ECLI:NL:TGZREIN:2018:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17173

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:55
Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 16-05-2018
Zaaknummer(s): 17173
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Tandarts. Klacht: 1) onvakkundig gehandeld bij plaatsen implantaat, 2) niet gewezen op mogelijkheden en beperkingen, 3) op geld uit zijn, 4) arrogant en niet toetsbaar opgesteld en 5) na zestien maanden rekening gestuurd. College: ongegrond. Niet onvakkundig gehandeld. Implantaat niet per definitie incorrect geplaatst; wel vraagtekens bij positie. Tandarts aantoonbaar ervaring met plaatsen BICON-implantaten. 2) Uit patiëntenkaart blijkt dat opties zijn besproken. 3) en 4) niet onderbouwd. 5) behandeling heeft plaatsgevonden, dus tandarts mag declareren.

Uitspraak: 16 mei 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 5 september 2017 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

tandarts

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. A.C.I.J. Hiddinga te Amsterdam

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift en de aanvulling daarop

-         het verweerschrift

-         de brief d.d. 23 november 2017 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerder

-         de CD-rom, ontvangen op 24 november 2017 van de gemachtigde van verweerder

-         de CD-rom, voorafgaand aan de behandeling ter zitting overhandigd door verweerder.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 20 april 2018 behandeld. Klager, die correct is opgeroepen, was zonder bericht afwezig. Verweerder en zijn gemachtigde waren aanwezig.

De door het college opgevraagde beelden zijn voorafgaande aan de zitting overgelegd en bekeken. Verweerder heeft toegezegd een exemplaar van de CD-rom met de beelden aan het college te sturen. Deze is inmiddels ontvangen en doorgezonden naar klager.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

De tandarts van klager verwees hem begin 2016 naar verweerder voor het plaatsen van een implantaat. Ruim een jaar eerder had verweerder al een implantaat met kroon bij klager geplaatst. Op 2 februari 2016 vond een consult plaats tussen klager en verweerder over de behandeling. Op 22 februari 2016 werd een BICON-implantaat geplaatst. Vier maanden later stond een controleafspraak bij verweerder gepland. Het was de bedoeling dat de tandarts van klager in juni 2016 een kroon zou plaatsen op het implantaat.

Op 26 februari 2016 zag verweerder klager in verband met pijnklachten. Na een OPG bleek in de kaakholte een ontsteking te zitten. Verweerder schreef antibiotica en een pijnstiller voor.

Klager besloot in mei 2016 tijdens een vakantie in [E] de kroon aldaar te laten plaatsen omdat dat hij dan enkele honderden euro’s goedkoper uit zou zijn. Hij heeft de afspraak met verweerder afgezegd. In [E] kreeg klager te horen dat volgens de [E] behandelaars het onverantwoord was om de kroon te plaatsen omdat het implantaat verkeerd was geplaatst en het bot te dun was.

In juni 2017 heeft verweerder klager uit coulance een vergoeding betaald, waarop hij een bedrag van € 203,- voor de behandeling op 26 februari 2016 in mindering heeft gebracht.

3. De klacht

Klager verwijt verweerder dat hij:

1.      onvakkundig heeft gehandeld (bij het plaatsen van een implantaat), achteraf alles ontkent en zich met onwaarheden probeert te verschonen. Het implantaat was niet geschikt om er een kroon op te zetten waardoor klager een onbruikbaar product heeft gekregen;

2.      klager van tevoren niet heeft gewezen op de mogelijkheden en beperkingen van de situatie;

3.      duidelijk alleen op geld uit is;

4.      zich arrogant, intimiderend en niet toetsbaar opstelt, klager als onmondig behandelde en geen kritiek kan hebben;

5.      alleen uit ergernis na zestien maanden alsnog een rekening van €203 heeft gestuurd; een rekening die nota bene de pijnbehandeling als gevolg van zijn eigen fout betreft.

4. Het verweer

Verweerder voert per klachtonderdeel het volgende aan.

Ad 1 .

De door verweerder gehanteerde techniek, te weten een BICON-implantaat, is een standaard therapie die verweerder correct heeft toegepast. Met een gehoekt abutment had verweerder een perfecte kroon kunnen plaatsen. Hetgeen de [E] tandarts klager heeft verteld, is onjuist en staat haaks op het behandelplan van verweerder. Er kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Ad 2.

