Overheid.nl

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Terug naar zoekresultaten

ECLI:
ECLI:NL:TGZRGRO:2018:62
Datum uitspraak:
16-10-2018
Datum publicatie:
16-10-2018
Zaaknummer(s):
G2018/74
Onderwerp:
Geen of onvoldoende zorg
Beroepsgroep:
Arts
Beslissingen:
Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:
 Klacht tegen psychiater. Klaagster verwijt verweerder dat hij tijdens hun behandelrelatie – die inmiddels beëindigd is – ten onrechte heeft gemeend dat zij psychotisch/schizofreen is en dat hij weigert haar op haar verzoek het medisch dossier te verstrekken. Het college is van oordeel dat alles overziend niet gebleken is dat verweerders diagnose onjuist is geweest. Daarnaast is wel gebleken dat klaagster – voordat zij haar medisch dossier opvroeg – zelf aan verweerder heeft gevraagd haar medisch dossier te vernietigen. Nu verweerder hieraan gevolg heeft gegeven, kan het hem niet worden verweten dat hij niet langer in staat is om klaagster haar medisch dossier toe te zenden. De klacht is in beide onderdelen kennelijk ongegrond.

 

Rep.nr. G2018/74

16 oktober 2018

Def. 169

 

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DEGEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

 

 

Beslissing op de klacht van:

 

 

 

a,

klaagster,

wonende te B,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

C,

werkzaam als psychiater te B,

verweerder,

BIG-reg.nr:,

advocaat: mr. C. Grondsma.



1. Verloop van de procedure

 

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het ongedateerde klaagschrift, ingekomen op 7 juni 2018;

- het verweerschrift met bijlagen van 3 juli 2018, ingekomen op 4 juli 2018;

- de repliek van 20 juli 2018, ingekomen op 24 juli 2018.

 

De klacht is behandeld in raadkamer.  

 

2. Vaststaande feiten

           

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

 

2.1

Verweerder is als psychiater werkzaam in B alwaar hij een eigen praktijk heeft.

Klaagster is sinds 1996 viermaal gedurende een bepaalde periode onder behandeling geweest bij verweerder. In september 2014 wordt de behandelrelatie met verweerder op klaagsters initiatief beëindigd.

 

2.2

Bij brief van 3 mei 2015 verzoekt klaagster verweerder haar behandeldossier te vernietigen.

 

2.3

Ondanks dat ze eerder de behandelrelatie tussen hen beiden had beëindigd, zoekt klaagster in de periode vanaf 2015 regelmatig contact met verweerder over een persoon met wie zij in telepathisch contact zou staan. In 2017 zoekt verweerder contact met het FACT-team van de D. te B, met het verzoek bemoeizorg op te starten voor klaagster. Samen met een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het Sociaal Team te B. legt verweerder een huisbezoek af bij klaagster, waarna klaagster onder behandeling is gekomen bij het FACT-Team.

 

 

 

 

2.4

In maart 2018 ontving verweerder een e-mail van klaagster die hem aanleiding gaf om opnieuw om bemoeizorg voor klaagster te verzoeken. Klaagster is vervolgens bezocht in dit verband en bereid gevonden antipsychotica in te nemen, omdat er anders een rechterlijke machtiging zou worden aangevraagd.

 

3. De klacht

 

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

 

Klaagster verwijt verweerder dat hij:

1.      valsheid in geschrifte heeft gepleegd door in klaagsters dossier op te nemen dat klaagster psychotisch en/of schizofreen zou zijn geweest, terwijl hij wist dat er in werkelijkheid wat anders speelde;

2.      na herhaaldelijk vragen nog steeds geen kopie van klaagsters behandeldossier naar haar heeft gestuurd.

 

4. Het verweer



4.1

Verweerders beschrijving van de medische voorgeschiedenis

Klaagster wordt voor het eerst door verweerder behandeld van 1996 tot eind maart 1997. Klaagster krijgt pessotherapie, later in combinatie met partnerrelatietherapie. De behandeling wordt ook weer afgesloten.

De tweede behandelperiode vindt plaats van mei 2002 tot mei 2003. Klaagster vertoont in deze periode voor het eerst een sensitieve betrekkingswaan. Bij het beëindigen van dit behandeltraject geeft verweerder klaagster op haar verzoek inzage in haar dossier en eveneens psycho-educatie.

De derde behandelperiode vindt plaats van februari 2005 tot november 2012. Klaagster wordt argwanender tegen haar vrienden en meent dat ze paranormale gaven heeft. In 2004 scheidt ze van haar echtgenoot en gaat deze in E. wonen. Klaagster krijgt conflicten met vrienden, bekenden en haar zoon. Verweerder geeft haar psycho-educatie en beweegt klaagster ertoe olanzapine en fluoxetine in te nemen, wat een goed resultaat heeft. Klaagster kan echter moeilijk gemotiveerd worden de medicatie trouw in te nemen.

