ECLI:NL:TGZRAMS:2018:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/042T

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:85
Datum uitspraak: 17-07-2018
Datum publicatie: 17-07-2018
Zaaknummer(s): 2018/042T
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de tandarts het schenden van haar beroepsgeheim en van haar privacy door een mail naar haar buurman te sturen. Tevens verwijt zij haar onjuist declaratiegedrag en onjuiste dossiervoering. Deels gegrond, berisping.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 21 maart 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r ,

gemachtigde: C,

tegen

D,

tandarts,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r ,

gemachtigde: mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek, advocaat te Utrecht.             

1.         De procedure

1.1       Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-            het klaagschrift met de bijlagen;

-            het verweerschrift met de bijlage;

-            de door klaagster toegezonden 5 bijlagen;

-            de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-            het proces-verbaal van het op 29 mei 2018 gehouden vooronderzoek waar alleen klaagster met haar gemachtigde is verschenen.

1.2       De klacht is op 8 juni 2018 op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klaagster werd bijgestaan door haar gemachtigde, tevens echtgenoot, de heer C.  Verweerster werd bijgestaan door mr. Van der Kolk-Heinsbroek die een toelichting heeft gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.

2.         De feiten

2.1       Klaagster, geboren op mei 1955, is bij verweerster onder behandeling geweest van oktober 1994 tot en met januari 2016.

2.2       Op 26 augustus 2015 is klaagster bij verweerster op controle geweest. Volgens de door klaagster overgelegde patiëntenkaart betrof dit een reguliere controle waarbij, twee kleine röntgenfoto’s zijn gemaakt. Op de door verweerster overgelegde fotogegevens zijn deze twee foto’s genoemd ‘v11 26-8-2015 26’ en ‘v10 26-8-2015 16’.  Op de laatste is ook element 17 te zien.

2.3       Op 18 september 2015 heeft verweerster restauratief werk verricht ten aanzien van element 17 en op 15 oktober 2015 is op dat element een kroon geplaatst. In verband met klaagsters aanhoudende pijn heeft verweerster bij dat element op 2 december 2015 een wortelkanaalbehandeling uitgevoerd. Tijdens deze ingreep is een vijlpunt afgebroken en bij klaagster in de kaak achtergebleven. Verweerster heeft klaagster daar op dat moment niet over geïnformeerd.

2.4       In verband met een ontstane kaakontsteking schreef verweerster klaagster op 7 december 2015 een antibioticumkuur voor. Ook bij deze gelegenheid informeerde verweerster klaagster niet over de achtergebleven vijlpunt.          

2.5       Met een e-mailbericht van 17 december 2015 verzocht klaagster verweerster nadere informatie over de gevolgde behandelingen en de daarvoor door haar ontvangen rekeningen. Nadat daarover enige e-mailwisseling heeft plaatsgevonden hebben partijen afgesproken elkaar op 21 januari 2016 te ontmoeten om de door klaagster gestelde vragen door te nemen.

2.6       Voorafgaand aan dat gesprek bezocht klaagster op 11 januari 2016 een andere tandarts voor een second opinion. Deze heeft haar, na onderzoek, geïnformeerd over de achtergebleven vijlpunt.

2.7       Tijdens het gesprek van 21 januari 2016, waar klaagster met haar echtgenote en verweerster aanwezig waren, zijn verschillende vragen van klaagster over de behandeling en de ontvangen rekeningen aan de orde gekomen. Ook is daar voor het eerst tussen hen

gesproken over de achtergebleven vijlpunt. Tijdens dit gesprek is besloten de behandelrelatie te beëindigen.

2.8       Met de beslissing van 29 juli 2016 heeft de Klachtencommissie van de Associatie Nederlandse Tandartsen (hierna: de klachtencommissie) de op 1 februari 2016 door klaagster tegen verweerster ingediende klacht ongegrond verklaard voor wat betreft het tandheelkundig handelen door verweerster en gegrond voor wat betreft verweersters declaratiegedrag, communicatie en dossiervorming.

2.6.      Partijen zijn het niet eens geworden over de vraag welke gevolgen deze uitspraak van de klachtencommissie moest hebben. Klaagster heeft vervolgens rechtsbijstand ingeschakeld en in januari 2018 kreeg zij door verweersters verzekeraar een bedrag van

€ 2500,- uitgekeerd.  