Verweerder heeft de verschillende mogelijkheden en risico’s van een implantaat uitgebreid met klager besproken. Dit blijkt uit de notitie in het zorgplan en uit de patiëntenkaart. Klager heeft ook (opnieuw) een informed consent-formulier getekend.

Overigens merkt verweerder op dat, toen klager in mei 2016 de afspraak met hem afzegde omdat hij de kroon goedkoper in [E] wilde laten plaatsen, hem is gezegd dat verweerder daar in dat geval geen verantwoordelijkheid voor kon nemen. Dit klachtonderdeel treft dan ook geen doel.

Ad 3.

Verweerder stelt dat dit klachtonderdeel niet is onderbouwd. Hij herkent zich ook niet in de stellingname. Verweerder merkt nog op dat, nadat klager verweerder aansprakelijk heeft gesteld omdat het implantaat niet correct zou zijn geplaatst en het niet bruikbaar zou zijn volgens de [E] tandarts, hij coulancehalve een vergoeding heeft uitgekeerd aan klager. Verweerder erkende daarmee geen aansprakelijkheid, maar wenste de discussie af te ronden.

Ad 4.

Verweerder stelt dat hij gedurende de behandelrelatie een goed contact had met klager. Er was geen sprake van communicatieve problemen of onheuse bejegening. Na 26 februari 2016 heeft verweerder klager niet meer gezien. Nadat klager in [E] is geweest, heeft verweerder alleen schriftelijk contact met de adviserend tandarts van klagers rechtsbijstandverzekering gehad.

Ad 5.

Het consult van 26 februari 2016 heeft verweerder alsnog in rekening gebracht omdat dat eerder niet was gebeurd. Omdat hij daartoe gerechtigd is, is het klachtonderdeel ongegrond.

5. De overwegingen van het college

Ad 1.

Naar het oordeel van het college heeft verweerder niet onvakkundig gehandeld. Uit de foto’s blijkt niet dat het implantaat per definitie incorrect is geplaatst, ofschoon er wel vraagtekens gezet kunnen worden bij de positie hoog in de tandboogonderbreking en dicht op element 27. Daarbij betrekt het college dat verweerder aantoonbaar ervaring heeft met het plaatsen van BICON-implantaten en dat niet gebleken is dat de verwijzende tandarts, zoals oorspronkelijk bedoeld, geen goede kroon op het implantaat had kunnen maken. Dat een [E] tandarts andere inzichten heeft, betekent niet dat dit klachtonderdeel gegrond is. Ook de omstandigheid dat de tandheelkundig adviseur van klager een ander standpunt heeft ingenomen, kan - gelet op hetgeen zojuist is overwogen - niet leiden tot een ander oordeel van het college.

Niet is onderbouwd, en het blijkt ook niet uit het dossier, dat verweerder achteraf alles ontkent en zich met onwaarheden probeert te verschonen.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad 2.

Uit de patiëntenkaart blijkt dat op 2 februari 2016 twee opties met klager zijn besproken en dat klager heeft gekozen voor een BICON-implantaat. De reden was, volgens de patiëntenkaart, dat klager geen bijkomende operaties wilde. Het college heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de gegevens op de patiëntenkaart, en zal daar dan ook van uitgaan. De informatie wordt ook bevestigd in de brief van 2 februari 2016 van verweerder aan de tandarts van klager.

Wel merkt het college op dat de informatie op de patiëntenkaart summier is. Uit die informatie had duidelijker naar voren moeten komen welke mogelijkheden en risico’s zijn besproken. Deze constatering is echter onvoldoende om verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Ter zitting heeft verweerder overigens aangegeven dat hij voortaan gedetailleerdere informatie vastlegt op de patiëntenkaart.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Ad 3. en ad 4.

Deze klachtonderdelen zijn onvoldoende onderbouwd zodat zij om die reden ongegrond zijn.

Ad 5.

Het college is van oordeel dat, nu er op 26 februari 2016 bij klager een behandeling heeft plaatsgevonden door verweerder, dit ook door verweerder in rekening mocht worden gebracht.

Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

Aldus beslist door mr. dr. P.P.M. van Reijsen als voorzitter, mr. E.C.M. de Klerk als lid-jurist, W.J.D.M. van Beers, dr. R.H. Groot en R.C.M. van Gorp als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

16 mei 2018 in aanwezigheid van de secretaris.