ECLI:NL:TGZREIN:2018:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1838
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2018:64 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-07-2018 |
| Datum publicatie: | 05-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 1838 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Bedrijfsarts wordt onder meer verweten dat hij klagers re-integratie heeft belemmerd, onjuiste rapportages heeft opgesteld en medische informatie over klager aan de werkgever heeft gelekt. De bedrijfsarts is procesbegeleider met een algemene zorgplicht en heeft zich te afwachtend opgesteld in de verzuimbegeleiding door klager ten onrechte gedurende vijf maanden aan zijn lot over te laten. Geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 88 Wet BIG geschonden. Zie ook KNMG-code Gegevensverkeer en Leidraad bedrijfsarts en privacy. Deels gegrond. Lering getrokken. Waarschuwing. |
Uitspraak: 5 juli 2018
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 17 januari 2018 bij het tuchtcollege Zwolle ingekomen klacht, die vervolgens is doorgeleid naar het tuchtcollege Eindhoven en aldaar op 1 maart 2018 is ontvangen, van:
[A]
wonende te [B]
klager
tegen:
[C]
bedrijfsarts
werkzaam te [D]
verweerder
gemachtigde mr. K. Baetsen te Rotterdam
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift;
- een kopie van het medisch dossier, ontvangen op 19 maart 2018 van de gemachtigde van verweerder;
- bewijsstukken, waaronder een usb-stick, ontvangen op 30 mei 2018 van klager.
Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.
De klacht is ter openbare zitting van 13 juni 2018 behandeld. Partijen waren aanwezig, verweerder bijgestaan door mr. W.A.M. Rupert, kantoorgenoot van mr. K. Baetsen.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klager was sinds 4 maart 2015 uitgevallen voor zijn werk met psychische klachten.
In een “Multidisciplinaire Behandelovereenkomst” gedateerd 29 januari 2016 en ondertekend door klagers behandelend psychiater (hierna: psychiater 1) wordt als uitgebreide problematiek vermeld:
“32 jarige Nederlandse man (…) die sinds december toenemend last heeft van anhedonie, gespannenheid, somberheid, prikkelbaarheid, slecht slapen en in gedachten gefixeerd is op problemen met zijn leidinggevende waardoor hij geen ruimte heeft in zijn gedachten om in oplossingen te denken. (…) Klachten lijken te passen bij een geagiteerde depressie. Klachten zijn geluxeerd door problemen op het werk met zijn leidinggevende, mogelijk speelt krenking hierbij een rol. (…) Er zijn geen suïcidale gedachten. (…)”
Begin maart 2016 heeft verweerder de begeleiding van klager van een collega van een andere arbodienst overgenomen.
Op 7 maart 2016 is op verzoek van klagers werkgever een driegesprek ingepland tussen klager, de werkgever en verweerder op 15 maart 2016. Naar aanleiding van een telefonisch contact op 10 maart 2016 met klagers zus heeft verweerder geadviseerd het geplande driegesprek te laten vervallen en te verplaatsen naar een later tijdstip, ongeveer vier weken na 15 maart 2016.
Op 24 maart 2016 heeft verweerder in klagers medisch dossier vermeld dat hij een brief van klagers behandelend psychiater (hierna: psychiater 2) heeft ontvangen, waarin psychiater 2 heeft gesteld dat er in de eerste drie maanden geen contact tussen klager en zijn werkgever diende plaats te vinden met het voorstel dat de psychiater verweerder over drie maanden zou informeren. Verweerder heeft daarop op 25 maart 2016 psychiater 2 gebeld en hem geïnformeerd over de verzuimprocedure en de daaruit voor klager voortvloeiende verplichtingen. Verweerder heeft in het medisch dossier over dat telefonisch contact onder meer vermeld:
“Man in behandeling bij GGZ op basis van (geheim te houden) diagnose: Depressie met psychotische kenmerken. Dit met perioden van suicidaliteit en homosuïcidaal. Man zou snel door het lint gaan (richting suicide) wanneer hij in overleg moet treden met werkgever. Wat de hieraan ten grondslag liggende oorzaak is, is psychiater niet bekend. Psychiater gaat ervan uit dat man aangewezen is op rust en dat elk contact met werkgever bedreigend is voor deze rust.”
