ECLI:NL:TGZREIN:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1833
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2018:69 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-08-2018 |
| Datum publicatie: | 22-08-2018 |
| Zaaknummer(s): | 1833 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Gz-psycholoog. Klacht: verweerster had niet mogen rapporteren over klaagster, de dochter van de gemachtigde van klaagster, gezien de professionele relatie tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster (1), rapport voldoet niet aan de eisen (2 en 3), ondeugdelijke methodiek en geen inzage- en correctierecht aangeboden (4). College: (1) gegrond omdat er sprake was van een conflictueuze situatie, (2) en (3) ongegrond, (4) gegrond wat betreft niet melden inzage- en correctierecht. Waarschuwing. |
Uitspraak: 22 augustus 2018
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 26 februari 2018 binnengekomen klacht van:
(A)
wonende te (B)
klaagster
gemachtigde (C) te (B)
tegen:
(D)
gz-psycholoog
werkzaam te (E)
verweerster
gemachtigde mr. R.J. Peet te Utrecht
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlage
- de brief van 10 maart 2018 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster
- het verweerschrift met bijlage
- de brief van 24 mei 2018 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster.
Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek. De klacht is ter openbare zitting van 4 juli 2018 behandeld. Klaagster was zelf niet aanwezig, maar wel haar gemachtigde. Verweerster was aanwezig met haar gemachtigde.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 7 februari 2018 heeft een stichting voor jeugdbescherming door tussenkomst van het NIFP aan verweerster, gz-psycholoog, verzocht een “Instemmingsverklaring gedragswetenschapper machtiging gesloten jeugdzorg” ten aanzien van klaagster af te geven. Dit in het kader van een bij de rechtbank ingediend verzoek tot verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp (artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet). De betreffende verklaring diende uiterlijk 16 februari 2018 ingeleverd te zijn.
Verweerster heeft klaagster in het kader van uitvoering van deze opdracht op 12 februari 2018 gesproken.
Ter zake van de - ten behoeve van de uitvoering van de opdracht - ontvangen stukken, vermeldt de eerder genoemde instemmingsverklaring:
“Ontvangen stukken
- Verzoek verlening machtiging gesloten jeugdhulp in het kader van voogdij (art 6.1.2. lid 1 Jeugdwet) van jeugdbescherming [naam] d.d. 6 februari 2018.
Ik ontving een summier verzoekschrift voordat ik met [klaagster] in gesprek ging. Gegevens over haar voorgeschiedenis, gezin, hulpverleningsgeschiedenis alsmede de reden voor de voogdij worden niet gerapporteerd.
Ik had op 14 februari 2018 (na het gesprek met [klaagster]) telefonisch contact met de voogd. Zij was bereid mondeling toe te lichten waarom zij noodzaak zag de periode dat [klaagster] in gesloten jeugdzorg verblijft, te verlengen.
Tevens gaf zij -waarvoor [klaagster] mij op 12 februari toestemming gaf- de rapportage van de [naam instelling] en het plan van aanpak voogdij d.d. 9 februari 2018 waarin meer informatie over de gezinssituatie en de voorgeschiedenis werd gegeven. ”.
De instemmingsverklaring, door verweerster ondertekend op 15 februari 2018, luidt:
“Ik verklaar, en derhalve stem ik in met de verklaring van Jeugdbescherming [naam] dat [klaagster] opgroei- en opvoedproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat behandeling binnen de kaders en mogelijkheden van gesloten jeugdzorg noodzakelijk is om te voorkomen dat [klaagster] zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken en dat zich derhalve een geval voordoet als bedoeld in artikel 6.1.2. lid 1 Jeugdwet.”.
De gemachtigde van klaagster, tevens moeder van klaagster, en verweerster zijn beiden werkzaam als gerechtelijk gedragsdeskundige. Verweerster en de gemachtigde van klaagster zijn in hun hoedanigheid van gerechtelijk gedragsdeskundige een aantal keer in strafzaken van jeugdigen aan elkaar gekoppeld geweest. De gang van zaken was dan aldus dat ieder haar eigen onderzoek uitvoerde en op eigen naam rapporteerde. Er werd (destijds) geen kennis genomen van het rapport van de ander. In één van deze zaken heeft de gemachtigde van klaagster in strijd met de waarheid gerapporteerd dat verweerster en de gemachtigde van klaagster het eens waren wat betreft hun oordeel c.q. conclusie. Hierover is bij het NIFP een klacht ingediend en verweerster is in dat kader gehoord.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerster dat zij:
1. niet had mogen rapporteren over klaagster, de dochter van de gemachtigde van klaagster, gezien de professionele relatie tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster. Verweerster heeft eerder aangegeven niet professioneel met de gemachtigde van klaagster te willen samenwerken en was op de hoogte van het feit dat klaagster een dochter van de gemachtigde van klaagster was. Verweerster was hierdoor niet objectief.
2. heeft gerapporteerd zonder betrouwbare voorinformatie. De bronvermelding is niet in het rapport opgenomen, verweerster heeft geen deugdelijke dossieranalyse uitgevoerd en uit haar rapport is niet gebleken op basis van welke informatie zij conclusie baseert.
