ECLI:NL:TGZREIN:2018:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1816

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:54
Datum uitspraak: 16-05-2018
Datum publicatie: 16-05-2018
Zaaknummer(s): 1816
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Tandarts. Mond- kaak- en aangezichtschirurg. Klacht: 1) onzorgvuldig gehandeld door afbreken naald niet te merken, 2) fouten niet durven toe te geven en 3) klager aan het lijntje gehouden met onderzoek naaldpunt. College: ongegrond. Tandheelkundige wegwerpnaalden zijn zeer buigbaar. Als naald afbreekt, treedt breuk op bij overgang mantel-naald. Daarnaast is uit onderzoek van de naaldpunt gebleken dat deze niet afkomstig is van naald uit kliniek verweerder. Noch komen vast te staan, noch aannemelijk geworden dat naaldpunt die op de SEH uit de kaak klager is verwijderd, is afgebroken tijdens behandeling door verweerder.

Uitspraak: 16 mei 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 24 januari 2018 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klager

tegen:

[C]

mond- kaak- en aangezichtschirurg

werkzaam te [D]

verweerder

gemachtigde mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het medisch dossier van klager

-         het verweerschrift

-         de brief d.d. 5 april 2018 met bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van verweerder

-         de naaldpunt die op 26 maart 2017 uit de kaak van klager is verwijderd, ter zitting overhandigd door de gemachtigde van verweerder.

Na ontvangst van het verweerschrift heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 20 april 2018 behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn vriendin, mevrouw D. Heiligers. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Op 24 maart 2017 heeft verweerder bij klager een totaalextractie van zijn gebit verricht onder algehele anesthesie. De intake voor deze behandeling was op 21 februari 2017 gedaan door een collega MKA-chirurg (hierna: de collega). Verweerder en de collega zijn lid van dezelfde maatschap.

Twee uur na de ingreep mocht klager weer naar huis. Klager kreeg een brief mee voor de huisarts en een brief voor de tandarts.

Zowel de dag van de operatie als de dag en de nacht erna had klager veel pijn.

Op 26 maart 2017 heeft klager naar het ziekenhuis gebeld omdat naast de pijn zijn tandvlees er tevens vreemd uit zag. Klager is daarop verzocht naar het ziekenhuis te komen en is die ochtend op de Spoedeisende Hulp (hierna: SEH) gezien door de dienstdoende kaakchirurg, te weten de collega.

In het medisch dossier van klager is met betrekking tot dit consult het volgende genoteerd:

Reden van komst SEH

pijnklachten, met name onderkaak links

Anamnese

totalextractie boven – en onderkaak in narcose op 24.03 (naam verweerder) [naam kliniek]

toenemende pijn onderkaak links

Lichamelijk onderzoek

roodheid en gering pus thv wonde 37/38, uitstekend corpus alienum

Beloop SEH

zonder loc. anesth. :verwijderen van corpus alienum (afgebroken naaldpunt 11 mm) uit wonde regio 37/38

Conclusie en beleid

D/corpus alienum onderkaak links na Totaalextractie OK en BK in narcose

Th/ verwijderen corpus alienum, controle bij persisterende klachten” .

De collega heeft de punt van de naald aan klager meegegeven.

Klager heeft vervolgens een klacht ingediend bij de kliniek die is gevestigd in het gebouw waarin de maatschap van verweerder enkele ruimten huurt. De adjunct-directeur van deze kliniek heeft een bespreking georganiseerd met klager en verweerder op 16 juni 2017. Tijdens dit gesprek heeft klager de naaldpunt overhandigd aan verweerder. Klager heeft tijdens dit gesprek medegedeeld dat de collega na het verwijderen van de naaldpunt had gezegd dat degene die de ingreep had uitgevoerd het daglicht niet meer zou mogen zien, waarbij hij een snijbeweging maakte in zijn hals.

De naaldpunt is voor onderzoek aangeboden aan een technische universiteit (hierna: TU). Omdat deze TU dit soort onderzoeken niet bleek te doen, is de naaldpunt opgestuurd naar de leverancier van de naalden die in de kliniek worden gebruikt. Deze leverancier heeft verklaard dat de bewuste naaldpunt niet afkomstig is van een naald van hen.

3. Het standpunt van klager en de klacht

Klager verwijt verweerder dat hij:

  1. onzorgvuldig heeft gehandeld, doordat hij bij de sedatie voor de totaalextractie niet heeft bemerkt dat de naald is afgebroken en in de kaak van klager is achtergebleven;
  2. zijn fouten niet durft toe te geven en dit probeert af te schuiven op een andere arts;
  3. klager aan het lijntje houdt met onderzoeken van de naald.

In het klaagschrift had klager nog een vierde klachtonderdeel geformuleerd, te weten dat verweerder klager heeft gediscrimineerd. Klager heeft echter ter zitting verklaard dat het vierde klachtonderdeel was gericht jegens het personeel van de kliniek en niet jegens verweerder. Dit klachtonderdeel hoeft derhalve niet door het college te worden

beoordeeld.

Ter onderbouwing van zijn klacht heeft klager nog het volgende aangevoerd.

De collega heeft op de SEH met moeite en veel pijnscheuten bij klager een naald van 11 millimeter verwijderd. Zowel de collega, de assistent van de collega, als klager en zijn vriendin zijn daarvan geschrokken en zijn ervan overtuigd dat zoiets nooit had mogen gebeuren. De collega verklaarde dat hij een ontsteking zag en daarom de bewuste plek onderzocht, in de verwachting een stukje bot te vinden.