Op 8 april 2016 zag verweerder klager voor de eerste keer op het spreekuur. In het medisch dossier noteerde verweerder daarover (citaat inclusief spel- en taalfouten):
“Medische informatie::
(…)
AO tgv frustratie (volgens medewerker) door benaderingswijze van leidinggevende ([naam medewerker] olv [naam medewerker]). Man zou volgens hemzelf altijd klaar gestaan hebben voor werkgever, (meer dan 2 jaar op zijn tenen gelopen om te voldoen aan verwachtingen van werkgever, zwarte Piet geweest om werkgever te pleasen) terwijl werkgever hem aangesproken heeft op zijn motivatie. Dit met de opmerking dat man wellicht beter ander werk zoekt. Man voelt zich niet gewaardeerd. Mist ook maar enig respect van werkgever. Na ziekmelding zou man ook geen kaartje van leiding ontvangen hebben. Man is daar erg boos over en probeert bij bedrijfsarts door deze vermelding aan te tonen dat zijn leidinggevende steken laat valen en derhalve geen goede leidinggevende is. Man heeft meerdere (soms enkele op dezelfde dag) aangetekende brieven ontvangen van werkgever, waarin werkgever hem wijst op zijn re-integratieverplichtingen. Werknemer ziet dat als dreigbrieven en drukmiddelen om man nog verder het diepe dal in te laten lopen. Man is zeer geëmotioneerd, blijft herhalen over ongeveer 4 a 5 maanden weer het eigen werk te zullen oppakken, is op zijn dood om zijn baan te verliezen. Door BA gemeld dat hij dan kort voor WIA-aanvraag zit. Medewerker kon niet aangeven waarom medewerker denkt dan wel te kunnen werken en nu nog niet. Man heeft emoties niet in de hand. (…)
Therapie: Man heeft extreem kort lontje, wordt mede daardoor intensief gevolgd door GGZ (…)
Psychische problematiek is daarmee sterk arbeidsgebonden: onvrede met benaderingswijze door leidinggevende(n).
Beleid BA:
- nu GDBM (college: lees: geen duurzaam beschikbare mogelijkheden)
- Als medewerker bij vervolgcontact meer zelfinitiatief toont en minder agressief is en er een redelijk normale conversatie mogelijk is, dan voorzichtig Mediation voorstellen (…)”
Een eerste vervolgcontact werd door verweerder gepland in de vorm van een telefonische benadering na zes weken. Volgens het medisch dossier heeft verweerder op 20 en 24 mei 2016 tevergeefs geprobeerd klager telefonisch te spreken. Een nieuw spreekuurcontact werd ingepland op 3 juni 2016.
Op 2 juni 2016 heeft klagers zus verweerder telefonisch bericht dat klager niet in staat was om het spreekuur op 3 juni 2016 te bezoeken.
Op 15 juli 2016 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV op verzoek van klagers werkgever een deskundigenoordeel opgesteld. Het oordeel luidde – voor zover hier relevant – als volgt:
“Er is sprake van forse psychische problematiek die, volgens de verzekeringsarts, adequaat behandeld wordt. Er zijn regelmatig contactmomenten tussen de werknemer of contactpersoon van de werknemer en de bedrijfsarts. Daarnaast leid ik uit de stukken af dat regelmatig contact is tussen de bedrijfsarts en de behandelaar. De werknemer wordt intensief behandeld met als doel de beperkingen te verminderen. De inspanningen die de werkgever van de werknemer vraagt zijn niet redelijk. Blijkbaar zijn de problemen van dien aard dat de werknemer niet in staat is om enig contact te hebben met de werkgever. Daarnaast ondergaat de werknemer een intensieve dagbehandeling van 5 dagen per week. Het gedrag van de werknemer valt hem niet te verwijten omdat dat gedrag inherent is aan de problematiek die speelt. De inspanningen van de werknemer zijn voldoende geweest.”
