ECLI:NL:TGZRGRO:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/83

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:69
Datum uitspraak: 27-11-2018
Datum publicatie: 27-11-2018
Zaaknummer(s): G2018/83
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen huisarts. Verweerster had klager eerst naar ziekenhuis A verwezen voor een ingreep en daarna – omdat de ingreep toch niet in ziekenhuis A kon worden verricht – naar ziekenhuis B. Van dit laatste had zij klager abusievelijk niet op de hoogte gesteld. Klager kreeg een tweede oproep (van ziekenhuis B) zonder dat hij wist dat de eerdere oproep (van ziekenhuis A) was komen te vervallen. Dit verwijt hij verweerster. Het college begrijpt dat de vergissing van verweerster vervelend is geweest voor klager, maar wijst de klacht af als zijnde van onvoldoende gewicht voor een tuchtrechtelijk verwijt.

Rep.nr. G2018/83

27 november 2018

Def. 222

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:

a,

klager,

wonende te B,

tegen

C,

werkzaam als huisarts te B,

verweerster,

BIG-reg.nr:

gemachtigde: mr. E.E. Rippen.

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift van 26 juni 2018, ingekomen op 27 juni 2018;

- het verweerschrift met bijlagen van 24 augustus 2018, ingekomen op 27 augustus 2018.

In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

De klacht is behandeld in raadkamer.  

2. De klacht

Klager verwijt verweerster dat zij verzuimd heeft hem mee te delen dat hij niet meer naar het D te E hoefde te gaan om geopereerd te worden, maar dat de operatie plaats zou vinden in het ziekenhuis (hierna: ziekenhuis). Klager heeft wel een oproep gehad voor een afspraak in het ziekenhuis, maar heeft deze afspraak afgezegd omdat hij niet wist dat verweerster hem na overleg met het D naar het ziekenhuis had verwezen. Als klager van die verwijzing op de hoogte was gesteld, dan was hij in het ziekenhuis eerder aan de beurt geweest, had hij geen extra kosten hoeven maken (voor vervangend personeel en brandstof), had zijn vrouw geen dag vrij hoeven nemen en was zijn vertrouwen in de huisarts niet geschaad.

3. Het verweer

Verweerster heeft klager op verzoek van de uroloog uit D verwezen naar het ziekenhuis omdat de gewenste ingreep in verband met zijn sub-hemofilie niet in het D te E uitgevoerd kon worden. De uroloog van het D heeft dit op 1 februari 2018 telefonisch aan haar medegedeeld. Het verbaast verweerster dat het D de behandelafspraak aldaar niet heeft afgezegd. Verweerster heeft abusievelijk daarna nagelaten klager zelf van deze wijziging op de hoogte te stellen, waardoor hij tevergeefs naar het D te E is afgereisd. Het spijt verweerster oprecht dat het zo gelopen is. Zij biedt klager haar verontschuldigingen aan en ook een gesprek in de hoop het vertrouwen te herstellen. Zij heeft ervan geleerd de patiënt ook altijd te informeren. Zij is echter van mening dat dit nalaten niet zodanig ernstig is dat haar daarvoor een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4. Beoordeling van de klacht

4.1

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardige geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard is aanvaard.

De vraag die aan het college voorligt, is of de klacht gegrond is en of er een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2

Het college acht de klacht op zich gegrond, maar van onvoldoende gewicht om een tuchtrechtelijke maatregel te rechtvaardigen. Het is vervelend voor klager dat zijn behandeling vertraging heeft opgelopen en dat hij bijkomend ongemak heeft ondervonden door de handelwijze van verweerster. Echter, dit levert geen strijdigheid op met een specifiek voorschrift of een aanvaarde norm in de gezondheidszorg. Om die reden zal de klacht worden afgewezen.

5. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

wijst de klacht als zijnde van onvoldoende gewicht af.

Aldus gegeven door:

G. Tangenberg, voorzitter;

W.J. de Boer, lid-jurist;

F. Krijnen, lid-beroepsgenoot;

G.L. Bartels, lid-beroepsgenoot;

H. Donkers, lid-beroepsgenoot,

bijgestaan door N. Brouwer, secretaris,

en op 27 november 2018 ondertekend door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, en L.C. Commandeur, secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.