ECLI:NL:TGZRGRO:2018:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/89

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:70
Datum uitspraak: 27-11-2018
Datum publicatie: 27-11-2018
Zaaknummer(s): G2018/89
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen bedrijfsarts wegens tegenstrijdige adviezen over de arbeidsongeschiktheid van klager. De bedrijfsarts wist op het moment van zijn onderzoek dat er bij klager sprake was van een al voorafgaande aanwezige aandoening. Hij heeft daarna zijn regiefunctie niet goed uitgevoerd door onvoldoende onderzoek te doen naar klagers herstelproces en door geen informatie op te vragen bij de behandelende sector. Klacht gegrond, berisping.

Rep.nr. G2018/89

27 november 2018

Def. 223

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:

A,

klager,

wonende te B,

advocaat: mr. B. van Dijk,

tegen

C ,

werkzaam als bedrijfsarts te D,

verweerder,

BIG-reg.nr: ,

advocaat: mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek.

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift van 4 juli 2018, ingekomen op 5 juli 2018;

- het verweerschrift 25 juli 2018, ingekomen op 26 juli 2018;

- de repliek van 17 augustus 2018, ingekomen op 20 augustus 2018;

- de dupliek van 31 augustus 2018, ingekomen op 3 september 2018.

In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 16 oktober 2018. Klager is niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn advocaat. Verweerder is in persoon verschenen, vergezeld door zijn advocaat.

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klager is werkzaam als beveiliger in een tbs-kliniek. Op 8 maart 2018 heeft hij zich ziek gemeld bij zijn werkgever, nadat hij al gedurende langere tijd kampte met spannings- en vermoeidheidsklachten. Daarvoor was klager reeds onder behandeling bij een psycholoog. Mede vanwege een negatief verlopen beoordelingsgesprek op 6 maart 2018 namen de klachten van cliënt verder toe en wel zodanig dat hij zich zowel fysiek als psychisch niet meer in staat achtte om zijn werkzaamheden op een behoorlijke wijze te blijven verrichten.

2.2

Op 28 maart vond het eerste consult met verweerder plaats. In zijn terugkoppelingsverslag schrijft verweerder onder meer:

"Betrokkene is uitgevallen vanwege duidelijke klachten. Deze klachten zijn waarneembaar en hinderen betrokkene. (...) De werksituatie wordt door betrokkene als onplezierig ervaren en leidt tot klachten. Toch is wel sprake van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte. Omdat de aandoening welke een gevaar voor werknemer zelf kan vormen en welke al voorafgaand aanwezig was in ernst is toegenomen waarvoor hij zich onder behandeling heeft moeten stellen. (...)"

Verweerder achtte klager arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte en adviseerde tevens een 'afkoelingsperiode' van twee weken waarna werkgever en werknemer in gesprek met elkaar dienden te gaan over de door werknemer ervaren situatie. Er werd geen vervolgconsult gepland.

2.3

Na afloop van deze periode riep de werkgever cliënt op om zijn werkzaamheden te hervatten. Klager heeft toen telefonisch contact gezocht met verweerder, omdat hij zich nog niet in staat achtte om zijn werk weer te hervatten. Verweerder heeft vervolgens op 17 april 2018 – zonder klager opnieuw op te roepen – geoordeeld dat klager arbeidsgeschikt is. In het terugkoppelingsverslag van diezelfde datum vermeldt verweerder:

"(...) Alhoewel er [op het vorige spreekuur] geen sprake was van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte, is toen een korte 'afkoelperiode' in acht genomen (...). Werknemer heeft mij benaderd en wederom aangegeven zich niet in staat te voelen om te kunnen werken. Daar er geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen, acht ik werknemer niet arbeidsongeschikt wegens ziekte. (...)".

Hierna is geen vervolgconsult gepland.

3. De klacht

De klachten luiden – zakelijk weergegeven – als volgt. Verweerder heeft onzorgvuldig en niet conform de professionele standaard gehandeld door:

1. in zijn terugkoppelingsverslag van 28 maart 2018 een onduidelijk advies te geven over de arbeidsongeschiktheid van klager;

2. in het verslag van 17 april 2018 tegenstrijdig aan het verslag van 28 maart 2018 te rapporteren, althans terug te komen van zijn eerdere advies zonder dat daar (kenbare) redenen voor zijn;

3. in zijn terugkoppelingsverslag van 17 april 2018 een onjuist advies te geven, wat slechts gebaseerd was op een kort telefoongesprek;

4. naar aanleiding van het telefoongespek met klager op 17 april 2018 geen interventie te indiceren en initiëren, nu verweerder had moeten bemerken dat het herstelproces van klager stagneerde;

5. ten onrechte geen informatie op te vragen bij de behandelende sector;

6. geen, althans onjuist of onvoldoende toepassing te geven aan de 'Richtlijn Handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen';

7. het niet informeren van klager omtrent de mogelijkheid een second opinion aan te vragen (conform de Arbowet en het Arbobesluit sinds 1 juli 2017) en om mee te werken aan een second opinion.