Op 26 juli 2016 heeft een telefonisch contact plaatsgevonden tussen verweerder en klager, in het bijzijn van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een GGZ-medewerkster van het FACT-team. Verweerder noteerde in het medisch dossier onder meer:
“(…) Resultaat: geen wijziging van medisch beeld/geen wijziging van de belastbaarheid c.q. van de inzetbaarheid in arbeid. (…) Afgesproken werd dat bedrijfsarts in de week van 12-09-2016 door een medewerker van het FACT-team telefonisch benaderd wordt (…) voor het plannen van de eerstvolgende afspraak. (…)”
Op 20 oktober 2016 zag verweerder klager met zijn GGZ-trajectbegeleidster op het spreekuur. Verweerder noteerde in de terugkoppeling naar werkgever en werknemer over dit consult ondermeer (citaat inclusief spel- en taalfouten):
“Werknemer is heden door mij gesproken in het bijzijn van [naam medewerkster], medewerkster arbeidsre-integratie van GGZ-[locatie]. (…)
Medewerker meldde me inmiddels een geleidelijke verbetering van de medische situatie te ervaren, doch kon zelf nog geen prognose geven omtrent de nog te verwachten duur van de arbeidsongeschiktheid. Ook de re-integratiebegeleider kon hieromtrent nog geen prognose geven. (…) Medewerker heeft mij verzocht om werkgever kenbaar te maken dat hij inmiddels, vanuit sociale overwegingen én in het kader van de arbeidsre-integratie, uitziet naar een persoonlijk overleg met werkgever. Werknemer is daarbij door mij gewezen op het feit dat werkgever tot de datum van het UWV-deskundigenoordeel (DO) meermaals getracht heeft te komen tot overleg met werknemer en vervolgens op basis van de UWV-berichtgeving na.v. het DO afgezien heeft van een actieve benadering van werknemer (dit laatste mede op basis van advies van zijn behandelaars).
Op voorstel van [naam medewerkster arbeidsre-integratie GGZ] is besloten om werkgever te verzoeken om een dergelijk overleg te plannen kort nadat werknemer van het UWV berichtgeving heeft ontvangen omtrent het aanvragen van een WIA-beoordeling. (…)
Adviezen en vervolgacties:
(…)
c) werkgever wordt geadviseerd om in de tweede helft van november 2016 een overleg te plannen met medewerker en [naam medewerkster arbeidsre-integratie GGZ]. Dit o.a. ter opstelling van de door werkgever en werknemer samen in te vullen WIA-formulieren. (…)
e) ik verzoek werkgever om mij te informeren kort na het persoonlijk overleg tussen werkgever en werknemer (…)
f) tot nadere berichtgeving van werknemer of mij dient werkgever ervan uit te gaan dat medewerker niet voor arbeid beschikbaar is. De kans dat werknemer langer da 2 jaren aaneengesloten arbeidsongeschikt zal zijn acht ik op basis van het overleg van heden zeer reëel. De kans dat werknemer blijvend volledig arbeidsongeschikt zal zijn, acht ik daarentegen uiterst gering.”
Op 8 november 2016 heeft verweerder een “Actueel Oordeel bij de probleemanalyse WIA” (hierna: Actueel Oordeel) opgesteld. Verweerder schreef daarin onder “Verloop van de ongeschiktheid tot werken”:
“De oorsprong van de ziekmelding valt, voor zover door mij na te gaan, terug te voeren op een overspannen reactie van werknemer op een voor hem ongunstig verlopen functionerings- en beoordelingsgesprek. Al snel leidde dit tot de ontwikkeling van een geagiteerde depressie met psychotische kenmerken. Pogingen van werkgever en bedrijfsarts om met medewerker in contact te komen (oplossingsgerichte gespreksvoering) leidden daarbij steeds weer tot toename van de problematiek (o.a. toename van de geagiteerdheid met risico’s voor suïcide en met gevaar voor derden, inclusief gezinsleden). Medewerker is op basis van de bestaande problematiek en op basis van het uitblijven van enige verbetering (zoals verwoord in het schrijven van psychiater [naam psychiater 2], brief d.d. 30-06-2016) binnen de GGZ-geledingen meermaals intern overgedragen en wordt momenteel nog steeds dagelijks begeleid door medewerkers van de GGZ. De medicatie (aanvankelijk anxiolytica en antidepressiva) is wel afgebouwd, doch behandelaars wagen zich nog niet aan prognose m.b.t. de resterende behandelduur, behandelintensiteit en het te bereiken eindeffect (oa.s. in termen van inzetbaarheid in arbeid bij de eigen of bij een andere werkgever).
Op 9 februari 2017 heeft een verzekeringsarts van UWV in het kader van de WIA-beoordeling een rapportage en een FML opgesteld over klager. Klager werd beperkt geacht in zijn werktijd in die zin dat hij gemiddeld ongeveer 20 uur per week zou kunnen werken. De FML was geldig vanaf 10 januari 2017.
Op 28 maart 2017 noteerde verweerder in klagers medisch dossier:
“(…) P&O wil overgaan tot ontslagaanvraag bij UWV
UWV-beschikking mbt WIA vermeldt:
A0 35-80 WGA
b) prognose: op termijn weer beschikbaar voor arbeidsmarkt (= na afbouw psychiatrie)
c) beperkingen op persoonlijk functioneren
wg stelt: geduide beperkingen staan terugkeer in telef. helpdesk in de weg, geen alternatieven aanwezig, dus ontslag.
wg wil voor ontslagaanvraag nog eens de prognose van BA horen dat niet verwacht mag worden dan man binnen 6 maanden inzetbaar is in het eigen werk.”
