ECLI:NL:TGZREIN:2018:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1857
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2018:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-10-2018 |
| Datum publicatie: | 24-10-2018 |
| Zaaknummer(s): | 1857 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Bedrijfsarts wordt onder meer verweten dat hij 1) de benadering van klagers leidinggevenden en de beleidskeuze niet als belemmerende factor wilde benoemen in de FML, 2) in het deskundigenoordeel van UWV expliciet heeft laten opnemen dat klager bij het derde consult na 5 minuten is opgestapt en 3) aan de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat bij klagers inzetbaarheid en plaatsing geen rekening behoeft te worden gehouden met zijn cognitief niveau. College: 1) In een FML worden beperkingen en mogelijkheden van de werknemer weergegeven en niet het gedrag of het beleid van de werkgever. 2) De informatie in het deskundigenoordeel over het weglopen van klager uit het gesprek was hoe dan ook afkomstig van verweerder (zij het wellicht niet rechtstreeks). Die informatie valt niet onder gegevens die de bedrijfsarts in de terugkoppeling met derden mocht delen (zie ook de ‘KNMG-code Gegevensverkeer’ en de ‘Leidraad bedrijfsarts en privacy’). 3) Dat de bedrijfsarts deze uitlating heeft gedaan, is niet komen vast te staan. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing. |
Uitspraak: 24 oktober 2018
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 29 maart 2018 binnengekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klager
tegen:
[C]
bedrijfsarts
werkzaam te [D]
verweerder
gemachtigde mr. C. van der Kolk-Heinsbroek te Utrecht
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van 24 mei 2018 met bijlagen van de gemachtigde van verweerder.
Na ontvangst van de brief van 14 mei 2018 van de gemachtigde van verweerder heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.
De klacht is ter openbare zitting van 5 september 2018 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door zijn gemachtigde.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager is sinds februari 2005 als medewerker Diagnostiek & Training in dienst van een werk-leer-bedrijf dat arbeidsplaatsen regelt voor mensen met een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). In 2012 is klager zich vooral gaan bezighouden met de herindicaties van Wsw-gerechtigden. Ten gevolge van een organisatieverandering hield klager zich sinds 2015 bezig met het ondersteunen van leidinggevenden bij het voeren van eindgesprekken en het opstellen van ontwikkelingsplannen van medewerkers.
Bij klager zijn in relatie tot het verrichten van arbeid op grond van eerdere WAO/WIA beslissingen de volgende beperkingen gesteld:
- niet onder stress werken;
- voorgestructureerd werk;
- vaste, bekende werkwijzen;
- geen afleiding door activiteiten van anderen;
- een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen, onderbrekingen, deadlines of productiepieken;
- een conflictarme werkomgeving.
Op 30 juni 2017 viel klager uit voor zijn werk en na een hervatting opnieuw per 25 juli 2017.
Op 28 augustus 2017 bezocht klager voor de eerste maal het spreekuur van verweerder, bedrijfsarts. Verweerder noteerde in de terugkoppeling naar klager en zijn werkgever dat het verloop van klagers gezondheidstoestand niet geheel duidelijk was omdat er werkgerelateerde problemen zijn. Verweerder achtte klager op termijn geschikt voor aangepast/eigen werk en wilde hem na twee weken terugzien op het spreekuur. Verweerder noteerde voorts:
“(…) Adviezen voor werknemer: overleg met werkgever over zijn arbeidsgerelateerde problematiek
Adviezen voor werkgever: Werkgerelateerde problemen bespreken en adequate oplossing zoeken (…)”.
