ECLI:NL:TGZRGRO:2018:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/190

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:27
Datum uitspraak: 08-05-2018
Datum publicatie: 08-05-2018
Zaaknummer(s): G2017/190
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen orthopedisch chirurg. Klaagster is de zuster van een inmiddels overleden patiënt. Patiënt werd in juni 2017 opgenomen nadat hij thuis gevallen was. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij terminaal ziek was. Klaagster verwijt verweerder 1) dat hij patiënt geen pijnmedicatie heeft gegeven, waardoor hij onnodig pijn heeft geleden; 2) dat hij lomp met patiënt is omgegaan; 3) dat hij patiënt met een zuurstofgebrek in zijn bloed naar huis heeft laten gaan; 4) dat hij geen antwoord gaf op vragen van klaagster en om alles heen draaide en 5) patiënt niet eerder naar huis liet gaan, terwijl toch al duidelijk was dat hij niet lang meer te leven had. Het college volgt klaagster niet in haar verwijten. Patiënt kreeg indien nodig pijnmedicatie en niet gebleken is dat verweerder lomp met patiënt omgegaan is en/of geen medeleven heeft getoond. Voorts heeft verweerder patiënt wel degelijk zuurstof meegegeven toen hij naar huis ging. Daarnaast geldt dat niet gebleken is dat verweerder op bepaalde vragen geen antwoord heeft gegeven en/of dat hij om alles heen draaide. Ten slotte heeft verweerder goed onderbouwd dat het niet verantwoord was om patiënt naar huis te laten gaan zonder dat er eerst thuiszorg was geregeld. De klacht is ongegrond.  Deze klacht hangt samen met procedure G2017/181.

Rep.nr. G2017/190

8 mei 2018

Def. 072

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

a,

klaagster,

wonende te B,

tegen

C ,

werkzaam als orthopedisch chirurg te B,

verweerder,

BIG-reg.nr:,

gemachtigde: mr. A.W. Hielkema.

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift van 29 november 2017,  ingekomen op 30 november 2017;

- de brief van klaagster van 6 december 2017, ingekomen op 7 december 2017;

- de brief van klaagster van 10 december 2017 (met bijlage), ingekomen op 14 december

   2017;

- de brief van klaagster van 22 december 2017, ingekomen op 28 december 2017;

- het verweerschrift van 16 januari 2018 (met bijlagen), ingekomen op 18 janauri 2018;

- het proces-verbaal van het op 15 februari 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder leiding van mr. J. Wiersma-Veenhoven, plaatsvervangend secretaris van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 27 maart 2018. Partijen zijn verschenen. Klaagster werd vergezeld door haar dochter en verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.  

Deze klacht is ter zitting gezamenlijk behandeld met een andere klacht van klaagster, bekend onder kenmerk G2017/181. 

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klaagster is de zuster van wijlen de heer D (hierna: patiënt), geboren op XX-XX-XXXX.

2.2

Op zaterdag 10 juni 2017 werd patiënt opgenomen op de SEH-afdeling (spoedeisende hulp-afdeling) van het E te B (hierna: het ziekenhuis) vanwege pijn na een val in huis. Verweerder is in het ziekenhuis als orthopedisch chirurg werkzaam. Samen met anderen is hij betrokken geweest bij de behandeling van patiënt. Uit het onderzoek dat werd verricht, bleek dat sprake was van een acetabulumfractuur (fractuur in de heupkom/het bekken) en metastasen in de rechter bekkenhelft. Patiënt bleek terminaal ziek te zijn. Op 14 juni 2017 is patiënt overleden.

3. De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1 Beschrijving van de gang van zaken volgens klaagster

Op 10 juni 2017 werd patiënt in het ziekenhuis opgenomen nadat hij gevallen was. Klaagster was aanwezig bij de opname. Verweerder was een van de artsen die betrokken was bij de behandeling. Op de röntgenfoto’s die gemaakt werden, bleek dat er sprake was van een grote tumor in het bekken. Het was duidelijk dat patiënt niet meer beter zou worden. Verweerder zei tegen patiënt: ²Jij komt nooit meer thuis.² Klaagster wilde graag dat patiënt naar huis zou mogen, waar hij door familie verzorgd kon worden. Dat wilde hij namelijk zelf het liefst. Ook wilde klaagster niet dat patiënt verteld zou worden wat er precies aan de hand was. Volgens klaagster wilde patiënt dit niet weten namelijk. Voor hem was het voldoende om te weten dat hij niet meer beter zou worden. Verweerder wilde echter dat patiënt in het ziekenhuis zou blijven waar er meer onderzoek zou worden verricht. Daarnaast vond hij dat patiënt moest weten wat er aan de hand was. In de gesprekken met klaagster draaide hij echter om alles heen. Uiteindelijk mocht patiënt pas op de dinsdag na de opname naar huis, nadat hij dagen lang onnodig veel pijn had geleden. Verweerder gaf hem namelijk geen pijnstilling. Ook toen patiënt naar huis mocht, kreeg hij geen pijnstilling mee. Daarnaast had hij geen zuurstof meer in het bloed. Al met al heeft patiënt onnodig geleden in de laatste dagen van zijn leven.

