ECLI:NL:TGZRGRO:2018:53 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/29
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2018:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-08-2018 |
| Datum publicatie: | 07-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | G2018/29 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klager verwijt verweerster dat zij hem onheus bejegend heeft, dat zij onvoldoende medische kennis heeft en onhygiënisch handelt door onder meer geen handschoenen te dragen tijdens het verrichten van medische handelingen. Wat betreft de onheuse bejegening geldt dat de lezingen van partijen uiteen lopen en het college niet kan vaststellen welke de juiste is. Voor het verwijt dat verweerster onvoldoende medische kennis heeft geldt dat dit evenmin is komen vast te staan. Het niet dragen van handschoenen tijdens het verrichten van bepaalde medische handelingen is echter niet in lijn met de huidige inzichten op het gebied van een verantwoorde infectiepreventie en kan verweerster tuchtrechtelijk verweten worden. De klacht is gedeeltelijk gegrond, waarschuwing. Deze zaak hangt samen met de procedures met kenmerk G2018/27 en G2018/28. |
Rep.nr. G2018/29
7 augustus 2018
Def. 138
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE GRONINGEN
Beslissing op de klacht van:
A,
klager,
wonende te B,
tegen
C,
werkzaam als huisarts te B,
verweerster,
BIG-reg.nr:
1. Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen van 27 februari 2018, ingekomen op 28 februari 2018;
- het verweerschrift met bijlagen van 10 maart 2018, ingekomen op 5 april 2018;
- de repliek met bijlagen van 9 april 2018, ingekomen op 13 april 2018;
- de dupliek van 21 april 2018, ingekomen op 24 april 2018;
- het relevante deel van het medisch dossier, ingekomen op 1 juni 2018.
In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
De klacht is behandeld ter openbare zitting van 26 juni 2018. Partijen zijn verschenen. Klager werd vergezeld door zijn echtgenote.
Deze zaak hangt nauw samen met twee andere klachten van klager, die tegelijkertijd met deze zijn ingediend. Die klachten, bekend onder de kenmerken G2018/27 en G2018/28, zijn gezamenlijk met de onderhavige klacht op zitting behandeld.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
Verweerster is werkzaam als huisarts en neemt tijdens vakantieperiodes geregeld waar in een duopraktijk in B. Klager, tot oktober 2017 ingeschreven als patiënt bij deze praktijk, wordt in 2017 tweemaal door verweerster gezien vanwege een niet genezend bunion aan zijn teengewricht.
3. De klacht
3.1 Klagers – zakelijk weergegeven – beschrijving van de gang van zaken
Nadat klager al door een van de vaste huisartsen van de praktijk is gezien vanwege een geïnfecteerd bunion aan zijn teengewricht wordt hij in augustus 2017 door verweerster gezien. Hoewel de afspraak om 13.00 uur is gepland, moet klager tot 13.12 uur wachten totdat verweerster klaar met lunchen is. Vervolgens riep ze een paar keer hard zijn achternaam terwijl ze achter haar bureau bleef zitten. Haar opstelling is hautain en onfatsoenlijk en haar werkwijze slordig, onhygiënisch en medisch onprofessioneel. Zo heeft ze nog nooit van een bunion gehoord en voert ze de ingreep, het uitzuigen van het bunion en het plaatsen van een injectie in het bunion, uit zonder handschoenen te dragen. Dit terwijl ze haar handen evenmin gewassen heeft en ze vlak daarvoor nog aan haar (onhygiënische) toetsenbord zat.
In oktober 2017 wordt klager wederom door verweerster gezien. Hij wordt niet begroet bij binnenkomst en verweerster onderzoekt wederom zonder handschoenen en zonder haar handen te hebben gewassen het ontstoken bunion.
3.2 Het verwijt
Klager verwijt verweerster – zakelijk weergegeven – dat zij:
1. zich arrogant en onprofessioneel gedragen heeft jegens klager,
2. onvoldoende medische kennis heeft en
3. onhygiënisch heeft gehandeld door geen handschoenen te dragen bij een medische handeling en haar handen niet te wassen.
4. Het verweer
Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
Verweerster heeft wel degelijk eerder van het verschijnsel ‘bunion’ gehoord en weet dat dit veelvoorkomend is bij een hallux valgus. De term bunion kende ze echter nog niet.
