ECLI:NL:TGZREIN:2018:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1846

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:83
Datum uitspraak: 01-11-2018
Datum publicatie: 01-11-2018
Zaaknummer(s): 1846
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:   De arts maatschappij en gezondheid had klaagster om toestemming moeten vragen voordat hij medische gegevens van klaagsters minderjarige zoon in een rapport aan derden had verstrekt. Wanneer zou worden aangenomen dat een heftige discussie ontstond nadat verweerder aan klaagster zijn voorgenomen conclusie had meegedeeld, vormt dit geen rechtvaardiging voor het nalaten van een essentieel vormvereiste. Waarschuwing.

Uitspraak: 1 november 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 8 maart 2018 bij het tuchtcollege Amsterdam ingekomen klacht, die vervolgens is doorgeleid naar het tuchtcollege Eindhoven en aldaar op 13 maart 2018 is ontvangen, van

[A]

wonende te [B]

klaagster

tegen

[C]

arts maatschappij en gezondheid

destijds werkzaam te [D]

verweerder

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift en de aanvulling daarop;

-          de brief van 26 maart 2018 van de secretaris aan klaagster;

-          het verweerschrift;

-          de medische informatie, ontvangen van verweerder op 30 augustus 2018.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek. De klacht is ter openbare zitting van 5 oktober 2018 behandeld. Partijen waren aanwezig.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster heeft een zoontje, geboren in september 2016. Zij ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. Klaagster heeft op 16 juni 2017 bijzondere bijstand aangevraagd vanwege een verhuizing binnen de gemeente waar klaagster woont. Het betreft bijzondere bijstand voor dubbele huur en inrichtingskosten.

Klaagster is verhuisd omdat dit aan haar werd geadviseerd. Voor haar zoon zou het noodzakelijk zijn om apart te slapen en niet langer op dezelfde kamer te liggen als klaagster. Klaagster heeft dit advies opgevolgd.

Het verzoek om bijzondere bijstand is in eerste instantie afgewezen, waarna klaagster bezwaar heeft gemaakt. Volgens klaagster was de verhuizing noodzakelijk. Haar zoon huilde veel, was onrustig, had veel stress en veel last van buikpijn en obstipatie. Haar zoon had daarvoor ook langere tijd medicatie gebruikt.

In verband met het bezwaar is aan verweerder de opdracht gegeven te onderzoeken of er een verband bestaat tussen de klachten die klaagster benoemt en het samen op een kamer slapen, ofwel of de verhuizing als medisch noodzakelijk of wenselijk moet worden beschouwd.

Klaagster is op 22 september 2017 met haar zoon bij verweerder op consult geweest. Verweerder heeft een rapport opgemaakt. In het rapport is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Onderzoeksbevindingen:

(…)

De aanvraag betreft haar zoontje van ca. 1 jaar. Hij zou last hebben van obstipatie, veel huilbuien en is onrustig. Betrokkene denkt zelf dat het kind gestrest is en dat hij maagzuur problemen heeft. Het jongetje is uitgebreid door de kinderarts onderzocht, maar die kan geen aandoening bij de jongen vaststellen. De kinderarts heeft ook geen medicijn gegeven.

De moeder heeft aan dat de jongen nu een eigen kamer heeft en dat hij nu geen klachten meer heeft.

Lichamelijk onderzoek en observatie:

Bij de gerichte klinische observatie werd vastgesteld dat de jongen geen klachten heeft.

(…)

Visie arts

(…)

Onderzoek van de kinderarts heeft niets opgeleverd, er is geen aandoening bij de jongen geconstateerd. Volgens het consultatiebureau groeit de jongen goed en ontwikkelt hij zich normaal. Er is geen waarneming dat er sprake is van psychische factoren bij de jongen.

Naar mijn mening bestaat er geen verband tussen de klachten van de jongen en het samen slapen op een kamer. (…)

De verhuizing naar een woning met meerdere slaapkamers is niet medisch noodzakelijk. Het hebben van een eigen slaapkamer is wel wenselijk.

(…)

Conclusie

Er bestaat geen medische noodzaak voor de in het kader van de Bijzonder Bijstand aangevraagde voorziening.

(…)”.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

De arts maatschappij en gezondheid wordt verweten dat hij:

1)  medische gegevens van klaagsters minderjarige zoon zonder toestemming aan derden heeft verstrekt;

2)  een onjuiste rapportage heeft opgesteld. Zo heeft hij onjuistheden in het rapport geschreven en heeft hij conclusies getrokken zonder enig onderzoek te verrichten en zonder medische informatie op te vragen bij de huisarts en/of kinderarts van klaagsters minderjarige zoon.

Klaagster heeft ter toelichting op het tweede klachtonderdeel nog aangevoerd dat de onjuistheden bestaan uit de opmerking dat er geen medicijnen waren gebruikt, nu de zoon wel degelijk medicijnen had gebruikt. Er is volgens klaagster ook geen klinische observatie geweest en verweerder heeft een onjuiste conclusie getrokken nu klaagster zelf heeft ervaren dat de klachten van haar zoon wel degelijk zijn verminderd sinds hij een eigen kamer heeft.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft aangevoerd dat hij van de gemeente de opdracht had ontvangen om te onderzoeken of er een medisch verband bestond tussen de klachten van de zoon van klaagster zoals door klaagster benoemd en het samen slapen op een kamer. Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van de verkregen informatie van de gemeente, de door klaagster gegeven informatie en de gerichte klinische observatie. Verweerder is ervan uit gegaan dat de consulent van de gemeente klaagster zou hebben verteld wat de bedoeling was van het onderzoek. Dat is ook de gebruikelijke gang van zaken.