Op 13 september 2017 zag verweerder klager opnieuw op het spreekuur. Een probleemanalyse (PA) werd opgesteld. Verweerder noteerde in de PA onder meer (citaat inclusief spel- en taalfouten):
“Houd bij het opbouwen van de werkuren het volgende advies aan: staten in week 38 halve daggen (…) Het is ter beoordeling aan de werkgever of een aangepast takenpakket aanwezig en/of praktisch haalbaar is. Als u een aangepast takenpakket niet of slechts voor een deel van de contracturen kunt bieden, motiveer dit dan ook in (de bijstelling van) het plan van aanpak. (…) Er zijn niet-medische problemen die de re-integratie belemmeren. Het is noodzakelijk dat een open dialoog tussen werkgever en werknemer wordt gevoerd om te komen tot een oplossing. Zodat deze niet-medische problemen de re-integratie niet meer hoeven belemmeren. Ik geef géén waardeoordeel over de belemmerende factor(en) die werknemer en/of werkgever ervaren. En heb alleen een signalerende rol. (…)
Als u behoefte heeft aan aanvullende (gesprek)ondersteuning, begeleiding of interventies, dan kunnen wij dit bieden. Aarzel dan niet contact met mij op te nemen. (…)
A1: Werknemer zal weer volledig geschikt worden voor het eigen werk. Voor zover ik kan inschatten is er geen kans op terugval. (…)”
Verweerder wilde klager na zes weken terugzien op het spreekuur.
Op 11 oktober 2017 zag verweerder klager opnieuw op het spreekuur. In de terugkoppeling daarvan noteerde verweerder:
“Betrokkene is het niet eens met ondergetekende over aanvullingen van de beperkingen die hij graag wil laten vermelden., waardoor het gesprek door de cliënt abrupt was afgebroken. Totale duur van dit spreekuurcontact was nauwelijks 5 minuten.” Verweerder wilde klager na zes weken terugzien op het spreekuur.
Op 23 oktober 2017 zag verweerder klager voor de laatste maal op het spreekuur. Naar aanleiding daarvan stelde verweerder over klager een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op. Onder het kopje ‘II.8 Omgaan met conflicten’ noteerde verweerder: “Sterk beperkt kan meestal geen conflicten hanteren”.
Klager vroeg vervolgens een deskundigenoordeel aan met de vraag: “Doet mijn werkgever genoeg om mij weer aan het werk te helpen?” Op 21 november 2017 heeft de arbeidsdeskundige een rapportage over klager opgesteld. Onder het kopje ‘2.3.2. Gegevens verkregen van de werkgever’ in de rapportage wordt het verloop van de re-integratie geschetst. Bij de datum 11-10-2017 wordt vermeld: “(…) O.b.v. o.a. specialistisch rapport wil BA (college: de bedrijfsarts) aanvullingen op beperkingen aanbrengen. Werknemer verlaat het gesprek na 5 min. Is het niet eens met de gestelde beperkingen t.a.v. volledig voorgestructureerd routinewerk (wat, hoe, wanneer hoelang en één taak per opdracht. Werknemer is van mening dat hij slechts beperkt is t.a.v. conflicten met onrédelijke- níet respectvolle mensen en wel degelijk in samenwerking kan overleggen over wie wat doet.” De arbeidsdeskundige oordeelde dat de inspanningen van de werkgever tot 21 november 2017 voldoende waren, maar dat ten behoeve van het creëren van een gunstige re-integratiesfeer nog helderheid geschapen moest worden over onder meer de functie-inhoud en de do’s en don’ts van werkgever en werknemer. Mediation werd voorgesteld.
Op verzoek van klagers werkgever is vervolgens een arbeidsdeskundig onderzoek uitgevoerd, welk onderzoek is vastgelegd in de ‘Rapportage Arbeidsdeskundig onderzoek’ van 5 januari 2018. In die rapportage staat onder het kopje ‘2.1 Overleg met de bedrijfsarts’ onder meer (citaat inclusief spel- en taalfouten): “Ik heb hem (college: de bedrijfsarts) gevraagd of [klager] aangewezen is op werk dat aansluit bij zijn cognitieve niveau. De bedrijfsarts heeft aangeven dat het mooi meegenomen is als het werk aansluit bij zijn cognities maar dat het geen vereiste is.”
