ECLI:NL:TGZREIN:2018:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1856

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:70
Datum uitspraak: 12-09-2018
Datum publicatie: 12-09-2018
Zaaknummer(s): 1856
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:   Klaagster is na operatie waarbij schouderprothese is geplaatst voor revalidatie in behandeling bij collega fysiotherapeut van verweerster. Bij behandeling door verweerster wegens afwezigheid van de collega raakt de schouder (niet zichtbaar door de kleding) uit de kom. Klachten over o.a. overdracht, kennis dossier, behandeling en bejegening ongegrond. Nazorg in die zin onvoldoende dat verweerster de schouder had moeten onderzoeken, nu klaagster hevige pijn had. Waarschuwing.

Uitspraak: 12 september 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 28 maart 2018 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

gemachtigde: drs. G.T. Haan

tegen:

[C]

fysiotherapeut

werkzaam te [D]

verweerster

gemachtigde: mr. J.C.C. Leemans.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-          het klaagschrift met bijlagen

-          het verweerschrift met bijlagen

-          het proces verbaal van het op 14 augustus 2018 gehouden mondeling vooronderzoek.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 22 augustus 2018 behandeld. Partijen waren aanwezig (bijgestaan door hun gemachtigden).

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster is 20 februari 2017 in verband met ernstige artrose in haar linkerschouder geopereerd in het ziekenhuis, bij welke operatie in die schouder een prothese geplaatst is.

Klaagster werd na het verblijf in het ziekenhuis door de specialist doorverwezen naar een collega van verweerster voor verdere revalidatie. Blijkens het patiëntendossier heeft er op 6 maart 2017 uitgebreide diagnostiek plaatsgevonden en is het behandelplan met klaagster besproken en heeft zij daarvoor haar toestemming gegeven. Op 10 maart 2017 is de behandeling feitelijk gestart. In de periode van maart 2017 tot en met 4 augustus is klaagster intensief behandeld door de collega met een onderbreking in verband met de vakantie van klaagster. Op 10 juli 2017 noteerde de collega in het patiëntendossier (alle citaten inclusief taal- en spelfouten):

“(…)

In overleg laten we echo maken om de cuff te controleremn> zwakte van de arm geeft me enige zorgen”

Op 12 juli 2017 noteerde de collega:

“(…)

Is zelf best tevreden hoever ze al gekomen is

Echo: geen cuffscheur. Mijn inziens vnl onvoldoende spiermassa cuf (atrofie)

(…)”

Op 4 augustus 2017 noteerde de collega:

“(…)

(S)ubjectief/ bevindingen patiënt:

Oefenen thuis gaat goed, intensief bezig om middels theraband de elevatie uit te voeren vanuit lig en halfzit met verkorte lastarm

(O)bjectief/bevindingen therapeut:

Duidelijk meer selectiviteit tijdens PNF in lig

Nadien in zit geleidactief met minimale ondersteuning PNF elevatie patroon uitgevoerd

Na de therapie in staat om zelfstandig de elevatie met verkorte lastarm uit te voeren tot 150gr., wel moeizaam.  Voor de behandeling was ze hier niet toe in staat!!, positieve vooruitgang

Overleggegevens:

[naam verweerster], middels PNF ondersteunen, oef. Voert ze zelfstandig uit thuis en in de zaal”

Op 9 augustus 2017 werd in het patiëntendossier het volgende genoteerd:

“(…)

(P)lan van aanpak/uitgevoerde behandeling:

Gestart in lig rustige mobilisatie en daarna pnf geleid en lichte isometrische weerstadn oefeningen.

In zit oefenen, g geleid actief anteflexie (scaptie) tot 100-110 kreeg een flinke knak (subluxatie??) darna veel pijn rond de hele schoudergordel. Mw gezeg dta z emoet bellen als d epijjkalchetn blijven, evt para innemen. Kijken hoe het gaat.”

Op 28 augustus 2017 noteerde de collega van verweerster het navolgende in het patientendossier:

“(…)

(S)ubjectief/bevindingen patiënt:

Gaat niet goed met haar, zeer veel last van het feit dat ze geen goede begeleiding heeft gehad na het voorval. Contact momenten nadien met [naam andere collega] en [naam verweerster] hebben hier ook geen verandering in gebracht eerder meer frustratie!

