ECLI:NL:TGZRAMS:2018:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/081

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:82
Datum uitspraak: 10-07-2018
Datum publicatie: 10-07-2018
Zaaknummer(s): 2018/081
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klager verwijt verweerder dat hij zich ondanks de bezwaren van klager niet heeft terug getrokken als bedrijfsarts van klager. Ook verwijt hij hem onzorgvuldig handelen tijdens het onderzoek.  Gegrond, berisping.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 1 maart 2018 binnengekomen klacht van:

A,  

wonende te B,

k l a g e r,

tegen

C,

bedrijfsarts,

destijds werkzaam te D,

v e r w e e r d e r.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      het verweerschrift;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op een openbare zitting van 12 juni 2018 behandeld. Klager was aanwezig. Verweerder was afwezig met bericht van verhindering.

2.         De feiten

2.1       Klagers is als arbeids- en organisatiedeskundige werkzaam geweest bij E arbodienst te F (verder: E). In de periode 2005-2007 heeft klager in die hoedanigheid met verweerder samengewerkt. Verweerder was bij E werkzaam als bedrijfsarts.

2.2       Klager heeft zich in mei 2013 ziekgemeld in verband met psychische en fysieke klachten, waaronder oorsuizen en duizelingen. Ook ondervond klager problemen in zijn samenwerking met de oprichter van E, de heer G.

2.3       Ter beoordeling van de gezondheidssituatie van klager in relatie tot de te verrichten arbeid voor E, schakelde de heer G namens E, verweerder als bedrijfsarts in.

Klager heeft aangegeven het hiermee niet eens te zijn, omdat hij in het verleden met verweerder had samengewerkt. Klager vreesde bovendien voor beïnvloeding van verweerder, hetgeen zou resulteren in het oordeel dat het verzuim van klager niet verklaard kon worden door ziekte. E gaf aan het bezwaar geen gehoor. Op 11 september 2013 heeft E per e-mail aan klager laten weten te moeten verschijnen op het spreekuur van verweerder. In de e-mail staat voorts dat de volgende vraagstelling aan verweerder is voorgelegd:

“1.       Kunt u onderzoeken of het huidige verzuim wordt veroorzaakt door ziekte.

2.         En zo ja, kunt u aangeven of en in welke mate er sprake is van werkvermogen.

3.         Kunt u aangeven wanneer volledig herstel kan worden verwacht.”

2.4       Klager heeft zich op 16 september 2013 tot verweerder gewend. Verweerder heeft klager, deels in aanwezigheid van zijn echtgenote, gesproken en beoordeeld. Klager heeft kenbaar gemaakt dat hij de gang van zaken niet prettig vond. Klager heeft na het gesprek aan verweerder een e-mail verzonden waarin hij opnieuw kenbaar heeft gemaakt dat hij bezwaren had tegen de wijze waarop het gesprek is geïnitieerd en verlopen.

2.5       Verweerder heeft op 18 september 2013 naar aanleiding van de beoordeling een e-mail opgesteld, gericht aan de werkgever van klager. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende:

“Ik kom tot de conclusie dat er geen medische verklaring bestaat voor zijn verzuim. Het verzuim en de gezondheidsklachten, want die zijn er wel degelijk, worden voornamelijk bepaald door de verstoorde arbeidsverhouding. Die verstoring agraveert de manifestatie van een eventuele medische conditie.

Tot dit oordeel kom ik na overleg met de vorige bedrijfsarts maar zonder informatie van zijn behandelaar. Deze weigerde. (…) Als reden geeft de behandelaar dat ik, gezien mijn beroepsmatig contact met uw medewerker zo’n zes jaar geleden, niet onafhankelijk benn.

Ik adviseer u met uw medewerker overeen te komen welke arbeid hij gaat leveren en het loon dat hij daarmee verdient.”

2.6       E heeft naar aanleiding van het verslag van verweerder klager opgedragen op het werk te verschijnen.

2.7       Klager is in tweede instantie door een andere bedrijfsarts beoordeeld. Deze heeft geconcludeerd dat er wel een medische verklaring was voor klagers verzuim. Het UWV heeft overeenkomstig geoordeeld.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder zich onprofessioneel en ondeskundig heeft gedragen omdat hij:

1.         zich als bedrijfsarts heeft laten inhuren voor een ‘gevoelig’ spreekuur met een oud-collega;

2.         ter beoordeling van de gezondheidstoestand van klager geen onderzoek heeft gedaan naar diens medische klachten en daarin ook niet geïnteresseerd was.

