ECLI:NL:TGZRGRO:2018:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/183
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2018:47 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2018 |
| Datum publicatie: | 31-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | G2017/183 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster wordt kort na een bezoek aan de huisarts (verweerder) tot twee keer toe met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege acute hartklachten. Zij verweerder dat hij haar klachten niet serieus heeft genomen. Klacht ong egrond. |
Rep.nr. G2017/183
31 juli 2018
Def. 129
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE GRONINGEN
Beslissing op de klacht van:
A,
klaagster,
wonende te B,
gemachtigde: mr. G.T. de Haan,
tegen
C ,
werkzaam als huisarts te B,
verweerder,
BIG-reg.nr:,
gemachtigde: mr. S.J. Berkhoff-Muntinga.
1. Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift van 4 december 2017, ingekomen op 5 december 2017;
- het aanvullend klaagschrift van 28 december 2017, ingekomen op 29 december 2017;
- een brief met bijlagen van klaagster van 20 januari 2018, ingekomen op 23 januari 2018;
- het verweerschrift van 2 februari 2018, ingekomen op 6 februari 2018;
- de repliek van 4 april 2018, ingekomen op 6 april 2018;
- de dupliek van 19 april 2018, ingekomen op 23 april 2018;
- een brief met bijlage van de gemachtigde van verweerder van 31 mei 2018, ingekomen op
4 juni 2018.
In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
De klacht is behandeld ter openbare zitting van 19 juni 2018. Klaagster en haar gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder is wel verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Berkhoff-Muntinga, voornoemd.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1
Klaagster was sinds 2010 patiënt van verweerder. Ze was bekend met een paroxysmaal atriumfibrilleren en diabetes mellitus type 2. Hiervoor werd ze gedurende een driemaandelijkse controle door de praktijkverpleegkundige gezien. Bij een routinecontrole op 18 juli 2017 werd door de praktijkverpleegkundige een snelle hartslag opgemerkt. Klaagster vertelde dat ze last had van zweten, een hoge pols en een raar gevoel in haar hoofd. Ze maakte zich zorgen over haar bloeddruk. Die had ze thuis gemeten en was boven de 200. Daarop is een consult met verweerder gepland op 19 juli 2017.
2.2
Verweerder heeft op 19 juli 2017 lichamelijk onderzoek uitgevoerd, waarbij een bloeddruk werd gemeten van 143/98. De pols was 101 slagen per minuut. Op basis van zijn bevindingen heeft verweerder een ECG gepland. Dit vond in verband met de vakantieperiode plaats op 28 juli 2017 in de huisartsenpraktijk. Ook is een bloedonderzoek afgesproken.
2.3
Het ECG vond op 28 juli 2017 plaats. De bloeddruk die werd gemeten, was 150/86. Er bleek sprake van atriumfibrilleren met een hoge volgfunctie. Uit het bloedonderzoek bleek geen ontregeling van de schildklierfunctie aangezien de TSH en vrije T4 binnen de norm waren.
2.4
Op 2 augustus 2017 heeft verweerder de bevindingen met klaagster besproken gedurende een consult. Hij heeft met klaagster afgesproken dat hij contact op zou nemen met de behandelend cardioloog die op 3 augustus 2017 weer aanwezig zou zijn.
2.5
Op 3 augustus 2017 heeft verweerder de klachten van verweerster en zijn bevindingen na lichamelijk onderzoek, ECG en bloedonderzoek besproken met de cardioloog. De cardioloog adviseerde om de medicatie die klaagster gebruikte voor het atriumfibrilleren aan te passen en klaagster binnen twee weken in te sturen voor nader onderzoek en verder beleid.
2.6
Verweerder heeft vervolgens de aangepaste medicatie voorgeschreven en een verwijsbrief voor de cardioloog gemaakt.
2.7
Klaagster is op 6 augustus 2017 met spoed opgenomen in het D in E in verband met acute hartproblemen. Ze is na ruim een week in goede conditie ontslagen. Vervolgens kreeg klaagster weer hartklachten en is ze met spoed opgenomen in het F.