2.7.      Op 29 januari 2018 stuurde verweerster een e-mail aan een andere patiënt in verband met een geschil dat zij met deze patiënt had. Deze patiënt is een buurman van klaagster (om die reden hierna te noemen: de buurman). Verweerster stuurde deze e-mail, met als onderwerp ‘Onderwerp voor BBQ op de E’, cc aan klaagster. Verweerster schreef daarin over eerdere behandelingen die zij uitvoerde bij die buurman en over het geschil tussen haar en hem, alsmede over eerdere behandelingen bij klaagster en het geschil tussen haar en klaagster. 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

3.1       De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:

1.      gedurende 20 jaar onvolledig/nalatig is geweest in het bijhouden van het medisch dossier van klaagster waardoor de historie van element 17 niet meegenomen kon worden in de beoordeling en niet meegewogen is bij het besluit welke behandeling in te zetten,

2.      onzorgvuldig is geweest in de beoordeling voor de behandeling van element 17,

3.      klaagster niet heeft geïnformeerd over het afbreken van een vijlpunt,

4.      gebrekkig heeft gecommuniceerd,

5.      geen transparant en onjuist declaratiegedrag heeft vertoond en

6.      de privacy van klaagster en van de buurman heeft geschonden.

4.            Het standpunt van verweerster

4.1       Verweerster heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 4 en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor wat betreft de klachtonderdelen 3, 5 en 6 heeft verweerster erkend dat zij anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan.

Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling  

5.1         Het college zal beoordelen of verweerster bij de informatieverstrekking en tandheelkundige zorgverlening aan klaagster de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2         Wat de uitvoering van de behandeling betreft, stelt het college voorop dat een goede behandeling begint met het opnemen van de anamnese. De tandarts dient vervolgens onderzoek te verrichten, waarbij de aard van de klachten en de medische voorgeschiedenis bepalend zijn voor het soort onderzoek dat noodzakelijk is. Het onderzoek vormt vervolgens de basis voor de diagnose en de diagnose is op haar beurt bepalend voor de behandeling en de uitvoering daarvan. Bij de uitvoering van het gekozen behandelbeleid dient de tandarts vakbekwaam te werk te gaan, waarbij hij zich bewust moet zijn van de grenzen van zijn bekwaamheid. Voorts dient de tandarts bij de uitvoering van de behandeling zorgvuldig en volgens de regelen der kunst te werk te gaan, zo nodig met behulp van de juiste apparatuur. Een tandarts dient na behandeling behoorlijke nazorg te verlenen

5.3       Bezien in het licht van dit beoordelingskader zal het college de verschillende klachtonderdelen behandelen.           

Klachtonderdeel 1

5.4       Klaagster stelt dat verweerster gedurende 20 jaar onvolledig/nalatig is geweest in het bijhouden van haar medisch dossier waardoor de historie van element 17 niet meegenomen kon worden in de beoordeling en niet meegewogen is bij het besluit welke behandeling in te zetten. Verweerster heeft het relevante deel van het medisch dossier overgelegd en is van mening niet nalatig te zijn geweest bij het bijhouden van het medisch dossier.

5.5       Het college is van oordeel dat uit de door partijen overgelegde onderdelen van klaagsters medisch dossier blijkt dat de dossiervorming door verweerster niet volledig is geweest. In de overgelegde stukken zijn geen bevindingen van foto’s opgenomen, geen redenen voor het maken van foto’s, geen bevindingen van onderzoeken en zijn geen behandelingen beschreven. Verweersters dossiervorming laat dan ook zeer te wensen over. Het college kan evenwel niet vaststellen of, zoals dit klachtonderdeel luidt, dóór die onvolledige dossiervorming de historie van element 17 niet door verweerster meegenomen kon worden in de beoordeling en niet bij het besluit welke behandeling in te zetten, is meegenomen. Gelet op het feit dat klaagster gedurende alle voorgaande jaren alleen door verweerster is behandeld, acht het college het aannemelijk dat de historie van element 17 bij haar bekend was en door haar bij de beoordeling is betrokken. Dit klachtonderdeel dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Klachtonderdeel 2

5.6       Klaagster stelt dat verweerster onzorgvuldig is geweest in de beoordeling voor de behandeling van element 17. Verweerster bestrijdt deze stelling en verwijst daarbij naar de beslissing van de klachtencommissie die dat klachtonderdeel ongegrond verklaarde.

5.7       Het college stelt vast dat in de overgelegde stukken maar zeer beperkt is gedocumenteerd welke behandelingen vanaf augustus 2015 door verweerster aan element 17 hebben plaats gevonden, wat de redenen voor die behandelingen waren en wat de bevindingen en wat de onderzoeksresultaten waren. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster het college niet duidelijk kunnen maken waarom de gekozen behandelingen, de juiste waren om de bestaande klachten te behandelen.