4. Het verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

4.1 Verweer op eerste klachtonderdeel

Verweerder is zich ervan bewust, dat achteraf bezien hetgeen hij in het terugkoppelingsverslag van 28 maart 2018 heeft genoteerd – meer specifiek de zinsnede: 'arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte' – ook anders geïnterpreteerd kan worden. Zoals uit het feitenrelaas blijkt, in het bijzonder uit de aantekening van het consult van 28 maart 2018, heeft verweerder in het gespreksverslag proberen toe te lichten dat hij klager op dat moment wel arbeidsongeschikt achtte, omdat er heftige emoties speelden en reeds bestaande klachten gingen opspelen. Verweerder heeft met hetgeen hij in het gespreksverslag heeft genoteerd niet bedoeld dat de arbeidsongeschiktheid primair veroorzaakt zou zijn door een medische aandoening, zoals eveneens door hem is weergegeven in het gespreksverslag. Desalniettemin betreurt verweerder het dat dit tot onduidelijkheid heeft geleid bij klager. Verweerder stelt zich wel op het standpunt dat een en ander door hem duidelijk is uitgelegd aan klager. Dit blijkt ook uit de volgende aantekeningen van verweerder:

"heb afgesproken dat de STECR richtlijn wordt gevolgd en dat er twee weken afkoeling wordt toepast."en "Wn geadviseerd in overleg te gaan met de organisatie over een oplossing omdat ongewijzigd de klachten weer terugkomen. Wg geïnformeerd."

Verweerder realiseert zich thans dat een dergelijke formulering – zoals gedaan in het gespreksverslag – tot onduidelijkheid kan leiden bij een werknemer. In de toekomst zal hij een dergelijke formulering niet meer gebruiken. Desalniettemin is verweerder van mening dat dit geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert, doordat hij het een en ander duidelijk aan klager heeft uitgelegd tijdens het spreekuur. Bovendien heeft, naar verweerder heeft begrepen, de werkgever klager bij brief gewezen op het feit dat het verzuim eindigt op 11 april 2018. Naar aanleiding van dit bericht heeft klager geen aanleiding gezien duidelijkheid te vragen aan verweerder.

4.2 Verweer op tweede klachtonderdeel

Verweerder heeft zowel op 28 maart 2018 als op 17 april 2018 eenzelfde visie gehad over de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van klager, hoewel dit in het eerste gespreksverslag wellicht niet geheel duidelijk is omschreven. Er is dus geen sprake van tegenstrijdig rapporteren.

4.3 Verweer op derde klachtonderdeel

Verweerder weet niet meer hoelang het telefoongesprek duurde, maar in elk geval lang genoeg om te constateren dat er naar aanleiding van het verhaal van klager – waar hij goed naar heeft geluisterd – geen nieuwe gezichtspunten naar voren kwamen. Klager was niet meer arbeidsongeschikt. Om die reden zag hij ook geen aanleiding klager opnieuw voor een consult te roepen. Verweerder is van mening dat hij een juist advies heeft gegeven. Hij bemerkte tijdens het telefonisch consult dat klager het niet eens was met zijn conclusie. Wellicht had hij er beter aan gedaan klager wel voor een consult te laten komen, om zo klager een beter gevoel te geven. Verweerder heeft hierop geadviseerd een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UVW, nu hij het niet eens was met verweerder. Uit de rapportage van het UVW blijkt dat ook de verzekeringsarts van mening is dat verweerder een juist oordeel heeft gevormd over klager en een juist advies heeft gegeven: "De klachten zijn derhalve niet aan te merken als ziekte conform de STECR richtlijn die de BA [verweerder] heeft gehanteerd." en "Cliënt is per geschildatum 11 april 2018 wel geschikt te achten voor het eigen werk, omdat de klachten voortkomen uit een arbeidsconflict".

4.4 Verweer op vierde en zesde klachtonderdeel

In casu was geen sprake van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, waardoor de STECR richtlijn van toepassing was en niet de NVAB richtlijn 'Handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen'. Verweerder heeft dan ook terecht geen interventie geïndiceerd dan wel geïnitieerd, omdat hij in dat kader geen rol had.

