ECLI:NL:TGZRGRO:2018:40 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/195

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:40
Datum uitspraak: 26-06-2018
Datum publicatie: 26-06-2018
Zaaknummer(s): G2017/195
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager is geopereerd aan zijn wervelkolom vanwege een wervelkanaalstenose ter hoogte van de 4e en 5e lendenwervel. Na de operatie verdwenen de klachten niet en bleek dat er op het verkeerde niveau was geopereerd, namelijk op het niveau van de 3e en 4e lendenwervel. Het college is van oordeel dat het bepalen van het operatieniveau volgens de geldende beroepsnormen is uitgevoerd en dat hier sprake is van een complicatie. Gelet op de geringe kans dat deze complicatie zich kan voordoen is het binnen de beroepsgroep niet gebruikelijk dat deze tijdens de preoperatieve voorlichting wordt genoemd. Klacht ongegrond.

Rep.nr. G2017/195

26 juni 2018

Def. 094

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

a,

klager,

wonende te B,

gemachtigde: C, 

tegen

D ,

werkzaam als neurochirurg te E,

verweerder,

BIG-reg.nr:,

gemachtigde: I.M.I. Apperloo. 

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift van 13 december 2017, ingekomen op 20 december 2017;

- een aanvulling op het klaagschrift van 25 december 2017, ingekomen op 29 december 2017;

- een brief met bijlage van klager van 23 januari 2018, ingekomen op 24 januari 2018;

- het verweerschrift met bijlage van 7 februari 2018, ingekomen op 8 februari 2018;

- een brief van verweerder met bijlagen van 8 februari 2018, ingekomen op 9 februari 2018;

- het proces-verbaal van het op 19 maart 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder  leiding van S. Boersma, lid-jurist van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 15 mei 2018. Partijen zijn verschenen, beiden vergezeld door hun gemachtigden.

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

Op 19 mei 2014 bezoekt klager verweerder vanwege rug- en beenklachten. Verweerder acht de aanwezige lumbale kanaalstenose (wervelkanaalstenose) op niveau L4-L5 (de vierde en vijfde lendenwervel) verantwoordelijk voor de klachten. Tijdens dit bezoek geeft verweerder uitleg over de aandoening en operatieve behandeling. Klager geeft aan over de ingreep na te willen denken. Een jaar later, op 15 juni 2015, geeft klager aan de operatie te willen ondergaan en op 13 juli 2015 wordt de operatie door verweerder gepland.

Vervolgens wordt door verweerder, in verband met de lumbale kanaalstenose ter hoogte van L4-L5, bij klager op 13 juli 2015 een laminectomie verricht in het F te E. Op 24 augustus 2015 geeft klager tijdens een controle aan dat de klachten niet waren verbeterd. Omdat er tijdens die controle sprake was van forse slijtageverschijnselen in de rug en van een opvallend wijdbeens looppatroon (wat door verweerder niet kenmerkend werd geacht voor een lumbale wervelkanaalvernauwing) heeft verweerder een afwachtend beleid afgesproken met klager. Klager is naar zijn huisarts terugverwezen met het advies om een revalidatiearts te consulteren. Op 9 mei 2016 heeft verweerder aan klager uitgelegd dat uit de, door de neuroloog aangevraagde, MRI-scan is gebleken dat de operatie niet op het juiste wervelniveau is uitgevoerd. Verweerder heeft spijt betuigd en aangeboden om opnieuw te opereren. Klager heeft om een andere chirurg verzocht en is opnieuw geopereerd op 12 mei 2016 door een andere neurochirurg. De klachten aan zijn rug waren daarna niet verdwenen en uiteindelijk is in verband met aanhoudende klachten, in het buitenland, een heupoperatie uitgevoerd.

Samengevat is door verweerder de neurochirurgische operatie op 13 juli 2015 feitelijk uitgevoerd op het verkeerde niveau, namelijk L3-L4 en is klager op 12 mei 2016 nogmaals geopereerd door een andere neurochirurg, ditmaal op het juiste niveau L4-L5.

3. De klacht

Klager verwijt verweerder dat hij een fout heeft gemaakt bij de operatie, door op een onjuist niveau te opereren op 13 juli 2015. Na een periode van acht maanden is op 12 mei 2016 een tweede operatie door een andere neurochirurg, op het juiste niveau, uitgevoerd. Deze tweede operatie gaf ook geen verlichting van de klachten. Klager is voorafgaand aan de operatie door verweerder onvoldoende voorgelicht over het risico dat op een verkeerd niveau kan worden geopereerd.

Klager heeft voorafgaande aan de zitting aangegeven dat verweerder een schadevergoeding zou behoren te betalen. Tijdens de zitting heeft klager, na nadere uitleg over de bevoegdheden binnen het tuchtrecht door het college, dit verwijt ingetrokken.