Klager is vervolgens uitgenodigd om op 10 april 2017 (later gewijzigd naar 11 april 2017) op het spreekuur van verweerder te verschijnen. Klager heeft zich op 8 april 2017 met reden afgemeld voor het spreekuur.
Naar aanleiding van een door klager bij verweerders werkgever ingediende klacht, heeft verweerder ontdekt dat in het door hem op 8 november 2016 opgestelde Actueel Oordeel medisch inhoudelijke informatie is vermeld. Verweerder heeft deze fout intern gemeld aan zijn teammanager en regiodirecteur, klager per brief van 25 september 2017 excuses aangeboden en het Actueel Oordeel herzien in die zin dat hij de medisch inhoudelijke informatie onder “Verloop van de ongeschiktheid tot werken” heeft verwijderd. Verweerders werkgever heeft dit voorval voorts als datalek gemeld aan de Autoriteit Persoonsgegevens.
3. Het standpunt van klager en de klacht
Klager verwijt verweerder dat hij:
1) klagers herstelproces en re-integratie heeft belemmerd;
2) niet onafhankelijk heeft geoordeeld over klager;
3) onjuiste rapportages heeft opgesteld met daarin onder meer een verkeerde diagnose;
4) medische informatie over klager aan klagers werkgever heeft gelekt.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder stelt zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de klacht ongegrond is, behoudens het verwijt ten aanzien van de schending van zijn geheimhoudingsverplichting. Verweerder heeft klager naar beste weten en kunnen begeleid en is daarbij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Verweerder heeft zijn verweer per klachtonderdeel op hoofdlijnen nog als volgt toegelicht:
Ad 1) en 2): Verweerder heeft zich in zijn begeleiding laten leiden door informatie uit de behandelende sector en zijn eigen oordeel hierover. Naar het professionele oordeel van verweerder, in overeenstemming met de informatie uit de behandelende sector en de mening van klager zelf, was re-integratie niet mogelijk tijdens het tweede ziektejaar gelet op de medische situatie van klager. Klagers behandelaars achtten klager zelfs lange tijd niet in staat tot contact met zijn werkgever en evenmin tot (onbegeleid) contact met verweerder. Op
20 oktober 2016, tijdens het eerste werkelijke spreekuurcontact sinds lange tijd, bleek klagers behandeling zo ver gevorderd dat over re-integratie gesproken kon worden. Klager onderging op dat moment nog een vijfdaagse behandeling en onduidelijk was wanneer die intensieve behandeling zou eindigen. Re-integratie was op dat moment dus nog niet mogelijk. Verweerder heeft dat aan klager en klagers werkgever bericht. Tot dat advies kon en mocht verweerder komen gelet op zijn onderzoek en de informatie van de behandelaar. Verweerder heeft de werkgever na het gesprek op 20 oktober 2016 op de hoogte gesteld van klagers wens om een gesprek met de werkgever te hebben om over re-integratie te spreken, waarbij verweerder deze wens van een positief advies heeft voorzien. Verweerder heeft aangegeven dat hij niet verwachtte dat klager volledig blijvend arbeidsongeschikt zou zijn. Verweerder heeft geadviseerd dat de werkgever hem zou berichten nadat het gesprek met klager had plaatsgevonden waarna verweerder een vervolggesprek met klager zou plannen. Verweerder staat echter buiten de opvolging van zijn advies door de werkgever. Verweerder heeft vervolgens enige tijd geen contact meer gehad met klager of klagers werkgever, totdat klagers werkgever verweerder in maart 2017 vroeg klager weer op te roepen voor zijn spreekuur. Verweerder heeft willen voorkomen dat klager zich gepusht voelde. Afgesproken was dan ook dat klager zelf aan zou geven wanneer hij zich weer in staat voelde te werken. Tot dan zou verweerder zich op de achtergrond houden. Verweerder was niet op de hoogte van de op 9 februari 2017 door de verzekeringsarts van UWV over klager opgestelde rapportage en FML. Verweerder heeft altijd onafhankelijk geopereerd.