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat hij zich niet neutraal en professioneel heeft opgesteld doordat hij:
1. niet bemiddelde in het conflict tussen klager en zijn werkgever, terwijl voor de bedrijfsarts wel helder was wat het probleem was;
2. de benadering van klagers leidinggevenden en de beleidskeuze niet als belemmerende factor wilde benoemen in de FML, maar het te vervatten onder ‘betrokkene kan geen conflicten hanteren’;
3. in het deskundigenoordeel van UWV expliciet heeft laten opnemen dat klager bij het derde consult na 5 minuten is opgestapt zonder melding te maken van de rest van het proces. Daarmee heeft de bedrijfsarts bewust gepoogd een onjuist beeld van klager op te roepen dat klager niet meewerkt aan zijn re-integratie, hetgeen schade heeft veroorzaakt aan klagers reputatie en gezondheid;
4. aan de arbeidsdeskundige heeft aangegeven dat bij klagers inzetbaarheid en plaatsing geen rekening behoeft te worden gehouden met klagers cognitief niveau.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder is van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Ad 1. Verweerder heeft in zijn probleemanalyse van 13 september 2017 genoteerd dat het noodzakelijk is dat er een open dialoog tussen werkgever en werknemer moet worden gevoerd om tot een oplossing te komen en hij heeft klagers leidinggevende geadviseerd met klager in overleg te treden. Meer dan dat kan verweerder in zo’n situatie niet doen en hij heeft zijn signalerende en adviserende rol in deze situatie op een zorgvuldige manier vervuld. Klagers leidinggevende zei dat het werk niet (meer) aan te passen is en klager door de veranderingen in de organisatie niet meer kan functioneren en heeft het voorstel voor mediation afgewezen.
Ad 2. Verweerder heeft een andere mening ten aanzien van klagers beperkingen dan klager. Verweerder kan niet beoordelen of de werkgever niet consistent is zoals klager stelt. Daarom wilde verweerder dit niet noteren in de FML, waarna klager het gesprek op 11 oktober 2017 na 5 minuten afbrak. Klager had gebruik kunnen maken van een second opinion, maar heeft dit niet gedaan.
Ad 3. De door klager genoemde informatie staat in de terugkoppelingen van verweerder aan klager en de werkgever en kennelijk zijn die stukken overgelegd door klager dan wel de werkgever. Verweerder heeft de genoemde informatie niet aangewezen als informatie die expliciet moest worden opgenomen in het deskundigenoordeel. Verweerder heeft geen enkel document naar het UWV gezonden en ook geen overleg daarover gehad.
Ad 4. De arbeidsdeskundige en verweerder interpreteren de definitie ‘cognitief niveau’ verschillend. Verweerder kan geen rekening houden met het feit dat klager wenst dat hij bij aangepast werk kan aangeven dat er voor hem geen uitdaging in zit, omdat dat niet objectiveerbaar is. Indien verweerder hierin zou meegaan dan zou dit voor klager een vrijbrief opleveren om een aangeboden functie op basis daarvan te weigeren.
5. De overwegingen van het college
Klachtonderdeel 1: bemiddeling
Ter zitting heeft klager dit klachtonderdeel nader toegelicht als volgt. Bij het eerste gesprek heeft klager verweerder verteld dat hij ook niet openstond voor bemiddeling omdat hij er geen vertrouwen in had. Klager had in het verdere verloop echter wel verwacht dat verweerder zich meer pro-actief zou opstellen en op bemiddeling zou aandringen. Verweerder heeft vervolgens ter zitting verklaard dat hij er wel degelijk bij de werkgever op heeft aangedrongen dat bemiddeling tussen klager en de werkgever nodig was. De werkgever stond daar echter niet voor open. Klager heeft met deze verklaring van verweerder genoegen genomen en heeft – onder voorwaarde dat deze verklaring in de uitspraak zou worden opgenomen – dit klachtonderdeel ingetrokken.
Klachtonderdeel 2: de inhoud van de FML
Klager meent dat verweerder ten onrechte de benadering van klagers leidinggevenden en de beleidskeuze niet als belemmerende factor wilde benoemen in de FML. Het college deelt die mening niet. Wat van de benadering van klagers leidinggevenden en de beleidskeuze ook zij, een FML is niet bedoeld voor opmerkingen over die aspecten. In een FML worden de beperkingen en mogelijkheden van de werknemer weergegeven en niet het gedrag of het beleid van de werkgever. Verweerder heeft in de FML onder meer naar de door de indicatiecommissie opgestelde beperkingen verwezen en is in zijn toelichting in de FML uitgebreid geweest. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel 3: de inhoud van het deskundigenoordeel
Verweerder heeft in de terugkoppeling van het spreekuur van 11 oktober 2017 vermeld dat klager het niet met hem eens was over aanvullingen van de beperkingen die hij graag wilde laten vermelden, waardoor het gesprek na nauwelijks vijf minuten door klager abrupt werd afgebroken. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij dat heeft opgeschreven omdat hij het weglopen van klager niet netjes vond. Verweerder wilde – zo verklaarde hij – het proces schetsen en eerlijk zijn.