3.2 Klachtonderdelen

Klaagster verwijt verweerder dat hij:

1.      patiënt geen pijnmedicatie gaf waardoor hij onnodig pijn geleden heeft;

2.      lomp met patiënt is omgegaan en geen medeleven heeft getoond;  

3.      patiënt, zonder zuurstof in zijn bloed en ernstig verzwakt, naar huis heeft laten gaan en onnodig heeft laten lijden; 

4.      geen antwoord gaf op vragen van klaagster en om alles heen draaide;

5.      patiënt niet eerder naar huis liet gaan, terwijl duidelijk was dat hij niet lang meer te leven had.

4. Het verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

4.1 Beschrijving van de gang van zaken volgens verweerder

Verweerder werd op 10 juni 2017 door een arts op de SEH-afdeling gebeld over patiënt met het verzoek een röntgenfoto te bekijken. Dit deed hij waarna hij een CT-scan liet maken. De betreffende arts had patiënt al 1000 mg paracetamol en 5 mg Oxynorm voorgeschreven tegen de pijn. Hierna zag verweerder patiënt zelf op de SEH. Klaagster was daarbij aanwezig. Verweerder vertelde patiënt en klaagster over de bevindingen. Verweerder legde uit dat de situatie ernstig was en dat er een afwijking in het bekken zat met een breuk. Om beter te weten wat voor afwijking was gezien en wat er eventueel aan gedaan kon worden, was verder onderzoek noodzakelijk. Verweerder sprak klaagster ook apart. Hij legde nogmaals de ernst van de situatie uit. Klaagster vertelde meermalen dat patiënt niet alles wilde weten en snel weer naar huis wilde. Verweerder achtte het niet verantwoord om patiënt naar huis te laten gaan als er alleen zorg door familieleden beschikbaar zou zijn. Hij achtte de familie niet in staat om adequaat voor patiënt te kunnen zorgen, gezien diens problematiek en lichaamsgewicht. Verweerder stelde daarom voor om op maandagochtend thuiszorg te gaan regelen, zodat patiënt snel daarna naar huis zou kunnen. Verweerder kan zich herinneren dat klaagster hiermee instemde.

Op zondag 11 juni 2017 vond opnieuw een gesprek plaats met de familie. Verweerder stelde voor meer onderzoek te verrichten om de aard van de afwijkingen te achterhalen en eventueel (palliatief) te kunnen behandelen. Dit werd achterwege gelaten gezien de wensen van patiënt en de familie.

Op maandag 12 juni 2017 is de transferverpleegkundige bij patiënt geweest. Patiënt zou de volgende dag naar huis kunnen, omdat dan pas een hoog-laagbed met antidecubitusmatras geleverd kon worden. Zo geschiedde de volgende dag. Patiënt kreeg medicatie en zuurstof mee. Op 13 november 2017 vond er een bemiddelingsgesprek plaats, helaas zonder een vermindering van de onvrede bij klaagster.

4.2 Reactie op de klacht

4.2.1 Aangaande het eerste klachtonderdeel: geen pijnmedicatie

Dat patiënt het heeft uitgeschreeuwd van de pijn is niet juist. Uit het verpleegkundig dossier blijkt dat er aandacht is geweest voor de pijn van patiënt en dat deze niet zo hevig was als klaagster stelt. De VAS-score bij opname was 7 en varieerde in de dagen daarna tussen de 0 en 2. Bij een VAS-score onder de 4 is pijnstilling door middel van paracetamol adequaat. Anders dan klaagster stelt, heeft patiënt wel degelijk pijnmedicatie voorgeschreven gekregen en ontvangen.