Verweerder wil zijn fout niet toegeven. Hij is ervan overtuigd dat de naald niet kan zijn afgebroken. Verweerder wilde daarom verder onderzoek naar de naald, waarmee klager heeft ingestemd. Dit onderzoek duurde echter zo lang, dat klager het gevoel kreeg aan het lijntje te worden gehouden.

Het stoort klager dat verweerder de schuld probeert te leggen bij zijn collega.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder weet zeker dat de naald na het toedienen van de lokaal anesthesie niet is afgebroken. Hij heeft de naald gecontroleerd na het injecteren. Ook zijn assistente kan zich niet herinneren dat er iets met de naald verkeerd zou zijn gegaan.

Verweerder plaatst in geval van een algehele narcose zo nodig een lokale verdoving. Dit doet hij altijd achterin de kaak, door middel van de zogenaamde mandibulaire geleidingsanesthesie, waardoor de gehele zenuw wordt verdoofd, en niet ter hoogte van de elementen 37/38.

Verweerder heeft de naaldpunt eerst voor onderzoek aangeboden aan de TU, die dit soort onderzoeken niet bleek te doen. Daarna is de naaldpunt opgestuurd naar de leverancier van de naalden die worden gebruikt in de kliniek. Deze gang van zaken heeft voor enige vertraging gezorgd. Verweerder betreurt het dat het onderzoek zo lang heeft geduurd.

Als uit het onderzoek was gebleken dat de naaldpunt wel afkomstig was van een naald van de bewuste leverancier, had verweerder geen feitelijk verweer gevoerd in deze zaak, maar de complicatie erkend en excuses aan klager aangeboden.

Helaas hebben de maatschap en de vakgroep van verweerder geen goede werkrelatie met de collega.

5. De overwegingen van het college

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Te n aanzien van klachtonderdeel 1 overweegt het college als volgt.

Het college merkt op dat er volgens het medisch dossier van klager weliswaar twee dagen na de behandeling door verweerder een naaldpunt is verwijderd uit de kaak van klager, maar dat dit op zichzelf bezien niet dwingt tot de vaststelling dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht.

Het college neemt daarbij het volgende in ogenschouw.

Tandheelkundige wegwerpnaalden zoals gebruikt door verweerder, bestaan uit een plastic of metalen mantel waarin de roestvrijstalen naald is gevat. Deze naalden zijn zeer buigbaar, waarbij deze doorgankelijk blijven voor de anesthesievloeistof.

Uit de literatuur zijn gevallen bekend waarbij de naald is afgebroken bij de mantel. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de naald in een hoek van 90 graden is gebogen en de patiënt een onverwachte beweging maakt, waardoor de naald de andere kant op buigt. Doorgaans breekt een naald echter pas na twee of drie keer buigen.

Als een dergelijke naald afbreekt, treedt deze breuk altijd op ter hoogte van de overgang mantel-naald. Er zijn tot dusver geen gevallen bekend waarbij de naald op een andere plaats, zoals op 11 millimeter van de injectiepunt van de naald, is afgebroken.

Daarnaast is uit onderzoek van de verwijderde naaldpunt gebleken dat deze niet afkomstig is van een naald die wordt gebruikt in de kliniek waar verweerder werkzaam is.

Het voorgaande maakt dat noch is komen vast te staan, noch aannemelijk is geworden dat de naaldpunt die op de SEH uit de kaak van klager is verwijderd, is afgebroken tijdens de behandeling door verweerder.

Het college verklaart dit klachtonderdeel derhalve ongegrond.

Ten overvloede merkt het college op dat het begrijpt dat klager, mede gezien de verklaring van de collega, in de veronderstelling verkeert dat de naaldpunt moet zijn afgebroken tijdens de behandeling door verweerder en dat het wellicht lastig te begrijpen is dat het college tot een ander oordeel komt. Hoewel een ieder er voorts slechts naar kan gissen wat er dan wel is gebeurd, waarbij allerlei scenario’s denkbaar zijn, kan het college op basis van de vastgestelde feiten echter niet anders dan de klacht afwijzen.

Ten aanzien van klachtonderdeel 2 overweegt het college als volgt.

Nu niet is gebleken dat er sprake is van een fout of een complicatie ten gevolge van de behandeling door verweerder, kan hem ook niet worden verweten dat hij aan klager geen excuses heeft aangeboden.

Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel 3 overweegt het college ten slotte als volgt.

Hoewel het beter was geweest als verweerder eerst bij de TU had geïnformeerd of zij de naaldpunt konden onderzoeken alvorens deze op te sturen en hoewel het onderzoek door de leverancier van de naalden lang heeft geduurd, is het college van oordeel dat verweerder hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Ook klachtonderdeel 3 is ongegrond.

Gezien het voorgaande verklaart het college de klacht in zijn geheel ongegrond.

6. De beslissing

Het college:

-         wijst de klacht af.

Aldus beslist door mr. dr. P.P.M. van Reijsen als voorzitter, mr. E.C.M. de Klerk als lid-jurist, W.J.D.M. van Beers, dr. R.H. Groot en R.C.M. van Gorp als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. M. van der Hart als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

16 mei 2018 in aanwezigheid van de secretaris.