4. Het verweer

Verweerder erkent dat hij de operatie op een verkeerd niveau heeft uitgevoerd en heeft zijn excuses daarvoor aangeboden, maar acht dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Hij stelt dat dit een complicatie is die zich kan voordoen.

Bij het uitvoeren van de operatie is gebruik gemaakt van röntgendoorlichting. De kans dat het dan mis gaat, is klein maar helaas heeft zich dat hier voorgedaan. Verweerder stelt dat hij tweemaal heeft doorgelicht, maar dat niet in het operatieverslag heeft aangetekend.

Door overprojectie kan er misleiding plaatsvinden, maar zelfs als er twee keer wordt doorgelicht kan het nog mis gaan.

Verweerder stelt dat in augustus 2015 is geconstateerd dat er, afgezien van de vernauwing, slijtage was in de rug die het klachtenpatroon beïnvloedde. Verweerder vroeg zich ook af of de klachten wel veroorzaakt werden door de vernauwing en adviseerde om via de huisarts de revalidatiearts te consulteren.

Verweerder stelt dat klager is gewezen op de risico’s en de prognoses van de operatie. De kans op een dergelijke complicatie (het opereren op een verkeerd niveau) is erg klein, namelijk in zijn team kleiner dan 1%, en is mede om die reden ook niet genoemd.

Verweerder is van mening dat er sprake is van een vervelende samenloop van omstandigheden.

5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 De bepaling van het operatieniveau

Verweerder heeft het operatieniveau bepaald nadat de narcose was gestart en met de patiënt in buikligging op het Wilsonframe (ondersteunende vorm om de patiënt goed te positioneren). Hij heeft voor de bepaling van het juiste operatieniveau gebruik gemaakt van de röntgendoorlichtingstechniek hetgeen in de beroepsgroep de gebruikelijke methode is om het operatieniveau te bepalen. Dat verweerder daarna nog een tweede maal van de röntgendoorlichting gebruik heeft gemaakt om de positie te verifiëren acht het college niet van belang aangezien dat volgens de beroepsnormen geen vereiste is.

Het college oordeelt dat verweerder de operatie, inclusief de bepaling van het operatieniveau, heeft uitgevoerd conform de daarvoor anvaarde norm in de beroepsgroep. Dat naar achteraf bleek op een onjuist niveau is geopereerd is naar het oordeel van het college niet gerelateerd aan een onzorgvuldig handelen van verweerder. In die zin betreft het geen fout maar een (zeer zeldzaam voorkomende) complicatie van de behandeling.

Verweerder valt op dit punt tuchtrechtelijk geen verwijt te maken.

5.3 Het informeren ten aanzien van risico’s en complicaties

Verweerder heeft op 19 mei 2014 en 15 juni 2015 klager geïnformeerd over de operatie, prognose en risico’s, hetgeen wordt gesteund door de aantekeningen in het medisch dossier. Het college gaat er daarom van uit dat klager de bedoelde informatie heeft ontvangen en er sprake is van informed consent. Voldaan is aan de informatieverplichting neergelegd in artikel 7:448 BW en het toestemmingsvereiste neergelegd in artikel 7:450 BW.

In de tuchtrechtspraak is de norm bepaald (bv. beslissing Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 18 september 2012 in de zaak onder nummer C2011.310) dat bij het informeren ook voorlichting hoort aangaande die risico’s en complicaties die zich kunnen voordoen bij die specifieke ingreep. Hiervoor geldt dat een arts de patiënt dient te informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling. Hij hoeft niet op alle mogelijke risico’s te wijzen. Welke risico’s moeten worden genoemd zal afhangen van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico (blijvend letsel of ongemak van voorbijgaande aard) en de kans dat het risico zich verwezenlijkt (het incidentiepercentage) zijn daarbij belangrijke factoren. De informatieplicht zal in omvang toenemen naarmate het gaat om medisch niet of minder noodzakelijke ingrepen. Voorts zal de informatieplicht zwaarder tellen naarmate de behandelmethoden minder conventioneel zijn.

Tegen deze achtergrond kan niet gezegd worden dat verweerder bij deze specifieke neurochirurgische operatie met een daaraan verbonden incidentiepercentage van kleiner dan één, voor de complicatie van het opereren op een onjuist operatieniveau, deze complicatie had dienen te vermelden bij het informeren van klager.

Het college oordeelt dat de verweerder voorafgaande aan de operatie de voorlichting heeft gegeven conform de daarvoor aanvaarde norm in de beroepsgroep.

Verweerder valt op dit punt tuchtrechtelijk geen verwijt te maken.

6. Slotsom

De klacht zal als ongegrond worden afgewezen.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht ongegrond en wijst deze af.

Aldus gegeven door:

J.G. W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter;

W.J. de Boer, lid-jurist;

J.C. Goslings, lid-beroepsgenoot;

W.P. Vandertop, lid-beroepsgenoot;

C. Keijzer, lid-beroepsgenoot;

bijgestaan door A.H. Loos-Horstman, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van L.C. Commandeur, secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.