4.5 Verweer op vijfde klachtonderdeel

Verweerder zag geen aanleiding om contact op te nemen met de huisarts of de praktijkondersteuner GGZ (POH-GGZ), nu hij de POH-GGZ al op 21 maart 2018 had gesproken en uit het gesprek met klager op 17 april 2018 niets nieuws naar voren kwam. Bovendien rust op verweerder niet de plicht om navraag te doen bij de behandelaren. Het is aan het professionele oordeel van de arts zelf voorbehouden om dat al dan niet te doen. Daarnaast heeft klager er ook niet op aangedrongen bij verweerder dat hij de behandelaren zou benaderen.

4.6 Verweer op zevende klachtonderdeel

Beide stellingen zijn volgens verweerder onjuist. Zoals uit de aantekening in het medisch dossier blijkt, heeft verweerder klager wel degelijk tijdens het telefonisch consult gewezen op de mogelijkheid een second opinion in te winnen door middel van onder andere een deskundigenoordeel bij het UWV. Van een verzoek om een second opinion aan de werkgever is bij verweerder niets bekend. Het verzoek aan verweerder om een second opinion heeft verweerder nog diezelfde dag doorgegeven aan E, de opdrachtgever van verweerder. Verweerder heeft hierover een e-mail met een verzoek van ontvangstbevestiging gestuurd aan de belangenbehartiger van klager, maar daar geen reactie op ontvangen.

5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Beoordeling eerste klachtonderdeel

Uit de schriftelijke stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling ter zitting naar voren is gekomen, is duidelijk geworden dat er sprake is van een al langer lopend arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever. Klager is daarnaast bekend met spanningsklachten waarvoor hij al onder behandeling stond. Verweerder heeft na het eerste consult van klager op 28 maart 2018 gerapporteerd dat klager “arbeidsongeschikt is wegens een al voorafgaande aanwezige aandoening die in ernst is toegenomen en die een gevaar kan vormen voor werknemer”. Naar het oordeel van het college mocht klager – gelet op deze motivering van het advies en het feit dat klager inderdaad al langer voor spanningsklachten werd behandeld, welke klachten waren toegenomen – erop vertrouwen dat verweerder klager op medische gronden arbeidsongeschikt achtte. In verband daarmee mocht klager er evenzeer op vertrouwen dat verweerder een begeleidingstraject zou inzetten. Dat heeft verweerder nagelaten. Dat daarnaast in verband met het arbeidsconflict de STECR-richtlijn werd gevolgd, een afkoelingsperiode in acht genomen moest worden en klager en werkgever werd geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan, doet daaraan niet af.

Toen klager na ommekomst van de afkoelingsperiode van veertien dagen door zijn werkgever werd opgeroepen zijn werk te hervatten, heeft hij contact opgenomen met verweerder. Verweerder heeft daarop klager alleen telefonisch aangehoord en heeft klager niet opgeroepen voor een consult. Waar verweerder – zoals hij in deze procedure heeft betoogd – van meet af aan van oordeel is geweest dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid wegens een al voorafgaande aanwezige aandoening, had het op zijn weg gelegen dit ondubbelzinnig aan klager kenbaar te maken. Dat hij dat heeft nagelaten, en klager niet in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren, en zich er – naar eigen zeggen – uitsluitend op heeft gericht of hij andersluidende informatie van klager kreeg, rekent het college hem in tuchtrechtelijke zin aan. Gezien het eerste advies mocht klager erop vertrouwen dat er wel sprake was van arbeidsongeschiktheid wegens een al voorafgaande aanwezige aandoening, en dat hij weigerde zijn werk te hervatten is dan begrijpelijk. Het optreden van verweerder heeft daarmee bijgedragen aan verdieping van het arbeidsconflict tussen klager en zijn werkgever.

5.3 Beoordeling tweede en derde klachtonderdeel

Verweerder geeft nu achteraf aan dat hij klager bij zijn eerste beoordeling op 28 maart 2018 wel arbeidsgeschikt achtte, maar dat hij dit onduidelijk heeft opgeschreven. Zoals hiervoor is overwogen, mocht klager op dat ondubbelzinnige oordeel, bij de eerste beoordeling op 28 maart 2018, afgaan. Dat geldt temeer omdat verweerder vervolgens in zijn medisch advies en brieven aan de raadsman van klager consequent herhaalt dat hij klager op 28 maart 2018 arbeidsongeschikt achtte wegens ziekte. Zo er dus al sprake van is geweest dat verweerder anders dan hij bedoelde heeft gesproken én geschreven over arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, had hij bij verschillende gelegenheden de mogelijkheid om die onduidelijkheid bij klager en werkgever weg te nemen of die vergissing te herstellen. Verweerder heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij die vergissing na zijn eerste beoordeling op 28 maart 2018 en in aansluiting op het gesprek met klager op 17 april 2018 niet heeft gecorrigeerd.