Verweerster bestrijdt dat ze medische kennis ontbeert. Evenmin heeft ze zich arrogant gedragen jegens klager. Ze heeft zich vriendelijk opgesteld jegens hem.
Het middagspreekuur in augustus 2017 begon inderdaad wat later dan gepland, omdat verweerster een broodje zat te eten. Daar had ze eerder geen tijd voor en dit vindt ze niet verwijtbaar. Verweerster bestrijdt evenwel dat ze klager van achter haar bureau heeft geroepen uit de wachtkamer. Ze haalt patiënten altijd op en de voor haar onbekende patiënten krijgen altijd een hand.
Wat het dragen van handschoenen betreft: die draag je ter bescherming van jezelf en niet voor de patiënt, tenzij je ergens werkt waar kans is op besmetting met de ziekenhuisbacterie.
De toetsenborden worden elke dag afgenomen met alcohol en de handen worden voor en na elke ingreep ook met alcohol uit een dispenser gewassen, ook als er handschoenen gedragen worden. Misschien heeft klager verweerster haar handen niet zien wassen, omdat de dispenser in de behandelkamer achter een gordijn hangt.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2 Eerste klachtonderdeel: bejegening
Wat betreft de wijze waarop verweerster klager tijdens de twee consulten heeft bejegend lopen de lezingen van klager en verweerster uiteen. Nu uit de stukken niet kan worden afgeleid welke lezing de juiste is, kan het college niet tot de vaststelling komen dat de klacht op dit punt gegrond is. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan het woord van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college, ook als aan het woord van klager en verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
5.3 Tweede klachtonderdeel: onvoldoende medische kennis
Het enkele feit dat verweerster de term ‘bunion’ niet kende tijdens het eerste consult is onvoldoende om aan te nemen dat verweersters medische kennis in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar beneden de maat is. Nu de juistheid van klagers verwijt ook niet op andere wijze is gebleken, zal dit tweede klachtonderdeel ook ongegrond worden verklaard.
5.4 Derde klachtonderdeel: handen niet wassen en geen handschoenen tijdens behandeling
Dat verweerster haar handen niet zou hebben gewassen, wordt door haar betwist. Hier geldt – net als bij het eerste klachtonderdeel – dat de lezingen van beide partijen verschillen en het college niet kan vaststellen welke lezing de juiste is.
Wat betreft het niet dragen van handschoenen, geldt dat echter niet. Verweerster erkent dit en motiveert deze werkwijze aan de hand van een naar het oordeel van het college onjuist uitgangspunt. Het dragen van handschoenen is niet alleen voorgeschreven ter bescherming van de behandelaar, maar ook om kruisbesmetting tegen te gaan en derhalve ter bescherming van de patiënt. Bij medische handelingen zoals verweerster bij klager heeft verricht, acht het college het dragen van handschoenen absoluut noodzakelijk. Verwezen wordt in dit verband ook naar de door het college ter zitting aangehaalde NHG-Richtlijn Infectiepreventie in de huisartsen- en verloskundigenpraktijk (mei 2017). Het feit dat verweerster geen handschoenen pleegt te dragen bij het uitvoeren van medische handelingen zolang zij niet zélf bang is voor een besmetting getuigt van een te beperkte opvatting van verantwoorde infectiepreventie en behoort haar tuchtrechtelijk verweten te worden. Het derde klachtonderdeel is in zoverre dan ook gegrond.
6. Slotsom en motivering van de maatregel
Het voorgaande voert tot de slotsom dat het derde klachtonderdeel gegrond is voor zover het betrekking heeft op het niet dragen van handschoenen. Voor het overige zal de klacht als ongegrond worden afgewezen. De vraag ligt voor welke maatregel passend is. Het college is van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing in de vorm van een waarschuwing volstaat.
7. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:
- verklaart het derde klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond en waarschuwt verweerster;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond en wijst deze af.
Aldus gegeven door:
W.P. Claus, voorzitter,
J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, lid-jurist,
J. Seegers, lid-beroepsgenoot,
H.J. Kolthof, lid-beroepsgenoot,
E.M. ter Braak, lid-beroepsgenoot,
bijgestaan door L.C. Commandeur, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2018 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.
De secretaris: De voorzitter:
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.