Ad 3): De aantekening op 25 maart 2016 in klagers medisch dossier “Dit met perioden van suïcidaliteit en homosuïcidaal” is geen diagnose van verweerder. Verweerder heeft genoteerd wat een behandelaar hem telefonisch en/of schriftelijk meedeelde. Behandelende psychiaters kunnen een afwijkende visie hebben op de suïcidaliteit.
Ad 4): Verweerder heeft per abuis medische informatie over klager opgenomen in het Actueel Oordeel dat hij op 8 november 2016 heeft opgesteld. Verweerder is daarvan geschrokken toen hij dat ontdekte en heeft klager hierover op 25 september 2017 bericht en zijn excuses aangeboden. Hij heeft daarbij klager niet verweten dat hij verweerder niet op die fout heeft gewezen, maar wilde in zijn brief enkel aangeven dat hij de fout eerder had hersteld als hij er eerder op zou zijn gewezen en dat hij betreurt dat dit niet is gebeurd. Verweerder heeft direct de nodige correctieve acties uitgevoerd en het voorval formeel als datalek laten melden. Hij betreurt zijn fout en heeft daar lering uit getrokken. Hij heeft zijn werkwijze bij het opstellen en verzenden van re-integratieverslagen aangepast en laat een verslag voortaan een dag liggen en kijkt het dan nog eens na om eventuele verzuimen of misslagen te herstellen. Verweerder realiseert zich nu ook dat het beter was geweest als hij niet had benoemd dat klager werd begeleid door een behandelaar werkzaam bij GGZ.
Verweerder verzoekt het college om geen maatregel op te leggen voor zover de klacht gegrond wordt bevonden.
5. De overwegingen van het college
Aan de orde is de vraag of verweerder bij het uitvoeren van de verzuimbegeleiding van klager binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het college zal deze vraag aan de hand van de geformuleerde klachtonderdelen beantwoorden.
Klachtonderdelen 1 en 2
De eerste twee klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het college stelt allereerst vast dat verweerder klagers verzuimbegeleiding heeft overgenomen van collega’s van een andere arbodienst toen klager al ruim een jaar arbeidsongeschikt was wegens ziekte. Het college stelt op grond van de overgelegde stukken in de tweede plaats vast dat klager in ieder geval tot en met de zomer van 2016 dusdanig ernstig ziek was dat contact tussen klager en zijn werkgever niet mogelijk was.
In het deskundigenoordeel van 15 juli 2016 wordt vermeld dat er regelmatig contactmomenten waren tussen klager of klagers contactpersoon en verweerder en tussen verweerder en klagers behandelaar. Er bestaat dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat verweerder in de periode tot en met de zomer van 2016 is tekortgeschoten in klagers verzuimbegeleiding. Vermelding verdient daarbij dat op verweerder in die periode de niet eenvoudige taak rustte om enerzijds uitvoering te geven aan de verplichtingen op grond van de Wet verbetering poortwachter en anderzijds rekening te houden met de signalen vanuit klagers behandelaars die erop neerkwamen dat klager – kort gezegd – met rust gelaten diende te worden. Verweerder heeft wat betreft die periode terecht gesteld dat hij klager niet onnodig wilde pushen.
Naar het oordeel van het college vond tijdens het spreekuurcontact op 20 oktober 2016 echter een omslagpunt plaats. Hoewel klager op dat moment nog niet direct kon re-integreren, heeft hij verweerder toen in het bijzijn van zijn GGZ-trajectbegeleidster duidelijk laten weten dat hij weer contact wilde met de werkgever met de vraag of verweerder daarin een bemiddelende rol zou kunnen vervullen. Verweerder heeft klagers werkgever toen geadviseerd om in de tweede helft van november 2016 een overleg te plannen met klager om onder andere samen de WIA-formulieren in te vullen met het verzoek om verweerder te informeren kort na dat overleg. Nadat verweerder op 8 november 2016 het Actueel Oordeel had opgesteld, dateert de eerste aantekening van verweerder in klagers medisch dossier van maart 2017, derhalve vijf maanden na het laatste spreekuurcontact.
