We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZREIN:2018:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17259b

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:81
Datum uitspraak: 07-11-2018
Datum publicatie: 07-11-2018
Zaaknummer(s): 17259b
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Huisarts wordt verweten dat zij zonder toestemming van klager een verklaring aan zijn dochter heeft verstrekt en dat vervolgens heeft verzwegen, dat zij een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan zonder de code in acht te nemen, geen inzage in het medisch dossier heeft verstrekt en niet heeft meegewerkt aan de overstap van klager naar een andere huisarts. De betrokkenheid van verweerster bij verklaring en melding is niet komen vast te staan. De op zich te lange duur van overdracht naar een opvolgend huisarts kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Ongegrond.

Uitspraak: 7 november 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 29 december 2017 binnengekomen klacht van:

[A]

en

[B]

beiden wonende te [C]

klagers

tegen:

[D]

huisarts

werkzaam te [C]

verweerster

gemachtigde mr. R.J. Peet te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift en de aanvulling daarop

-          de brief d.d. 23 februari 2018 ontvangen van de gemachtigde van verweerster

-          de brief d.d. 27 februari 2018 van de secretaris aan klagers

-          de brief d.d. 9 maart 2018 ontvangen van klagers

-          de brief d.d. 21 maart 2018 van de secretaris aan klagers

-          het verweerschrift

-          de brief d.d. 8 juni 2018 ontvangen van de gemachtigde van verweerster

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek d.d. 2 juli 2018

-          de brief d.d. 4 juli 2018 ontvangen van klagers

-          een bewijsstuk, ontvangen van klagers op 11 september 2018.

Na sluiting van het vooronderzoek heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

De klacht is ter openbare zitting van 26 september 2018 behandeld, tezamen met de klacht bekend onder nummer 17259a. Partijen waren aanwezig, verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Sinds 1 juli 2007 was de vader patiënt in de gezamenlijke praktijk van verweerster en haar (mede aangeklaagde) collega-huisarts, hierna: de collega. Vanaf 2011 toonde de vader achteruitgang van geheugen, versterkt door een CVA einde 2013. In 2014 was er een neuropsychologisch onderzoek  waaruit duidelijke cognitieve stoornissen bleken.

Op 2 augustus 2017 bezocht de vader met zijn dochter het spreekuur van verweerster, waar de dochter haar zorgen uitte over de achteruitgang in cognitie en gewichtsverlies van de vader. Op 31 augustus 2017 ontving de praktijk van verweerster een e-mail van de dochter waarin zij haar zorgen uitte over de financiële situatie van de vader en het vermoeden uitsprak van financiële uitbuiting door de zoon. Op 1 september 2017 kwam de dochter weer op het spreekuur bij verweerster. Zij gaf aan dat zij samen met de vader een bestaande volmacht van de vader voor de zoon had ingetrokken en bij een notaris onderbewindstelling had aangevraagd. Op 5 september 2017 verzocht de dochter aan de collega om ten behoeve van een door haar bij de rechtbank te starten onderbewindstellingsprocedure een deskundigenverklaring over de gezondheid van de vader op te stellen en aan haar af te geven. De collega heeft op 5 september 2017 de volgende verklaring opgesteld en afgegeven:

“          Geachte collega,

Bovengenoemde patiënt is bekend met forse cognitieve achteruitgang. Hierdoor is hij zelf niet meer in staat om complexere situaties, zoals financiën, te overzien. Een onafhankelijk mentor en/of bewindvoerder is mijns inziens geïndiceerd.”.

De dochter heeft de verklaring gebruikt in de onderbewindstellingsprocedure. Via de rechtbank is de vader op de hoogte van deze verklaring gekomen. Bij brief van 16 augustus 2018 heeft de collega deze verklaring ingetrokken.