Verweerder erkent dat hij heeft verzuimd om toestemming te vragen aan klaagster toen hij aan het eind van het consult de voorgenomen conclusie meedeelde. Volgens verweerder ontstond een heftige discussie met klaagster over de voorgenomen conclusie. Met betrekking tot de gestelde onjuistheden heeft verweerder aangegeven dat hij zich niet kan herinneren dat klaagster medicatie bij zich had of dat er namen van medicatie aan hem zijn doorgegeven. Op grond van de mededelingen van klaagster zag verweerder geen belang in het nader consulteren van derden. Er was geen aanwijsbare oorzaak voor de klachten gevonden en de zoon was ook niet doorgestuurd naar een psycholoog voor enig onderzoek terwijl ook de klinische observatie geen aanleiding gaf om nadere informatie op te vragen.

Een klinische observatie heeft verweerder overigens wel degelijk uitgevoerd. Verweerder heeft steeds op de zoon gelet en gekeken hoe hij reageerde. De jongen was toen 1 jaar oud. Het was een gezond uitziende jongen conform de leeftijd en hij zat rustig in de buggy, reageerde normaal en verweerder kreeg niet de indruk van een erg ziek kind. Een lichamelijk onderzoek heeft verweerder niet uitgevoerd omdat hij daartoe geen aanleiding zag.

5. De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Klaagster heeft ter zitting haar klacht aldus aangevuld dat zij niet wist dat sprake was van een onderzoek of dat een rapportage zou worden opgemaakt. Nu het persoonlijk handelen van verweerder centraal staat kan klaagster niet worden ontvangen in haar aanvullende klacht. Dit had immers door de gemeente moeten worden meegedeeld, althans neemt het college aan dat dit de gebruikelijke werkwijze is nu verweerder dit onbetwist ter zitting heeft gesteld.

Het college acht de klachtenonderdelen als hiervoor weergegeven wel voor beoordeling vatbaar.

Met betrekking tot klachtonderdeel 1) stelt het college vast dat klaagster inderdaad niet om haar toestemming is gevraagd terwijl dit wel had gemoeten. Hoewel het rapport wel melding maakt van de toestemming van klaagster blijkt dit een onjuistheid te zijn gelet op het feit dat verweerder dit heeft erkend. Dit leidt ertoe dat dit klachtonderdeel gegrond is.

Met betrekking tot klachtonderdeel 2) oordeelt het college als volgt. Tussen klaagster en verweerder bestaat verschil van mening over de vraag of klaagster aan verweerder mededelingen heeft gedaan over de medicatie die de zoon zou gebruiken. Het college heeft niet kunnen vaststellen hoe de gang van zaken nu daadwerkelijk is geweest. Dit geldt ook voor de klacht dat geen klinische observatie heeft plaatsgevonden. Verweerder geeft aan dat wel een observatie heeft plaatsgevonden, wat door het rapport wordt bevestigd, klaagster meent dat een dergelijke observatie niet heeft plaatsgevonden. In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat. Daarbij is van belang dat de lezing van klaagster niet wordt gestaafd door het rapport. Klachtonderdeel 2) is in zoverre ongegrond.

Ten slotte is het college ook van oordeel dat klachtonderdeel 2) ongegrond is als het gaat om de klacht dat volgens klaagster een onjuiste conclusie is getrokken. Het college stelt voorop dat ten aanzien van de conclusie van de rapportage enkel wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Het college overweegt daarover als volgt. Hoewel inzage in het rapport mogelijk tot een aantal aanpassingen had kunnen leiden, is het college van oordeel dat deze mogelijke aanpassingen niet tot een andere conclusie zouden hebben geleid. De conclusie van verweerder – er is geen medische noodzaak voor verhuizing – is gebaseerd op het gegeven dat een aanwijsbare oorzaak voor de klachten niet kon worden vastgesteld, dat geen verwijzing naar een psycholoog heeft plaatsgevonden, dat volgens de gegevens van het consultatiebureau sprake was van een normale ontwikkeling van het kind en dat er op grond van de klinische observatie geen reden was voor nader onderzoek. Medicatie is geen onderdeel geweest van de gronden waarop de conclusie is gebaseerd. De conclusie van verweerder volgt naar het oordeel van het college op inzichtelijke en consistente wijze uit wat door verweerder is vastgesteld en door klaagster als zodanig ook niet is bestreden. Klachtonderdeel 2) is daarom ongegrond.

De maatregel

Nu klachtonderdeel 1) gegrond moet worden verklaard, zal aan verweerder de maatregel van waarschuwing worden opgelegd. Daarbij overweegt het college dat, ook wanneer voorshands zou worden aangenomen dat een heftige discussie ontstond nadat verweerder aan klaagster zijn voorgenomen conclusie had meegedeeld, dit geen rechtvaardiging vormt voor het nalaten van een essentieel vormvereiste. Van verweerder mag een voldoende mate van professionaliteit worden verwacht om met deze (vermeende) uitbarsting om te gaan. Het college tekent niettemin aan dat deze maatregel een zakelijke terechtwijzing is die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. Het college komt tot deze maatregel nu verweerder deze omissie zonder meer heeft erkend.

6. De beslissing

Het college:

-    verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

-    legt op de maatregel van waarschuwing;

-    wijst de klacht voor het overige af.

Aldus beslist door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk als voorzitter, M.J. van Laarhoven als lid-jurist, J.C.F. Schellekens, J.G.M. van Eekelen en E.I. van Dijk als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van K. Hoebers-Provoost als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2018 in aanwezigheid van de secretaris.