De vierde behandelperiode vindt plaats van februari 2013 tot en met september 2014. In de loop van 2013 staakt klaagster tegen het advies in de medicatie en maakt twee ingrijpende gebeurtenissen mee. In deze periode wordt zij tevens behandeld door de Pi-groep (een maatschappelijke organisatie voor de geestelijke gezondheid en integratie). Klaagster is depressief en heeft een verharde waan. Ze vertelt en schrijft steeds meer over ene F, die met haar in telepathisch contact zou staan. Ten aanzien van hem heeft klaagster diverse hallucinaties. Klaagster heeft geen ziektebesef en op haar initiatief wordt de behandelrelatie tussen klaagster en verweerder in september 2014 beëindigd. Klaagster wil graag behandeld worden door een religieuze instelling. In 2015 wordt zij behandeld door G, een christelijke geestelijke gezondheidszorginstelling te B.

Op 3 mei 2015 verzoekt klaagster verweerder schriftelijk om vernietiging van haar dossier. Ze begint verweerder in deze periode te betrekken bij haar waan. Ze vraagt verweerder om hulp in verband met haar telepathische contacten met F. Klaagster belt verweerder dermate vaak dat hij uiteindelijk haar telefoonnummer blokkeert. Ook moet hij zijn praktijkvoicemail uitzetten. Klaagster stuurt hem diverse dreigbrieven en ook e-mailberichten. Eenmaal dringt ze verweerders praktijk binnen met een zeer dreigende houding, waarop het verweerder lukt haar uitgeleide te doen. Omdat het verweerder niet lukt klaagsters lijden (als gevolg van de telepathische beïnvloeding door F.) te doorbreken, dreigt zij met het indienen van klachten bij diverse instellingen.

In 2017 zoekt verweerder contact met het FACT-team van D. te B, omdat hij vindt dat de situatie dusdanig is dat bemoeizorg geïndiceerd is. Verweerder wordt benaderd door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam bij het Sociaal Team te B. Samen leggen ze een huisbezoek bij klaagster af. Afgesproken wordt dat klaagster wordt aangemeld bij het FACT-team. Klaagster heeft echter nauwelijks ziektebesef en is ook nauwelijks bereid medicatie in te nemen. Er vindt vanaf nu wel regelmatig behandeling door het FACT-team plaats.

Op 22 maart 2018 ontvangt verweerder weer een e-mail van klaagster over F. Wederom zoekt verweerder contact met het FACT-team met het verzoek klaagster te helpen door middel van bemoeizorg. Per e-mail verneemt hij dat dit ook is gebeurd en wat er is afgesproken met klaagster.  

 

4.2 Reactie op de klacht

Ad 1.

Dit verwijt is onvoldoende gespecificeerd om deugdelijk verweer tegen te kunnen voeren. Bovendien is klaagsters dossier op haar eigen verzoek al in 2015 vernietigd. Voor zover al op dit klachtonderdeel gereageerd kan worden, merkt verweerder op dat de door hem in het verleden gestelde diagnoses ten aanzien van klaagster correct waren.

Ad 2.

Verweerder heeft klaagster dossier op haar eigen verzoek vernietigd en kan haar derhalve geen kopie meer verstrekken.

 

5. Beoordeling van de klacht

 

5.1 Eerste klachtonderdeel

Klaagster verwijt verweerder dat hij van mening is dat zij psychotisch en/of schizofreen is. Klaagster stelt dat verweerder hiermee het bestaan van bepaalde verschijnselen ten onrechte niet erkent dan wel niet open kaart speelt. Welke verschijnselen dat zijn, wordt niet duidelijk uit het klaagschrift, noch uit de repliek. Uit de bijlagen bij het verweerschriften kan worden opgemaakt dat de ‘verschijnselen’ waaraan klaagster refereert haar telepathische contacten met F. betreffen, waar verweerder in het verweerschrift ook van uit is gegaan. Hierover merkt het college het volgende op. Klaagster heeft haar standpunt tegenover het college onvoldoende onderbouwd en het dossier biedt – omdat dit vernietigd is - evenmin aanknopingspunten voor de juistheid van hetgeen zij stelt. Daarentegen vindt verweerders visie omtrent klaagsters toestandsbeeld naar het oordeel van het college wel degelijk steun in de stukken. Dit betekent dat het eerste klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.  

 

5.2 Tweede klachtonderdeel

Aan het verweerschrift is een brief, gedateerd 3 mei 2015, van klaagster aan verweerder toegevoegd waarin zij hem verzoekt om vernietiging van haar dossier. Verweerder stelt dat hij hieraan gevolg heeft gegeven, wat niet weersproken is door klaagster. Nu er geen dossier meer is, kan verweerder klaagster onmogelijk een afschrift daarvan toesturen. Reeds hierdoor faalt ook dit tweede klachtonderdeel.   



 

6. Slotsom

 

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klacht in zijn geheel als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen.

 

7. Beslissing

           

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht kennelijk ongegrond en wijst deze af.

 

Aldus gegeven door:

J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,

J.M.C. van Dam, lid-beroepsgenoot,

H.J. Kolthof, lid-beroepsgenoot

bijgestaan door L.C. Commandeur, secretaris,

 

en op 16 oktober 2018 ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

 

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

 

 

 

 

 

 

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.

 

Meer informatie

Acties

Meta gegevens