(O)bjectief/bevindingen therapeut:

Status na luxatie schouder datum 9 aug 2017, welke is gereponeerd onder narcose in het ziekenhuis!

Vandaag na gesprek nog contact gehad met de orthopeed, aangegeven dat zij verder zal gaan revalideren in het ziekenhuis daar er geen vertrouwen meer is bij [naam praktijk]. Tevens begrepen van de orthopeed dat de schouder capsulair stabiel is en er waarschijnlijk geen laxiteit van het kapsel aanwezig is. Cuff onduidelijk .

(A)nalyse/conclusie bevindingen:

Mijn inziens goed gesprek gehad. Betreuren het voorval, maar respecteert haar beslissing om [naam ziekenhuis] haar revalidatie voort te zetten. Sluiten hier het dossier.

Afspraken met patiënt:

In overleg krijgt ze een uitdraai van haar dossier en wachten we de juridische procedure verder af.”

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerster dat:

a)   zij onprofessioneel en ondeskundig gehandeld heeft in de zin van overdracht en kennis van het medisch dossier alsmede in de uitvoering van de behandeling;

b)   zij ondeskundig en onprofessioneel gehandeld heeft nadat de linker schouder uit de kom was geraakt; zij had klaagster nooit zonder nazorg naar huis mogen sturen;

c)   er geen protocol in geval van calamiteiten in de praktijk aanwezig is;

d)   zij onprettig, ondeskundig en niet professioneel gecommuniceerd heeft.

In de toelichting op haar klacht merkt klaagster op dat de collega van verweerster in verband met de verzwakte pezen en spieren haar linkerarm- en schouder steeds ondersteunde bij de behandeling en dat er weer langzaam vooruitgang was. Klaagster heeft bij de eerste behandeling door verweerster duidelijk verteld welke oefeningen gedaan werden en op wat voor manier de collega de behandeling uitvoerde. Verweerster ondersteunde de arm- en schouder niet bij de oefeningen en zij bewoog de linkerarm, voor klaagster onverwacht, met een duw omhoog. Klaagster hoorde een duidelijke knak en had meteen hevige pijn. Verweerster keek niet naar de schouder en stuurde klaagster naar huis met het advies om pijnstillers te nemen. Thuisgekomen zag klaagster, nadat zij haar T-shirt had uitgedaan, dat de linkerschouder een vreemde stand had. Omdat zij de huisartsenpraktijk niet kon bereiken is zij teruggegaan naar de praktijk van verweerster en vandaar naar de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Daar bleek dat de schouder uit de kom was geschoten.  De linkerschouder is hierdoor zodanig beschadigd dat er op 4 december 2017 een operatie heeft plaatsgevonden waarbij een nieuwe schouderprothese is geplaatst, aldus klaagster.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster brengt – zakelijk samengevat – naar voren dat zij op 9 augustus 2017 klaagster als patiënte heeft overgenomen van een collega en dat er een persoonlijke overdracht heeft plaatsgevonden en er een verslaglegging was via Intramed.

Klaagster is eerst in liggende houding behandeld waarna de houding is veranderd naar lang zit, met de rug gesteund tegen de behandelbank. De behandeling bestond toen uit geleid actieve mobilisatie van de schouder van klaagster in abductie tot 90 graden en geleid actieve anteflexie in scaptie tot 90 graden.  De mobilisatie is rustig uitgevoerd en daarbij is aan klaagster gevraagd hoe het ging. Na de derde/vierde mobilisatie in anteflexie was er een lichte sensatie voelbaar en was er pijn bij klaagster. Verweerster is toen meteen gestopt met behandelen en heeft gevraagd wat en waar de pijn voelbaar was. Verweerster heeft naar de schouder van klaagster gekeken met de kleding aan en er was niets afwijkends te zien. Verweerster heeft niet gevraagd aan klaagster om het T-shirt uit te doen omdat dit pijnlijk was. Samen met klaagster heeft zij overlegd hoe ze er aan toe was en hoe ze naar huis zou gaan. Verweerster heeft aangeboden om te helpen maar klaagster gaf aan dat het wel goed zou komen. Klaagster gaf nogmaals aan dat dit goed zou komen en dat ze anders haar man zou bellen. Verweerster heeft duidelijk tegen klaagster gezegd dat als de pijn zo zou blijven ze meteen weer naar de praktijk moest bellen of naar haar huisarts. Na het vertrek van klaagster heeft verweerster overleg gehad met een collega en heeft zij geprobeerd contact te krijgen met de behandelend orthopeed, maar dat is toen niet gelukt. Klaagster is terug gekomen naar de praktijk waarna verweerster klaagster, gezien de aanhoudende pijnklachten en het feit dat zij het zelf niet vertrouwde, heeft ingestuurd naar de spoedeisende hulp. Verweerster heeft op 10 augustus 2017 telefonisch contact opgenomen met klaagster om te horen hoe het ging. Op 11 augustus 2017 heeft klaagster op haar verzoek nog een gesprek gevoerd met verweerster en met een collega waarbij klaagster heeft aangegeven dat zij het gevoel had dat verweerster zich in het eerder telefonisch contact probeerde te verdedigen en dat zij een onprettig gevoel heeft overgehouden aan de afhandeling van het gebeuren.