Op 8 september 2017 meldde de zoon zich bij de balie van de praktijk. Hij wilde de collega spreken en vertelde dat hij aangifte had gedaan tegen de dochter wegens schending medische geheimhouding en mogelijke financiële fraude. Op 11 september 2017 vond een consult plaats van de collega met de vader en de zoon. Er werd een afspraak gemaakt voor nader onderzoek/behandeling van de cognitieve functie van de vader, maar later op die dag zegde de zoon de afspraak telefonisch af met mededeling dat de vader niet verder wilde met de praktijk en een andere huisarts wenste. De collega maakte kenbaar dat zij dit van de vader zelf wilde horen, dat zij een niet-pluisgevoel had en dat zij een melding zou doen bij Veilig Thuis. Op 12 september 2017 heeft d e collega Veilig Thuis anoniem geraadpleegd en heeft zij anoniem overlegd met een specialist ouderengeneeskunde.

De collega ontving vervolgens een door de vader ondertekende brief gedateerd 11 september 2017, waarin werd medegedeeld dat, zoals telefonisch aangegeven, de relatie met de praktijk met onmiddellijke ingang werd beëindigd. Op 14 september 2017 vond een gesprek tussen de collega en de zoon plaats over de ontstane situatie. Ook daar meldde de collega dat zij een melding zou gaan doen bij Veilig Thuis zodat een onafhankelijk onderzoek naar de cognitieve capaciteiten van vader zou kunnen plaatshebben. In het dossier staat dat de zoon dat prima vond. Verder vond op die dag telefonisch contact tussen de collega en de vader plaats. In dat contact gaf de vader aan dat hij weliswaar schriftelijk te kennen had gegeven dat hij een andere huisarts wilde, maar dat dit eigenlijk zijn wil niet was. De dagen daarop verscheen de vader niet voor afgesproken B12-injecties. Desgevraagd deelde de vader mede dat dit volgens de zoon verstandiger was.

Op 19 september 2017 deed de collega de melding bij Veilig Thuis (sterk vermoeden van onthouding van zorg). Op 22 september 2017 belde de vertrouwensarts van Veilig Thuis en lichtte de collega de melding toe. Op 26 september 2017 vond een bezoek van het sociaal team van Veilig Thuis plaats bij de vader.

Op 29 september 2017 bezocht de vader het spreekuur van verweerster, waarbij de vader aangaf geen andere huisarts te willen. Op 2 oktober 2017 ontving de collega een brief van de vader gedateerd 27 september 2017 waarbij een kopie van zijn medisch dossier werd opgevraagd. Besloten werd (na vergeefse poging tot telefonisch contact met de vader) geen kopie te verstrekken. Op 2 oktober 2017 heeft verweerster contact opgenomen met de juridische afdeling van de LHV en op 4 oktober 2017 won verweerster advies in van de KNMG. Het advies luidde om eerst duidelijkheid te krijgen over de cognitieve kwaliteiten van de vader via een geriater. De daaropvolgende periode waren er over deze kwestie diverse telefonische contacten tussen verweerster en de zoon. Op 7 november 2017 kwam er weer een schriftelijk verzoek van de vader om toezending van een kopie van het dossier, waarop zijdens de praktijk met een aangetekende brief werd gereageerd, in welke brief werd verzocht om een persoonlijk gesprek met de vader. Op 13 november 2017 ontving de praktijk van verweerster een telefoontje van een andere huisartsenpraktijk met de vraag of overschrijving vanuit de praktijk van verweerster akkoord was. De collega maakte van dit gesprek melding bij de vertrouwensarts en meldde dat zij de vader eerst persoonlijk wilde spreken om ervan overtuigd te zijn dat dit zijn wens was. In de daaropvolgende periode waren er diverse verzoeken om afgifte van het dossier en diverse vergeefse pogingen van de praktijk van verweerster om contact met de vader hierover te krijgen. Op 14 december 2017 sprak verweerster met de vader bij hem thuis. Ofschoon de vader niet geheel duidelijk was in de kwestie van de artsenkeuze, was toch de conclusie dat het, alles in aanmerking genomen, beter was om van huisarts te veranderen. Verweerster lichtte de opvolgend huisarts in, belde vervolgens de zoon, afgesproken werd dat de zoon contact met de opvolgend huisarts zou opnemen, Veilig Thuis werd geïnformeerd en op 15 januari 2018 ontving de opvolgend huisarts het medisch dossier.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 mei 2018 werd bewind ingesteld over de goederen van de vader op de grond dat hij als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat was of bemoeilijkt werd zijn belangen van vermogensrechtelijke aard zelf waar te nemen, met benoeming van de zoon tot bewindvoerder.