Gelet op de verstrekkende rechtsgevolgen lag het op de weg van verweerder het onderscheid tussen ‘arbeidsongeschiktheid wegens ziekte’ en ‘uitval vanwege een arbeidsconflict’ volstrekt helder te hanteren en daarover zorgvuldig in zijn advies te rapporteren. Het enkele telefoongesprek op 17 april 2018 volstond daartoe niet.

5.4 Vierde, vijfde en zesde klachtonderdeel

Gelet op het feit dat klager erop mocht vertrouwen dat verweerder in eerste instantie heeft geoordeeld dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een al voorafgaande aanwezige aandoeningdie in ernst is toegenomen, had verweerder toepassing dienen te geven aan de 'Richtlijn Handelen van de bedrijfsarts bij werkenden met psychische problemen'. Dit volgt uit hoofdstuk 1. 'Probleemoriëntatie en diagnostiek' van voorgenoemde richtlijn, waarin staat dat begeleiding volgens deze richtlijn dient te verlopen als de werkende lijdt aan spannings- en vermoeidheidsklachten en depressie (suïcidale gedachten), zoals klager zich in casu presenteerde. Uit deze richtlijn volgt voorts dat verweerder in casu een regiefunctie had. Hij had aldus dienen te checken of er een follow up had plaatsgevonden. Dit heeft verweerder nagelaten.Verweerder is er naar het oordeel van het college eveneens ten onrechte van uitgegaan dat klager enkel onder begeleiding stond van een POH-GGZ. Als verweerder actief de huisarts had geconsulteerd dan had hij kunnen weten dat klager was doorverwezen naar een GZ-psycholoog. Ook is verweerder niet ingegaan op het signaal van klager dat hij zich op 17 april 2018 nog onvoldoende in staat voelde om zijn werk te hervatten. Verweerder had klager uitvoeriger moeten onderzoeken om te beoordelen of er stagnatie was in het herstelproces van klager en of er een interventie noodzakelijk was, en of het nader raadplegen van de behandelende sector in dat verband noodzakelijk was. Verweerder heeft hierop geen adequaat onderzoek verricht; het enkele telefoongesprek, op initiatief van klager, is daartoe niet toereikend. Het college is van oordeel dat verweerder op deze klachtonderdelen eveneens is tekortgeschoten.

5.5 Zevende klachtonderdeel

Klager verwijt verweerder ten slotte dat hij hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid van een second opinion. Het college maakt echter uit de aantekening in het medisch dossier op dat verweerder klager tijdens het telefonisch consult wel heeft gewezen op de mogelijkheid een second opinion in te winnen door middel van onder andere een deskundigenoordeel bij het UWV. Dat klager van deze mogelijkheid gebruikt heeft gemaakt en dat verweerder hieraan direct gevolg heeft gegeven blijkt uit een bevestigende e-mail van verweerder, waarin hij aangeeft het verzoek door te hebben gegeven aan E (de opdrachtgever van verweerder). Het verweer op dit punt wordt niet door klager weersproken. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

6. Slotsom en motivering van de maatregel

Het college is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de eerste zes klachtonderdelen onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld. Het gaat om een optelsom van cruciale zaken waarop verweerder laakbaar is tekortgeschoten. Verweerder heeft een tegenstrijdig advies gegeven over het al dan niet arbeidsongeschikt zijn van klager, zonder dit op correcte wijze recht te zetten in een later stadium. Daarnaast heeft hij zijn regiefunctie niet goed uitgevoerd – wetende dat er een al voorafgaande aanwezige aandoening was – door onvoldoende onderzoek te doen naar klagers herstelproces. Naar aanleiding van de stukken en de wijze waarop verweerder zich tijdens de zitting heeft uitgelaten, heeft het college niet de indruk verkregen dat verweerder voldoende inzicht heeft in zijn eigen handelen. Dit bij elkaar genomen brengt het college tot het oordeel dat een enkele waarschuwing niet volstaat. Het college legt daarom, met gegrondverlaring van de eerste zes klachtonderdelen, aan verweerder de maatregel van een berisping op. Het zevende klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard en afgewezen.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart het zevende klachtonderdeel ongegrond en wijst deze af;

verklaart het eerste tot en met het zesde klachtonderdeel gegrond en legt daarvoor de

maatregel van een berisping op.

Aldus gegeven door:

G. Tangenberg, voorzitter;

W.J. de Boer, lid-jurist;

F. Krijnen, lid-beroepsgenoot;

G.L. Bartels, lid-beroepsgenoot;

H. Donkers, lid-beroepsgenoot,

bijgestaan door N. Brouwer, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.