2.8
Verweerder heeft, toen klaagster in het F lag, diverse keren telefonisch contact gehad met klaagsters echtgenoot om zijn beleid uit te leggen. Klaagster heeft hij nooit meer gesproken. Zij heeft zich in oktober 2017 laten uitschrijven uit de praktijk.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
Klaagster verwijt verweerder dat hij haar klachten niet serieus heeft genomen. Zij is na
19 juli 2017 vaak op de praktijk geweest met steeds erger wordende hartklachten. Ze wist niet dat de huisarts contact op zou nemen met de cardioloog. Als ze dat wel zou hebben geweten zou ze daar geen toestemming voor hebben gegeven omdat haar situatie te ernstig was om nog langer te wachten.
4. Het verweer
Verweerder is van mening dat hij de klachten van klaagster wel degelijk serieus heeft genomen. Toen door de praktijkverpleegkundige een hoge hartslag werd gemeten is er de volgende dag een consult met verweerder ingepland. Hier werden eenn acceptabele bloeddruk en pols gemeten. Het is verweerder tijdens het consult niet opgevallen dat klaagster zweette. Verweerder heeft vervolgens nader bloedonderzoek gedaan om uit te sluiten dat de hoge hartslag het gevolg was van schildklierproblemen. Ook is er een ECG afgesproken. Er waren op dat moment geen alarmsignalen die direct insturen van klaagster noodzakelijk maakten.
Ook het ECG en het bloedonderzoek gaven geen sterk afwijkende waarden. Verweerder heeft met klaagster besproken dat hij contact op zou nemen met de behandelend cardioloog. Omdat de cardioloog op dat moment niet aanwezig was, is dit contact geweest op 3 augustus 2017. Ook de cardioloog zag op basis van de bevindingen van verweerder en de onderzoeksresultaten geen aanleiding om klaagster met spoed te laten opnemen. De medicatie is op verzoek van de cardioloog aangepast en afgesproken werd klaagster binnen twee weken op de polikliniek te zien. Verweerder heeft de verwijzing geregeld via Zorgdomein, hierdoor heeft klaagster geen afschrift van de verwijzing gekregen. Verweerder heeft de verwijzing echter wel met klaagster besproken en zij stemde daar mee in. Verweerder ontkent dat klaagster vaker op de praktijk is geweest vanwege toenemende klachten. Dit blijkt ook niet uit het medisch dossier. Het is spijtig dat klaagster een paar dagen later met spoed in het ziekenhuis is opgenomen, maar dit kan verweerder niet worden verweten. Hij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam huisarts had behoren te handelen.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsoefening, rekening houdende met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2.
Hoewel het college het spijtig acht dat klaagster zo snel na het laatste contact met verweerder met spoed in het ziekenhuis is opgenomen, acht het college het handelen van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ondanks dat de verslagen van verweerder niet uitgebreid zijn, is uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet gebleken van alarmsignalen zoals genoemd in de NHG standaard Atriumfiblireren die een acute verwijzing noodzakelijk maakten. Ook is op geen enkele wijze door klaagster aannemelijk gemaakt dat zij meerdere malen in de praktijk is geweest met toenemende klachten, noch dat zij niet kon instemmen met verwijzing naar de cardioloog. Verweerder heeft dus gehandeld zoals van een redelijk bekwaam huisarts verwacht mag worden. De klacht is ongegrond.
6 . Slotsom
De conclusie is, dat verweerder met betrekking tot de klachten geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen.
7. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:
verklaart de klacht ongegrond en wijst deze af.
Aldus gegeven door:
J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter;
L. Groefsema, lid-jurist;
G.A. Hoffland, lid-beroepsgenoot;
I.S. Krabbe-Timmerman, lid-beroepsgenoot;
B.R. Schudel, lid-beroepsgenoot;
bijgestaan door H.D. de Groot, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.
De secretaris: De voorzitter:
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.