3. Het standpunt van klagers en de klacht

Bij klaagschrift, herhaald bij het mondeling vooronderzoek, verwijten klagers verweerster dat zij:

1)      een brief heeft opgesteld aan de rechtbank zonder bespreking met/toestemming van patiënt;

2)      een en ander verzweeg en bleef aandringen op behandeling terwijl klager (vader) dat niet wil;

3)      klager (zoon) niet als (beperkt en later volledig) gemachtigde van klager (vader) heeft geaccepteerd;

4)      maandenlang niet de beëindiging van de behandelrelatie met klager (vader) heeft geaccepteerd;

5)      Veilig Thuis ingeschakeld heeft tegen beter weten in en zonder bespreking/toestemming van patiënt/klager (vader);

6)      al drie maanden afgifte van klagers (vaders) medisch dossier aan klager (vader) heeft geweigerd;

7)      afgifte van klagers (vaders) medisch dossier aan zijn gemachtigde (zoon) heeft geweigerd;

8)      maandenlang de overgang naar een nieuwe huisarts heeft geblokkeerd;

9)      de brief aan de rechtbank en de melding aan Veilig Thuis heeft verzwegen;

10)  klager (vader) na de beëindiging van behandelrelatie maandenlang is blijven lastig vallen/stalken;

11)  klagers (vaders) privacy veelvuldig geschonden heeft;

12)  voortdurend heeft verdraaid en gelogen en steeds haar verhaal heeft aangepast.

Na overleg tijdens de mondelinge behandeling zijn voornoemde klachtonderdelen samengevoegd tot de navolgende vier onderdelen:

1)      verweerster heeft het bericht van 5 september 2017 zonder toestemming van klagers aan de dochter verstrekt en deze brief is verzwegen tegenover klagers;

2)      er is melding gemaakt bij Veilig Thuis en daarbij is de code niet in acht genomen;

3)      er is geen inzage in het medisch dossier gegeven aan klagers;

4)      er is niet meegewerkt (zelfs tegengewerkt) dat vader naar een andere huisarts kon gaan. Hieronder valt ook de overdracht van het medisch dossier en het niet accepteren van de machtiging, bezoeken die zijn afgelegd en stalking enzovoort.

4. Het standpunt van verweerster

Tegen verweerster en haar collega, die in maatschapsverband de praktijk uitoefenen, is een veelheid van klachten ingediend. Iedere individuele zorgverlener draagt de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelen. Dit betekent dat voor zover de klachten betrekking hebben op handelen waarbij verweerster niet is betrokken, de klachten moeten worden afgewezen.

Verweerster is niet betrokken geweest bij de afgifte van de verklaring ten behoeve van de rechtbank d.d. 5 september 2017 en ook niet bij de melding aan Veilig Thuis.

De overige klachten komen in de kern hierop neer dat verweerster niet bereid was het medisch dossier aan de vader te geven en niet bereid was mee te werken aan de overschrijving naar een andere praktijk.

Verweerster en haar collega ontvingen van klager het schriftelijk verzoek om afgifte van het medisch dossier van de vader voor overschrijving naar een andere huisartsenpraktijk. Bij de vader leek sprake van een aanmerkelijke cognitieve achteruitgang. In het consult van

29 september 2017 heeft de vader ook aangegeven dat hij geen andere huisarts wilde en niet wist hoe het zat met het verzoek tot afgifte van het dossier. Het was daarom voor verweerster en haar collega niet duidelijk wat de vader wilde en zij vermoedden dat de zoon achter dit verzoek zat. Herhaaldelijk is vergeefs getracht met de vader zelf hierover in contact te komen.

