerste instantie tegenstrijdig met de informatie die de huisarts aan verweerder heeft verstrekt, namelijk dat klager ernstige stressklachten vertoont en suïcidale gedachten heeft. Verweerder heeft echter aangegeven dat deze klachten nimmer feitelijk zijn gediagnosticeerd in de zin van een geclassificeerde DSM-V stoornis. Verweerder heeft de voorgeschiedenis van klager wel geïnventariseerd en meegenomen in zijn medische verslaglegging. Het door de huisarts geschetste beeld kwam niet overeen met hetgeen verweerder zelf tijdens het onderzoek waarnam. Klager werkte immers volledig in zijn eigen bedrijf, had klantencontacten, reed rond in zijn bedrijfswagen en had een normaal dag- en nachtritme. Verweerder heeft naar het oordeel van het college dan ook voldoende gemotiveerd en geconcludeerd dat klager ten tijde van de te beoordelen datum op 11 april 2018 arbeidsgeschikt was. Het handelen en de medische verslaglegging van verweerder geven geen blijk van onjuiste onderzoeksmethodes, strijd met van toepassing zijnde richtlijnen of strijd met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard is aanvaard. Verweerder kan derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De klacht zal daarom in al zijn onderdelen ongegrond worden verklaard.
5.4
Het voorgaande leidt ertoe dat de klacht in al zijn onderdelen ongegrond is, zodat
als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:
verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond en wijst deze af.
Aldus gegeven door:
G. Tangenberg, voorzitter;
W.J. de Boer, lid-jurist;
F. Krijnen, lid-beroepsgenoot;
G.L. Bartels, lid-beroepsgenoot;
H. Donkers, lid-beroepsgenoot,
bijgestaan door N. Brouwer, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.
De secretaris: De voorzitter:
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.