4.            Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1         Ter beoordeling van het college staat of verweerder door klager te beoordelen en door de wijze van beoordeling in 2013 de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overschreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Deze norm is onder meer vervat in de richtlijnen, leidraden en kernwaarden van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde.

5.2       Wat het eerste klachtonderdeel betreft, stelt het college met inachtneming van het voorgaande voorop dat het destijds, maar ook thans nog gebruikelijk is dat de werkgever de keuze maakt voor een bepaalde bedrijfsarts en dat de werknemer in beginsel dus niet kan bepalen welke bedrijfsarts hem beoordeelt. Dat betekent niet dat de bedrijfsarts het belang van de werkgever voorop heeft staan. Zoals ook uit de kernwaarden van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde volgt, wordt goede bedrijfsgeneeskundige zorg weliswaar geleverd volgens afspraken die zijn overeengekomen met opdrachtgevers, maar zijn die overeenkomsten nooit in strijd met de andere kernwaarden en staan onpartijdigheid en objectiviteit voorop. Een en ander brengt dan ook met zich dat op het moment dat de onpartijdigheid en objectiviteit in het gedrang komen of daartoe de schijn kan worden gewekt, een bedrijfsarts moet overwegen of hij van een beoordeling van de desbetreffende werknemer moet afzien. Zo ook in dit geval, waar klager bij aanvang in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar heeft gemaakt dat hij geen goed gevoel had bij een beoordeling door verweerder, omdat zij elkaar vanuit dezelfde werkomgeving kenden en klager en verweerder inhoudelijk met elkaar van doen hadden gehad. Bij twijfel aan de onafhankelijkheid en objectiviteit van de bedrijfsarts bestaat immers het gevaar dat een werknemer belemmeringen ervaart om klachten met ‘zijn’ bedrijfsarts te bespreken, hetgeen in dit geval ook gebeurde: klager voelde zich erg onveilig en niet in staat om vrijelijk over zijn klachten te praten. Een ander gevaar is dat behandelaren van de werknemer schroom ervaren om medische gegevens te delen, welk gevaar zich evenzeer heeft verwezenlijkt: de huisarts van klager wilde verweerder ondanks toestemming daartoe geen informatie verstrekken.

Dat verweerder die afweging heeft gemaakt en overwogen heeft zich terug te trekken, blijkt echter geenszins, hetgeen het college als onzorgvuldig beoordeelt.

5.3       Daar komt bij dat verweerder wat de beoordeling van klagers gezondheidsklachten betreft feitelijk het onveilige gevoel van klager heeft bevestigd. Klager heeft immers gesteld dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar zijn medische klachten (psychisch en fysiek), hetgeen verweerder niet heeft weersproken en waar het college dan ook vanuit gaat, ondanks dat stukken daarover ontbreken. Het college betrekt in zijn oordeel op dit punt de omstandigheid dat klager ter zitting nog toegelicht heeft dat hij onder behandeling stond van een psychotherapeut, maar dat verweerder het niet nodig vond om bij die persoon informatie op te vragen alsmede de omstandigheid dat verweerder er niet voor heeft gekozen ter zitting te verschijnen om een mogelijk andersluidend standpunt naar voren te brengen. Wel staat vast dat verweerder informatie bij de huisarts heeft willen inwinnen en dat hij in zoverre dus nader onderzoek heeft gedaan. Zowel het uitblijven van een volledig onderzoek naar de medische klachten alsook het aan de werkgever terugkoppelen van een niet op voldoende onderzoek gebaseerd oordeel over de verklaring voor klagers verzuim, oordeelt het college onzorgvuldig.

5.4       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.

5.5       Wat de op te leggen maatregel betreft, acht het college een berisping passend. Verweerder kan op een aantal punten een verwijt worden gemaakt en in het bijzonder dat hij - een ervaren bedrijfsarts zijnde - tegen beter weten in klager beoordeeld heeft zonder over voldoende informatie te beschikken. Gezien de inhoud van het verweerschrift en verweerders keuze niet te verschijnen, heeft verweerder er bovendien geen blijk van gegeven inzicht te hebben in de onjuistheid van zijn handelen.

6.         De beslissing

Het college:

-          verklaart de klacht gegrond;

-          legt op de maatregel van berisping.

Aldus beslist door:

mr. R.A. Dozy, voorzitter,

drs. P.G.J. Koch, mr. drs. E.G. van der Jagt en mr. drs. R.L. Kloots, leden-arts,

mr. dr. R.P. Wijne, lid-jurist,

bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

w.g. secretaris                                                                       w.g. voorzitter