5.8       Het is het college verder een raadsel gebleven hoe het kan zijn dat verweerster niet heeft begrepen dat klaagster met langdurige pijnklachten bij element 17 kampte. Evenmin is het het college duidelijk geworden op welke gronden verweerster tot de verschillende behandelingen van element 17 heeft besloten. Wel stelt het college vast dat verweerster, gezien de blijvende klachten bij klaagster, haar behandelingen niet zodanig heeft opgezet dat die klachten daarmee zijn verholpen. Al het vorenstaande in ogenschouw nemende is het college dan ook van oordeel dat verweerster de behandeling van element 17 onjuist heeft beoordeeld. Bezien in het licht van het onder 5.2 genoemde beoordelingskader dient dit klachtonderdeel dan ook gegrond te worden verklaard.

Klachtonderdeel 3

5.9       Klaagster verwijt verweerster dat zij haar niet heeft geïnformeerd over het afbreken van een vijlpunt. Verweerster geeft aan niet te hebben geweten dat zij verplicht was dit aan klaagster te melden.

5.10     Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel gegrond dient te worden verklaard. Verweerster behoort, zoals zij zelf inmiddels ook heeft onderkend, patiënten onverwijld mededeling te doen van de aard en toedracht van incidenten die merkbare gevolgen hebben of kunnen hebben. Door het niet aan klaagster melden van het achterblijven van een vijlpunt is verweerster in gebreke gebleven.

Klachtonderdeel 4

5.11     Klaagster verwijt verweerster in dit onderdeel dat zij gebrekkig heeft gecommuniceerd. Verweerder bevreemdt het dat klaagster daar in ruim 20 jaar nooit eerder over heeft geklaagd. Verder stelt verweerster zich nooit te hebben gerealiseerd dat klaagster zoveel pijnklachten had.

5.12     Het college concludeert, op grond van het dossier en de toelichting daarop door partijen tijdens de zitting, dat verweerster over verschillende onderwerpen niet duidelijk is geweest naar klaagster. Zo heeft zij klaagster nimmer een opgave verstrekt voor voorgenomen behandelingen waarvan de kosten boven de € 250,- werden begroot. Ook heeft zij naar klaagster, die daar blijkens de overgelegde e-mailwisselingen meerdere specifieke vragen over heeft gesteld, nooit kunnen rechtvaardigen hoe haar facturen zijn opgebouwd (zie hierover verder bij klachtonderdeel 5). Ook heeft zij, zoals hiervoor al geoordeeld, klaagster ten onrechte niet op de hoogte gebracht van het afbreken en achterblijven van een vijlpunt. Tenslotte kan het college uit het overgelegde dossier niet vaststellen dat verweerster klaagster juist en volledig heeft geïnformeerd over de risico’s van en de redenen voor de gekozen behandeling voor element 17. Het college is dan ook van oordeel dat verweerster klaagster op deze onderdelen verwijtbaar onvolledig heeft geïnformeerd. Dit klachtonderdeel wordt dan ook gegrond verklaard.

Klachtonderdeel 5

5.13     Klaagster verwijt verweerster onjuist en geen transparant declaratiegedrag te hebben vertoond. Verweerster heeft hier tegen in gebracht dat zij met dure materialen werkt en alle behandelingen met hoogwaardige kwaliteit uitvoert. Dit betekent, zo stelt zij verder, dat zij bij bepaalde behandelingen meerdere afdrukken vervaardigt die zij voorheen ook in rekening bracht. Inmiddels zijn alle geconstateerde onrechtmatigheden hersteld en heeft zij haar declaratiegedrag aangepast.

5.14     Reeds sinds jaren maakt de Nederlands Zorgautoriteit jaarlijks de prestaties en tarieven voor tandheelkunde (hierna: de tarievenlijst) bekend. Deze tarievenlijst geldt ook voor verweerster. Het college heeft de door partijen overgelegde facturen bestudeerd en heeft geconstateerd dat verweerster declaratiegedrag vertoont dat structureel, in het voordeel van verweerster, afwijkt van deze tarievenlijst. Nu het college daarvoor geen rechtvaardiging is gebleken, wordt ook dit klachtonderdeel gegrond verklaard.

