Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2018:14 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17181

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2018:14
Datum uitspraak: 31-01-2018
Datum publicatie: 31-01-2018
Zaaknummer(s): 17181
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie:   Arts (in opleiding tot bedrijfsarts) wordt verweten dat zij ten opzichte van klaagster het beroepsgeheim heeft geschonden. KNMG Code Gegevensverkeer en samenwerking bij arbeidsverzuim en re-integratie. Uit het evaluatieverslag kon ten onrechte worden afgeleid wat de aard van klaagsters klachten was. Ongelukkige woordkeuze. Waarschuwing.

Uitspraak: 31 januari 2018

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 13 september 2017 binnengekomen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

tegen:

[C]

arts

werkzaam te [D]

verweerster

gemachtigde mr. D.W.M. Weesie te Utrecht

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift;

-         het verweerschrift

-         de brief van 11 oktober 2017 van de secretaris aan klaagster;

-         de brief van klaagster aan de secretaris, ontvangen op 24 oktober 2017;

-         de brief van 8 november 2017 van de gemachtigde van verweerster;

-         de brief van klaagster, ontvangen op 9 januari 2018.

Na ontvangst van de brief van 8 november 2017 van de gemachtigde van verweerster heeft de secretaris de zaak naar een openbare zitting van het college verwezen.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het aangeboden mondelinge vooronderzoek.

De klacht is ter openbare zitting van 10 januari 2018 behandeld. Klaagster was met bericht niet aanwezig. Verweerster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Klaagster is per 12 september 2016 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Op 24 juli 2017 bezocht zij het spreekuur van verweerster, die op dat moment een zieke collega verving. Verweerster is arts in opleiding tot bedrijfsarts. Naar aanleiding van het besprokene tijdens dit spreekuur heeft verweerster een periodieke evaluatie opgesteld, welke evaluatie naar de werkgever van klaagster is gezonden.

In deze evaluatie noteerde verweerster het volgende:

“Ik heb [naam klaagster] op 24-07-2017 op mijn spreekuur gezien. De belastbaarheid gaat nog op en neer. Mevrouw volgt hiervoor 1-2x/week een gerichte behandeling bij een deskundige. Daarnaast heeft mevrouw voor haar fysieke klachten wekelijks een behandeling bij een andere deskundige. Momenteel werkt [naam klaagster] 20 uur/week in eigen functie. Dit is het maximaal haalbare. Ik heb begrepen dat het contract is aangepast en er een hersteldmelding reeds is doorgevoerd.

(…)”

Verweerster heeft na dit spreekuur geen bemoeienis meer gehad met klaagster.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerster dat zij haar beroepsgeheim geschonden heeft.

Desgevraagd door het college heeft klaagster meegedeeld dat haar klacht enkel gaat over het feit dat verweerster haar beroepsgeheim geschonden heeft door in de aan de werkgever gezonden evaluatie te suggereren dat klaagster psychische klachten had. 

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster merkt op dat het verwijt van klaagster terecht is en dat zij de formulering in de terugkoppeling naar de werkgever beter anders had kunnen doen. Verweerster heeft daarvoor aan klaagster haar verontschuldigingen aangeboden.

5. De overwegingen van het college

Het college merkt allereerst op dat uit het klaagschrift en de nadere toelichting naar voren komt dat klaagster onvrede heeft over de wijze van werken en communiceren van de verzuimbegeleidingsdienst waarvoor verweerster werkzaam is. Alhoewel klaagster uiteindelijk de klacht heeft beperkt in bovenstaande zin hecht het college eraan, dit ter voorlichting van klaagster, op te merken dat klachten over een instelling niet door het college beoordeeld kunnen worden, nu het tuchtrecht zich enkel richt op de individuele zorgverlener.

De klacht ziet op de in het kader van arbeidsverzuimbegeleiding verstrekte informatie van verweerster aan de werkgever van klaagster. Op die informatieverstrekking is, onder andere, de door de KNMG opgestelde Code Gegevensverkeer en samenwerking bij arbeidsverzuim en re-integratie van toepassing. Deze code behelst een richtlijn voor de gegevensuitwisseling tussen werknemers, bedrijfsartsen, werkgevers, behandelend artsen en verzekeringsartsen bij arbeidsverzuim van een patiënt/werknemer. Met betrekking tot de relatie bedrijfsarts – werkgever is, meer in het bijzonder, het navolgende opgenomen:

“(…)

De bedrijfsarts mag alleen gerichte informatie c.q. advies aan de werkgever verstrekken over:

- de werkzaamheden waartoe de werknemer nog wel of niet meer in staat is (functionele beperkingen, restmogelijkheden en implicaties voor het soort arbeid dat de werknemer nog kan verrichten)

- de verwachte duur van het verzuim

- de mate waarin de patiënt/werknemer arbeidsongeschikt is (gebaseerd op functionele beperkingen, restmogelijkheden en implicaties voor het soort arbeid dat de werknemer nog kan verrichten)

- en de eventuele aanpassingen of werkvoorzieningen die de werkgever in het kader van de reïntegratie moet treffen.

(…)”

Uit het aan de werkgever toegezonden evaluatieverslag blijkt dat hierin meer opgenomen is dan conform het vorenstaande is toegestaan. Het college doelt met name op de formulering met betrekking tot de behandelingen die klaagster krijgt waaruit, zoals klaagster terecht stelt, afgeleid zou kunnen worden wat de aard van de klachten is. De conclusie is dan ook dat de klacht gegrond is. Verweerster heeft het beroepsgeheim geschonden en daarmee gehandeld in strijd met de zorg die zij jegens klaagster had behoren te betrachten. Wat de op te leggen maatregel betreft, geldt het volgende. Voor het college is uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen voldoende aannemelijk geworden dat verweerster met de gekozen formulering zeker niet bewust informatie over klaagster aan de werkgever heeft willen verstrekken, maar dat er  sprake is van een ongelukkige woordkeuze. Verweerster heeft daarvoor ook haar verontschuldigingen aangeboden en aan klaagster meegedeeld dat het een leermoment geweest is en dat zij in de toekomst met nog meer zorgvuldigheid zal handelen. Om die reden zal het college volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing.

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart de klacht gegrond;

-         legt op de maatregel van waarschuwing.

Aldus beslist door mr. C.D.M. Lamers als voorzitter, mr. E.J.M. Walstock-Krens als lid-jurist, E. Cranendonk, P.E. Rodenburg en M. van Heugten-Hoogendoorn, als leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. I.H.M. van Rijn als secretaris en in het openbaar uitgesproken op

31 januari 2018 in aanwezigheid van de secretaris.