3. niet geverifieerde en onjuiste informatie heeft toegepast. Verweerster heeft tevens niet ter zake doende informatie opgenomen.
4. een ondeugdelijke methodiek en handelingswijze heeft gebruikt. Het rapport geeft geen blijk van de methode van onderzoek en niet is gebleken op welke gronden de bevindingen en conclusies berusten. Daarnaast heeft verweerster klaagster geen inzage- en correctierecht aangeboden.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster is van mening dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Meer in het bijzonder heeft verweerster ten aanzien van de klachtonderdelen het volgende aangevoerd.
Ad klachtonderdeel 1. Op het moment dat verweerster de opdracht aanvaardde, wist zij niet dat klaagster een dochter was van de gemachtigde van klaagster. Daar kwam zij pas tien minuten voor afsluiting van het gesprek met klaagster achter. Verweerster heeft bij het opstellen van de instemmingsverklaring een neutrale, kritische en professionele houding in acht genomen. Verweerster en de gemachtigde van klaagster zijn in de periode 2008-2012 weliswaar een aantal malen in dezelfde zaak betrokken geweest als gerechtelijk gedragsdeskundige, maar zij kennen elkaar niet persoonlijk en is er geen sprake van een (verstoorde) werkrelatie. Over het voorval zoals beschreven onder de feiten heeft verweerster ter zitting nog verklaard, dat zij dit als lastig heeft ervaren en daarom niet meer samen met de gemachtigde van klaagster aan een zaak gekoppeld wilde worden. Toen later in een al lopende zaak waarin verweerster als gerechtelijk gedragsdeskundige gekoppeld was, werd besloten er een zogeheten dubbelzaak van te maken en de gemachtigde van klaagster als tweede rapporteur te benoemen, is verweerster zelf op zoek gegaan naar een vervanger en heeft zij zich teruggetrokken, aldus verweerster. Verweerster heeft verder ter zitting nog verklaard na afloop van het gesprek met klaagster bewust te hebben afgewogen wat in het belang was van klaagster, nu zich terugtrekken tot gevolg zou hebben dat klaagster nogmaals een gesprek zou moeten aangaan, met een andere gedragsdeskundige. Dat zou voor klaagster belastend zijn, waarna zij heeft besloten de instemmingsverklaring toch af te geven, aldus verweerster.
Ad klachtonderdeel 2. De instemmingsverklaring zoals door verweerster afgegeven, een screening of aan de voorwaarden voor plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg wordt voldaan, voldoet aan de daaraan te stellen eisen van vakkundigheid en zorgvuldigheid.
Ad klachtonderdeel 3. In het kader van het opstellen van een instemmingsverklaring zoals hier aan de orde, is het aan de opdrachtgever om verweerster te voorzien van de relevante informatie. Omdat het verzoek in dit geval summier was, heeft verweerster met toestemming van klaagster nog contact opgenomen met de voogd en is vervolgens nog aanvullende informatie ontvangen. Het is niet aan verweerster om aan waarheidsvinding te doen.
Ad klachtonderdeel 4. Verweerster heeft haar werkzaamheden verricht conform het
NIFP-format uit 2009. De instemmingsverklaring moest op korte termijn worden afgegeven. Het is juist dat verweerster, vanwege de tijdsdruk, niet het inzage- en correctierecht met klaagster heeft besproken. Wel heeft zij klaagster mondeling meegedeeld dat zij een instemmingsverklaring zou afgeven.
5. De overwegingen van het college
Het college overweegt ten aanzien van klachtonderdeel 1. als volgt.
In de kern behelst dit klachtonderdeel het verwijt dat het verweerster gegeven de omstandigheden niet vrij stond een instemmingsverklaring ten aanzien van klaagster af te geven. De gang van zaken zoals - onweersproken - omschreven door verweerster leidt het college tot het oordeel dat sprake was van meer dan enkel een professioneel verschil van mening. Op enig moment is een conflictueuze situatie ontstaan tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster en die situatie had betrekking op de betrouwbaarheid van de gemachtigde van klaagster. Het feit dat verweerster zich lopende een - latere en tweede - opdracht heeft teruggetrokken vanwege dit eerdere voorval, onderschrijft naar het college zijn oordeel dat verweerster het eerste voorval kennelijk als ernstig heeft ervaren. Het college is van oordeel dat in voor alle betrokkenen (in dit geval onder meer klaagster en de gemachtigde van klaagster) impactvolle zaken als deze (het wel of niet verlenen van een machtiging gesloten jeugdzorg) het van groot belang is dat geen ruimte wordt gelaten voor twijfel aan de onafhankelijkheid van de gedragswetenschapper. In dit kader is niet zozeer alleen bepalend of verweerster zich neutraal heeft opgesteld, maar of door de buitenwacht op voldoende objectiveerbare grond aan die neutraliteit getwijfeld kon worden. Gezien de hiervoor geschetste gang van zaken is het college van oordeel dat deze laatste situatie zich voordoet. Dit maakt dat verweerster de opdracht had moeten teruggeven. Het college ontkent niet dat een tweede gesprek, met een andere gedragsdeskundige, belastend voor klaagster zou (kunnen) zijn geweest, maar het college acht van meer zwaarwegend belang, in het belang van klaagster, dat de objectiviteit van de instemmingsverklaring boven redelijke twijfel verheven was. Klachtonderdeel 1. acht het college daarom gegrond.