Klachtonderdeel 6

5.15     Klaagster verwijt verweerster tenslotte dat zij haar privacy en die van de buurman heeft geschonden door het sturen van de hiervoor onder 2.7 bedoelde e-mail. Verweerster heeft de achtergrond van het versturen van deze e-mail toegelicht maar daarbij aangegeven dat ook zij meent dat die achtergrond haar handelen niet rechtvaardigt. Zij is zich er terdege van bewust dat haar handelen niet professioneel en onjuist is.

5.16     Met partijen is het college van oordeel dat dit klachtonderdeel gegrond dient te worden verklaard. Verweerster heeft zich in deze, aan twee (voormalige) patiënten gerichte e-mail niet alleen uitgelaten over het tussen haar en klaagster en over het tussen haar en de buurman bestaande conflict, maar zij heeft zich daarbij tevens uitgelaten over de medische behandelingen die zij bij hen heeft uitgevoerd. Verweerster heeft daarmee de privacy van zowel klaagster als de buurman geschaad en daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Conclusie

5.17     De conclusie van het vorenstaande is dat klachtonderdeel 1 ongegrond is en dat de klachtonderdelen 2, 3, 4, 5 en 6 gegrond zijn. Verweerster heeft daarmee gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten.

5.18     Het college is van oordeel dat verweerster op verschillende onderdelen laakbaar heeft gehandeld. Zoals hiervoor geoordeeld is zij onzorgvuldig geweest in de behandeling van element 17, heeft zij klaagster ten onrechte niet geïnformeerd over de afgebroken vijlpunt en heeft zij, richting klaagster, op verschillende punten gebrekkig gecommuniceerd.

5.19     Daarnaast is duidelijk geworden dat verweerster op verschillende momenten teveel bij klaagster in rekening heeft gebracht. Wat de exacte reden daarvan is, is het college niet duidelijk geworden. Ofwel verweerster was op de hoogte van de tarievenlijst en factureerde bewust (extra) werkzaamheden die op grond van de tarievenlijst niet bij klaagster in rekening gebracht mochten worden. Ofwel verweerster was niet (goed) op de hoogte van inhoud van de tarievenlijst en factureerde abusievelijk onjuist. Het college zal, in het voordeel van verweerster, uitgaan van het laatste maar ook dat acht het college laakbaar. Van verweerster mag, als professional, worden verwacht dat zij op de hoogte blijft van voor haar van belang zijnde regelgeving en richtlijnen. Door te declareren op een wijze zoals zij heeft gedaan heeft verweerster duidelijk gemaakt de tarievenlijst niet in acht te nemen. Daarmee heeft ze klaagster financieel benadeeld en zichzelf financieel bevoordeeld.

De mogelijkheid dat verweerster met dure materialen werkt noch het feit dat er later door verweersters verzekeraar een bedrag aan klaagster is uitgekeerd, kan aan de laakbaarheid van dat eerdere onjuiste declareren afdoen.

Dit geldt onverkort voor verweersters ter zitting naar voren gebrachte stelling dat sommige andere verrichtingen door haar als service zijn uitgevoerd en niet zijn berekend. Uitgaande van de juistheid van die stelling kan dat -uiteraard- geen enkele rechtvaardiging zijn voor het vervolgens teniet doen van die service door het in rekening brengen van handelingen die niet in rekening gebracht hadden mogen worden.

5.20     Tenslotte heeft verweerster met het sturen van de eerder genoemde e-mail de privacy van twee van haar (voormalige) patiënten geschonden. Zij heeft aan deze twee patiënten vertrouwelijke informatie van die andere patiënt kenbaar gemaakt en die patiënten geïnformeerd over het met haar en die andere patiënt bestaande conflict. De door verweerster geschetste achtergrond van het een en ander doet aan de laakbaarheid van dit handelen geen enkele afbreuk.

5.21     Al het vorengaande in aanmerking nemend is het college van oordeel dat niet kan worden volstaan met een waarschuwing. Het college is van oordeel dat het passend en geboden is verweerster te berispen.

5.22     Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het college:

-          verklaart klachtonderdeel 2, 3, 4, 5 en 6 gegrond;

-          legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-          wijst de klacht voor het overige af.

Bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Nederlands Tandartsenblad en Dentz magazine ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus beslist door:

mr. A. van Maanen, voorzitter,

drs. E.C.L. Fritschij, drs. H.C. van Renswoude, leden tandartsen, en dr. R.H. Groot., lid kaakchirurg,

mr. dr. R.E. van Hellemondt, lid-jurist,

bijgestaan door mr. G.H. Felix, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. secretaris                                                                                   w.g. voorzitter