5. De overwegingen van het college

Klachtonderdeel a

Voor zover dit klachtonderdeel ziet op de overdracht en de kennis van het medisch dossier dient dit reeds te falen bij gebreke van enige feitelijke onderbouwing. Met betrekking tot de uitvoering van de behandeling merkt het college op dat weliswaar vast staat dat tijdens de behandeling door verweerster de schouder van klaagster uit de kom geraakt is, maar dat dit enkele gegeven niet maakt dat er daardoor sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. Dit zou slechts anders zijn indien komt vast te staan dat verweerster de behandeling op onjuiste wijze heeft uitgevoerd. Daarvan is echter niet gebleken. Integendeel, de door verweerster beschreven techniek en door haar uitgevoerde behandeling zijn conform de in de beroepsgroep geldende standaard. Het enkele feit dat de behandeling door verweerster mogelijk niet geheel op dezelfde wijze werd uitgevoerd als door de collega maakt dit niet anders. Het college acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel b

Dit klachtonderdeel ziet op de door verweerster geleverde nazorg. Met klaagster is het college van oordeel dat verweerster, direct nadat er tijdens de behandeling een “knak” te horen was en klaagster klaagde over hevige pijn, de schouder van klaagster had dienen te onderzoeken. Indien het uittrekken van het T-shirt te veel pijn zou hebben gegeven en verweerster, zoals zij stelt, dat om die reden niet aan klaagster gevraagd heeft, had zij aan klaagster toestemming kunnen vragen om de schouder onder het T-shirt te mogen palperen om zodoende te kunnen vaststellen wat de oorzaak van de “knak” en pijn zou kunnen zijn. In zoverre acht het college dit klachtonderdeel gegrond. Voor het overige is het college van oordeel dat de door verweerster geleverde nazorg adequaat was.

Klachtonderdeel c

Verweerster is als werkneemster werkzaam binnen de praktijk en heeft daarmee geen zeggenschap over de wijze waarop de praktijk is ingericht, zodat reeds om die reden haar geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt van het ontbreken van een protocol. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d

Klaagster en verweerster verschillen van mening over de wijze van communiceren na de behandeling op 9 augustus 2017. Het college kan niet uitmaken wie van beiden daarin gelijk heeft, omdat aan het woord van de een niet meer geloof gehecht kan worden dan aan het woord van de ander. Het is vaste tuchtrechtspraak in gevallen als deze, waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van de klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus hier niet vaststellen. Dit klachtonderdeel is evenzeer ongegrond.

De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel b deels gegrond is en alle overige klachtonderdelen ongegrond zijn.

De maatregel

Over de vraag welke maatregel passend is overweegt het college dat verweerster weliswaar de schouder had dienen te onderzoeken maar dat zij overigens adequaat gehandeld heeft. Voorts is gebleken dat verweerster lering getrokken heeft uit het gebeuren op 9 augustus 2017 en dat er binnen de praktijk afspraken gemaakt zijn om herhaling te voorkomen.    Gelet hierop is een waarschuwing naar het oordeel van het College een passende reactie op het handelen van verweerster.

6. De beslissing

Het college:

      -     verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;

-          legt op de maatregel van waarschuwing;

-          wijst de klacht voor het overige af.

Aldus beslist door C.D.M. Lamers als voorzitter, A.M.G. Zwaans en J.L. Keijzer als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van N.A.M. Sinjorgo als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018 in aanwezigheid van de secretaris.