Verweerster heeft zich geconformeerd aan het advies van de KNMG.

5. De overwegingen van het college

Het college zal de klachten behandelen aan de hand van de bij de mondelinge behandeling afgesproken samenvatting in vier onderdelen.

Ad klachtonderdeel 1) en 2)

Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

In een tuchtrechtprocedure geldt het beginsel van de individuele verwijtbaarheid. Zonder een individueel verwijt kan geen sprake zijn van een veroordeling.

Voor het college is niet komen vast te staan dat verweerster bij deze klachtonderdelen betrokken is geweest, zodat haar ter zake geen individueel verwijt kan worden gemaakt en de grondslag voor een tuchtrechtelijke veroordeling ontbreekt.  Het enkele feit dat een ander lid van de maatschap van verweerster een fout heeft gemaakt, maakt dit niet anders en kan niet leiden tot individuele verwijtbaarheid en dus tot tuchtrechtelijke veroordeling van verweerster.

Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Ad klachtonderdeel 3 en 4)

Het college zal deze onderdelen vanwege hun samenhang gezamenlijk behandelen.

Het uitgangspunt is dat verzoeken van patiënten om overschrijving naar een andere praktijk en verzoeken tot inzage van het dossier of tot afgifte van een kopie ervan met bekwame spoed moeten worden gehonoreerd.

Verweerster maakte zich echter op goede gronden zorgen over de cognitie van de vader. Er was sprake van een sterke verdenking van voortschrijdende dementie, maar onderzoek en behandeling werden gefrustreerd doordat de vader niet verscheen op behandelafspraken en het voor verweerster niet mogelijk was om met de vader (alleen) contact te hebben teneinde duidelijkheid te verkrijgen over wat de vader zelf wilde.

In dit geval heeft het ruim vier maanden geduurd te rekenen vanaf het eerste verzoek (afkomstig van de zoon) tot afgifte van het dossier en overschrijving naar een andere praktijk, voordat een en ander was gerealiseerd. Deze op zich te lange duur kan verweerster echter niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Niet duidelijk was immers of de vader, gelet op de gegevens over zijn cognitie, in staat was zijn wil te bepalen en ook was niet duidelijk of de in de schriftelijke verzoeken vervatte wil, zo die al kon worden bepaald, in vrijheid tot stand was gekomen. Verweerster heeft voldoende (vergeefse) pogingen gedaan om met de vader alleen hierover te spreken. Het college neemt voorts in aanmerking dat de vader één keer, toen hij alleen was, tegen verweerster het tegendeel verklaarde van wat schriftelijk was verzocht. Nog in het laatste gesprek, op 14 december 2017, was de vader niet duidelijk, maar is er toch (terecht) voor gekozen om mee te werken aan de overdracht. Deze overdracht heeft vervolgens plaatsgevonden en het dossier is afgegeven aan de opvolgend huisarts. Niet gebleken is dat hierbij een aan verweerster verwijtbare vertraging is opgetreden.

Dat, ten slotte, verweerster de vader zou hebben gestalkt wijst het college van de hand. Verweerster heeft terecht getracht om op een adequate wijze met de vader in contact te komen om hem in de gegeven situatie een zo goed mogelijke behandeling te geven en te achterhalen wat hij zelf wilde. Haar treft ter zake geen verwijt. 

Ook deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Nu alle klachtonderdelen ongegrond zijn, zal de klacht worden afgewezen.

6. De beslissing

Het college:

-          wijst de klacht af.

Aldus beslist door T. Zuidema als voorzitter, C.D.M. Lamers als lid-jurist, A. de Jong,

J.D.M. Schelfhout en M.A.M.U. Vermeulen als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid

van C.W.M. Hillenaar als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2018

in aanwezigheid van de secretaris.