4.2.2 Aangaande het tweede klachtonderdeel: lompe bejegening van patiënt

Verweerder bestrijdt dat hij patiënt op een incorrecte wijze bejegend zou hebben. Hij heeft patiënt meermalen gezien en de wensen van hem en de familie aangehoord, daarover uitleg gegeven en beleid gemaakt. Daarnaast bestrijdt verweerder ook dat hij tegen patiënt zou hebben gezegd: ²Jij komt nooit meer thuis!” Dergelijke bewoordingen gebruikt hij namelijk nooit.

4.2.3 Aangaande het derde klachtonderdeel: onnodig geleden door zuurstofgebrek in het bloed

Verweerder betwist dit. Patiënt kreeg medicatie en zuurstof mee toen hij naar huis ging. 

4.2.4 Aangaande het vierde klachtonderdeel: nergens antwoord op geven en om alles heen draaien

Verweerder heeft de wens van patiënt om geen informatie meer te ontvangen gerespecteerd. Hij heeft echter nergens omheen gedraaid en alle vragen van de familie beantwoord.

4.2.5 Aangaande het vijfde klachtonderdeel: niet eerder naar huis laten gaan

Onder 4.1 is al uiteengezet waarom verweerder het niet verantwoord vond om patiënt naar huis te gaan in het bewuste weekend. 

5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Het eerste klachtonderdeel: geen pijnmedicatie

Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist. Zijn beschrijving van de zaken, die steun vindt in het medisch dossier, is niet verenigbaar met die van klaagster. Aangezien de versie van verweerder voor juist wordt gehouden, is het college van oordeel dat niet is gebleken dat patiënt geen pijnmedicatie heeft gehad als dat nodig was en derhalve evenmin dat verweerder hem onnodig pijn heeft laten lijden. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

5.3 Het tweede klachtonderdeel: lompe bejegening van patiënt

Verweerder heeft weersproken dat hij op de wijze die klaagster heeft geschetst tegen patiënt zou hebben gezegd dat hij nooit meer thuis zou komen. Nu verweerder en klaagster van mening verschillen over wat verweerder feitelijk gezegd zou hebben, en het medisch dossier hieromtrent geen uitsluitsel biedt, komt het college niet tot de vaststelling dat verweerder datgene heeft gezegd dat klaagster hem toeschrijft. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan het woord van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of een bepaalde gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college, juist nu aan het woord van klaagster en verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Nu klaagster buiten het voorgaande om geen andere gedragingen/opmerkingen heeft aangedragen om toe te lichten waarom zij van mening is dat verweerder zich lomp zou hebben gedragen jegens patiënt, zal ook dit klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.

5.4 Het derde klachtonderdeel: onnodig geleden door zuurstofgebrek in het bloed

Verweerder stelt dat patiënt zuurstof mee kreeg toen hij naar huis werd gebracht. Dit blijkt ook uit het medisch dossier, wat betekent dat tevens het derde klachtonderdeel ongegrond is.

5.5 Het vierde klachtonderdeel: nergens antwoord op geven en om alles heen draaien

Klaagster heeft dit klachtonderdeel noch in het klaagschrift, noch ter zitting onderbouwd. Nu niet duidelijk is welke vragen verweerder niet zou hebben beantwoord en op welke overige concrete gedraging(en) van verweerder dit verwijt betrekking heeft, kan ook niet geoordeeld worden dat het verwijt gegrond is. Overigens geldt dat, voor zover het hier om onbeantwoorde vragen van klaagster gaat, klaagster niet de wettelijk vertegenwoordiger van patiënt was. En patiënt was wilsbekwaam. Dit betekent dat er in beginsel niet met klaagster behoefde te worden overlegd over zaken die patiënt betroffen. Een en ander maakt dat het vierde klachtonderdeel eveneens faalt.

5.6 Het vijfde klachtonderdeel: niet eerder naar huis laten gaan

Verweerder heeft goed onderbouwd waarom hij van mening was dat het niet verantwoord was patiënt al naar huis te laten gaan voordat er thuiszorg was geregeld. Het college ziet in de beschrijving van de gang van zaken en de overwegingen van verweerder geen aanleiding om verweerder in deze een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Zijn handelwijze in deze is juist volgens de regelen der kunst geweest. Dat maakt ook het vijfde klachtonderdeel ongegrond.

6. Slotsom

Gezien het hiervoor overwogene, zal de klacht in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond en wijst deze af.

Aldus gegeven door:

mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter;

mr. dr. L. Groefsema, lid-jurist;

prof. dr. R.L. Diercks, lid-beroepsgenoot;

mr. drs. E.G. van der Jagt, lid-beroepsgenoot;

drs. E.H. The-van Leeuwen, lid-beroepsgenoot;

bijgestaan door mr. L.C. Commandeur, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.