Deze afwachtende, passieve houding van verweerder is naar het oordeel van het college niet juist en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerder is als bedrijfsarts procesbegeleider en op hem rust een algemene zorgplicht. Op grond van die zorgplicht diende verweerder zich proactief op te stellen door tenminste bij de werkgever te informeren of het door hem geadviseerde overleg tussen de werkgever en klager had plaatsgevonden en zo ja, wat de uitkomst daarvan was en zo nee, waarom niet. Klager was herstellende en verweerder had inzicht moeten hebben en houden in de voortgang van dat herstel en de eventueel toenemende benutbare mogelijkheden van klager. Naar het oordeel van het college heeft verweerder klager door zijn afwachtende houding ten onrechte gedurende vijf maanden aan zijn lot overgelaten. Daarbij merkt het college op dat verweerder, gelet op zijn positie als procesbegeleider, blijk heeft gegeven van een te beperkte taakopvatting door te stellen dat hij buiten de opvolging van zijn advies door de werkgever staat en afgesproken was dat verweerder zich op de achtergrond zou houden tot klager zelf zou aangeven dat hij weer kon werken (wat daar ook van zij).
Klachtonderdeel 1 is daarmee gegrond.
Hoewel verweerder door zijn afwachtende houding mogelijk bij klager de schijn heeft gewekt zijn onpartijdigheid te verliezen, is naar het oordeel van het college niet gebleken dat verweerder zich niet onafhankelijk heeft opgesteld.
Klachtonderdeel 2 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 3
Klager doelt met dit klachtonderdeel op de aantekening op 25 maart 2016 van verweerder in klagers medisch dossier: “ diagnose: Depressie met psychotische kenmerken. Dit met perioden van suicidaliteit en homosuïcidaal.” U it deze aantekening blijkt echter dat verweerder deze diagnose niet zelf heeft gesteld, maar deze in het medisch dossier heeft weergegeven als mededeling gedaan door psychiater 2 tijdens een telefoongesprek met verweerder (verwezen wordt naar de feiten in deze beslissing). Dat deze diagnose afwijkt van de door psychiater 1 op 29 januari 2016 beschreven problematiek van klager doet daaraan niet af.
Klachtonderdeel 3 is ongegrond.
Klachtonderdeel 4
Verweerder heeft in strijd gehandeld met de ingevolge artikel 88 van de Wet BIG voor hem geldende geheimhoudingsverplichting door ten onrechte medische informatie over klager op te nemen in het Actueel Oordeel, dat onder meer naar klagers werkgever is gezonden. Op grond van de ‘KNMG-code Gegevensverkeer en samenwerking bij arbeidsverzuim en re-integratie’ en de ‘Leidraad bedrijfsarts en privacy’ mocht verweerder in het Actueel Oordeel enkel functionele beperkingen, restmogelijkheden, de verwachte duur van het verzuim en de mate van arbeidsongeschiktheid opnemen, evenals eventuele aanpassingen of werkvoorzieningen, het verwachte einddoel van de re-integratie en werkgerelateerde oorzaken voor arbeidsongeschiktheid.
Klachtonderdeel 4 is gegrond.
Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat de klacht deels gegrond is.
De maatregel
Nu de klacht deels gegrond is, zal het college aan verweerder een maatregel opleggen. Het college overweegt daartoe als volgt.
Verweerder heeft zich in klagers verzuimbegeleiding na 20 oktober 2016 in strijd met zijn algemene zorgplicht te afwachtend en passief opgesteld en voorts op 8 november 2016 op ernstige wijze zijn beroepsgeheim geschonden.
Deze twee los van elkaar staande gedragingen rechtvaardigen naar het oordeel van het college op zichzelf genomen een zware maatregel.
Het college weegt echter mee dat de start van de verzuimbegeleiding door verweerder in maart 2016 – toen klager al ruim een jaar arbeidsongeschikt wegens ziekte was en al door collega’s van een andere arbodienst was begeleid – buiten zijn schuld niet ideaal verlopen is zoals hierboven omschreven. Het college kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze voorgeschiedenis mede aanleiding is geweest voor verweerders terughoudende opstelling ook na 20 oktober 2016 (weliswaar ten onrechte).
Ook weegt het college mee dat verweerder, nadat hij in september 2017 zelf ontdekt had dat hij ten onrechte medische informatie in het Actueel Oordeel had opgenomen direct passende acties heeft ondernomen zoals hierboven nader omschreven. Naar het oordeel van het college is genoegzaam gebleken dat verweerder lering heeft getrokken uit deze schending van de geheimhoudingsverplichting.
Alles bijeengenomen is het college daarom van oordeel dat volstaan kan worden met het opleggen van een waarschuwing.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht deels gegrond zoals hiervoor overwogen;
- legt op de maatregel van waarschuwing;
- wijst de klacht voor het overige af.
Aldus beslist door mr. T. Zuidema als voorzitter, E.I. van Dijk en E. Cranendonk als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018 in aanwezigheid van de secretaris.