Het college concludeert dat de informatie in het deskundigenoordeel over het weglopen van klager uit het gesprek (verwezen wordt naar het kopje ‘2. De feiten’ in deze uitspraak) hoe dan ook afkomstig was van verweerder, zij het wellicht niet rechtstreeks, dan toch via de terugkoppeling van het spreekuur.
Naar het oordeel van het college heeft verweerder niet zorgvuldig gehandeld door in de terugkoppeling op te nemen dat klager het gesprek na nauwelijks vijf minuten abrupt had afgebroken. Dat geldt eens te meer gezien de door verweerder gegeven reden van die vermelding, te weten dat hij het weglopen van klager niet netjes vond.
De terugkoppeling is bedoeld voor werknemer en werkgever en bij de beoordeling van de re-integratie kunnen ook derden, zoals verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, daarvan kennis nemen. De vermelding over het weglopen van klager uit het gesprek is informatie die niet thuishoort in een terugkoppeling gelet op het volgende.
In het kader van de verzuimbegeleiding mag (en moet) de bedrijfsarts weliswaar zijn geheimhoudingsverplichting doorbreken, maar voor die doorbreking gelden grenzen. Die grenzen zijn uitgewerkt in richtlijnen zoals de ‘KNMG-code Gegevensverkeer en samenwerking bij arbeidsverzuim en re-integratie’ en de ‘Leidraad bedrijfsarts en privacy’. Uit die richtlijnen volgt dat de bedrijfsarts enkel g egevens mag doorgeven die noodzakelijk zijn voor een goede diagnosestelling/behandeling of begeleiding en re-integratie van de zieke werknemer en voor de vraag of zich een uitzondering op de loondoorbetalingsverplichting voordoet. Verweerder mocht ingevolge die richtlijnen functionele beperkingen, restmogelijkheden, de verwachte duur van het verzuim en de mate van arbeidsongeschiktheid opnemen, evenals eventuele aanpassingen of werkvoorzieningen, het verwachte einddoel van de re-integratie en werkgerelateerde oorzaken voor arbeidsongeschiktheid. De vermelding dat klager wegliep uit het gesprek valt – zeker gezien de reden die verweerder voor de vermelding gaf – niet onder bovenbedoelde gegevens. Naar het oordeel van het college had verweerder zich kunnen en moeten bedenken dat die vermelding klagers reputatie schade toebracht.
Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel 4: mededeling aan arbeidsdeskundige over klagers cognitief niveau
Verweerder heeft betwist dat hij tegen de arbeidsdeskundige heeft gezegd dat bij klagers inzetbaarheid en plaatsing geen rekening behoefde te worden gehouden met klagers cognitief niveau. Verweerder stelt dat hij enkel heeft gezegd dat er geen rekening mee behoefde te worden gehouden dat het nieuwe werk voor klager een uitdaging moest zijn, maar dat uitdagend werk wel meegenomen zou zijn. Verweerder stelt niet te hebben ontkend dat klager op zijn cognitieve niveau zou moeten worden ingezet. Volgens verweerder heeft de arbeidsdeskundige zijn woorden anders geïnterpreteerd en opgeschreven. Nu niet is komen vast te staan dat verweerder de gewraakte uitlating zoals weergegeven door de arbeidsdeskundige heeft gedaan, kan dit klachtonderdeel niet gegrond worden bevonden.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
De maatregel
Nu één van de vier klachtonderdelen gegrond is bevonden, acht het college, mede gelet op de ernst van het verwijtbare handelen, een waarschuwing een passende maatregel.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht deels gegrond zoals hiervoor overwogen;
- legt op de maatregel van waarschuwing;
- wijst de klacht voor het overige af, respectievelijk bepaalt dat de behandeling van klachtonderdeel 1 wordt gestaakt.
Aldus beslist door C.D.M. Lamers als voorzitter, J.W. van Rijkom als lid-jurist, G. Koster,
C.A.W.M. Hertog en R.L. Kloots als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van
I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018 in aanwezigheid van de secretaris.