De klachtonderdelen 2. tot en met 4. lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het college stelt daarbij het volgende voorop. Een rapportage, zoals ook dit verslag van onderzoek gevolgd door een instemmingsverklaring, wordt volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege aan de hierna volgende criteria getoetst:
- het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
- het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
- in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
- het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
- de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Bij de invulling van deze criteria moet rekening gehouden worden met de specifieke aard van een rapportage zoals hier aan de orde. Het onderzoek dat wel of niet leidt tot een instemmingsverklaring heeft ten doel te beoordelen of het verlenen van de verzochte machtiging c.q. of geslotenheid noodzakelijk is. Daartoe is nodig dat de gedragswetenschapper de jeugdige - in eigen persoon - onderzoekt. Dat is hier gebeurd, zo blijkt uit de rapportage. Meer of andere vereisten stelt de wet in artikel 6.1.2 lid 6 Jeugdwet niet aan het onderzoek door de gedragswetenschapper.
De rapportage vermeldt, anders dan de gemachtigde van klaagster heeft aangevoerd, de bronnen. Uit de instemmingsverklaring blijkt dat verweerster zich bij haar oordeel heeft gebaseerd op de inhoud van het verzoek verlening machtiging gesloten jeugdhulp, de mondeling verkregen informatie van de voogd, de rapportage van de instelling, het gesprek met klaagster en het plan van aanpak voogdij. Verweerster heeft haar oordeel en instemming dus gebaseerd op dossieronderzoek en haar gesprek met klaagster. Daarmee is verweerster te werk gegaan op een wijze die in de beroepsgroep gebruikelijk is. Het college wijst in dit verband op de “Handreiking gesloten jeugdhulp (december 2016)”, zoals gepubliceerd op de website van het Nederlands Instituut van Psychologen. De rapportage gevolgd door de instemmingsverklaring biedt voldoende inzicht in de door verweerster meegewogen informatie en de overwegingen die zij aan haar instemming ten grondslag heeft gelegd. De rapportage gevolgd door de instemmingsverklaring voldoet naar het oordeel van het college aan de eisen zoals hiervoor geformuleerd. De klachtonderdelen 2. en 3. zijn daarmee ongegrond.
Ter bespreking resteert dat verweerster geen inzage- en correctierecht heeft aangeboden. Voornoemde richtlijn geeft hiervoor geen specifieke voorschriften. In de beroepsgroep van verweerster is evenwel in zijn algemeenheid aanvaard dat wanneer aan een derde wordt gerapporteerd, aan de degene waarover wordt gerapporteerd de mogelijkheid wordt geboden vóór indiening van de rapportage deze in te zien en de mogelijkheid tot correctie van feitelijke onjuist- en/of onvolledigheden. Het college wijst in dit verband op de artikelen 91 en 93 van de Beroepscode voor psychologen. Verweerster heeft onderkend dat zij geen melding heeft gemaakt van de mogelijkheid tot inzage- en correctie en dat dit wel wenselijk was geweest, maar vanwege tijdsdruk niet is gebeurd. Los van wat daar in zijn algemeenheid van zij, is het college hier van oordeel dat weliswaar op korte termijn gerapporteerd moest worden, maar ook weer niet op een zodanig korte termijn dat het achterwege laten van het melden van het inzage- en correctierecht in redelijkheid achterwege gelaten kon worden. Klachtonderdeel 4. is daarom wat betreft het niet melden van het inzage- en correctierecht gegrond. Voor het overige is klachtonderdeel 4. ongegrond, zoals voortvloeit uit bovenstaande overwegingen.
De maatregel
Nu het college de klacht gedeeltelijk gegrond acht, komt het college toe aan de vraag welke maatregel passend is. Het college overweegt als volgt. Naar zijn aard acht het college het gegrond geachte verwijt ernstig. Het raakt de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van verweerster. Het college neemt echter ook in ogenschouw de concrete omstandigheden in dit geval, zoals het feit dat verweerster pas in een laat stadium erachter kwam dat klaagster en haar gemachtigde familie waren, alsook de aard van de relatie tussen verweerster en de gemachtigde van klaagster (zakelijk). Verweerster heeft bovendien gereflecteerd op haar handelen en heeft zich daarmee leerbaar getoond. Alles afwegende is het college van oordeel dat een waarschuwing een voldoende en passende maatregel is in deze.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht deels gegrond zoals hiervoor overwogen;
- legt op de maatregel van waarschuwing;
- wijst de klacht voor het overige af.
Aldus beslist door A.H.M.J.F. Piëtte als voorzitter, I. Boekhorst als lid-jurist,
R.J. Takens, W.C.B. Hoenink en M.W.J. de Haas als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2018 in aanwezigheid van de secretaris.