ECLI:NL:TGZRAMS:2018:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/440
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:80 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2018 |
| Datum publicatie: | 10-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2017/440 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster is door een bedrijfsarts gezien naar aanleiding van een ontslagprocedure bij haar werkgever. Klaagster verwijt verweerder onzorgvuldigheid in terugkoppelingen en het achterhouden van informatie. Tevens verwijt ze hem onder andere valsheid in geschrifte en partijdigheid. Deels gegrond, waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 24 november 2017 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
tegen
C ,
bedrijfsarts,
werkzaam te D,
v e r w e e r d e r ,
gemachtigde: mr. S.J. Berkhoff-Muntinga, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 7 maart 2018 gehouden vooronderzoek;
- de brief van 8 maart 2018 met bijlage van gemachtigde van verweerder;
- het mailbericht van 22 maart 2018 in reactie op de hiervoor genoemde brief;
- het mailbericht van 28 mei 2018 van klaagster, met bijlagen.
De klacht is op een openbare zitting van 12 juni 2018 behandeld.
Klaagster en haar partner waren aanwezig, evenals verweerder met de vervanger van gemachtigde, mr. F. van Woerden, die tevens een pleitnota heeft overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster is werkzaam bij E. Eind 2016 ontstond er een (ontslag/reorganisatie)conflict met haar werkgever.
2.2 Verweerder is sinds 2014 als geregistreerd bedrijfsarts werkzaam bij F Bedrijfsartsen te D. In die hoedanigheid verzorgt hij (onder meer) de verzuimbegeleiding voor diverse bedrijven, waaronder E (deze tot 1 januari 2018).
2.3 Op 10 november 2016 heeft verweerder klaagster voor het eerst gezien op een arbeidsgezondheidskundig spreekuur. In de terugkoppeling hiervan aan de werkgever van klaagster staat onder meer: “Wij hebben gesproken over gezondheid en werk. Op dit moment heb ik geen aanvullende adviezen.”
Een tweede soortgelijk contact vond plaats op 22 december 2016 ook weer op verzoek van de werkgever van klaagster. In de terugkoppeling hiervan aan de werkgever van klaagster staat onder meer: “Wij hebben een gesprek gehad over gezondheid en werk. Er is sprake van een objectiveerbare medische aandoening met beperkingen. Deze beperkingen zijn met name de inzet van de dominante hand voor arbeid. Betrokkene heeft een verminderde knijpkracht en ook treedt er bij repeterende inspanning eerder dan normaal uitputting en coördinatieverlies op. Daarbij is het raadzaam om bij werkzaamheden langer dan een half uur de elleboog rechts te ondersteunen.”
Op 12 januari 2017 heeft een derde spreekuurcontact plaatsgevonden ten behoeve van het opstellen van een FML. Dat is toen niet gebeurd vanwege tijdsproblemen. In de terugkoppeling aan de werkgever staat onder meer: “Vandaag sprak ik uw medewerker in het kader van het opstellen van een Functionele Mogelijkheden Lijst. Deze is los van deze terugkoppeling toegestuurd.” Verder staat in het medisch journaal van die datum: “ De werkgever verzoekt een FML ivm het vinden van passend werk. (…) Inmiddels is duidelijk dat de hele functie komt te vervallen. Betrokkene heeft niet veel vertrouwen in een goede oplossing. Medische situatie is onveranderd. (…) Betrokkene wil graag een belastbaarheidsonderzoek omdat ze bang is dat de werkgever te zwaar werk gaat aanbieden. Ik heb aangegeven dat een proefplaatsing ook een mogelijkheid is en dat er eerst een idee moet zijn van een evt functie. (…) FML wordt opgemaakt. Nog geen belastbaarheidsonderzoek. WG zal ik erop wijzen dat er geen verkapte aanstellingskeuring kan plaatsvinden.”
2.4 Op of rond 18 januari 2017 heeft verweerder een FML opgesteld en deze naar de werkgever van klaagster gestuurd. Klaagster heeft per mail van 18 januari 2017 van de werkgever deze FML ontvangen, evenals de terugkoppelingen van de spreekuren op 22 december 2016 en 12 januari 2017. Tevens is een functieomschrijving meegestuurd van Assembly Worker.
2.5 Op 27 februari 2017 heeft verweerster zich ziek gemeld bij haar werkgever. Daarna hebben op 23 maart, 6 april, 20 april, 4 mei, 18 mei, 29 juni, 13 juli en 7 september 2017 spreekuren plaatsgevonden in het kader van verzuimbegeleiding. Van deze spreekuurcontacten zijn zogenoemde terugkoppelingen gemaakt, behalve van het spreekuurcontact op 6 april 2017.
2.6 Verweerder heeft na het spreekuurcontact op 6 april 2017 een probleemanalyse opgesteld en dat naar klaagster en haar werkgever gezonden. Hierover is tussen klaagster en verweerder mailcontact geweest (21-23 april 2017).
2.6 In oktober 2017 is de begeleiding van klaagster overgedragen aan een andere bedrijfsarts.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht houdt zakelijk weergegeven in, zoals ook weergegeven in het proces-verbaal vooronderzoek van 7 maart 2018:
1. Verweerder is onzorgvuldig geweest in zijn terugkoppelingen (vaak te laat ontvangen), in het bijzonder wat betreft het spreekuur van 10 november 2016.
2. Verweerder heeft valsheid in geschrifte gepleegd: hij heeft “ja” ingevuld of zij het eens was met de probleemanalyse terwijl daarvan geen sprake was. Tevens is sprake van ongewenst handelen.
3. Verweerder is partijdig geweest en is met bepaalde uitspraken buiten zijn boekje gegaan.
4. Ter zitting is toegevoegd dat de FML nooit zo opgesteld had mogen worden.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het college stelt voorop en benadrukt dat bij het vaststellen van de omvang van de geheimhoudingsplicht scherp onderscheid gemaakt dient te worden tussen een vrijwillig spreekuur (arbeidsomstandighedenspreekuur) en een niet-vrijwillig spreekuur (verzuimspreekuur). Bij het eerste krijgt de werknemer, op eigen verzoek, van de bedrijfsarts advies over zijn gezondheid in relatie tot werk en is de WGBO in de volle omvang van toepassing. Er mag zonder expliciete toestemming van werknemer geen informatie aan derden worden verstrekt, onder wie de werkgever. Indien toestemming is verkregen dient de bedrijfsarts er bovendien voor te waken dat alleen die informatie wordt verstrekt die (strikt) noodzakelijk is voor deze derde.
De tweede vorm van spreekuurcontact is op verzoek van de werkgever en krijgen werkgever en werknemer van de bedrijfsarts advies in het kader van verzuimbegeleiding. Daarbij is de WGBO van overeenkomstige toepassing en mag de bedrijfsarts ook zonder toestemming van werknemer beperkt informatie aan de werkgever verstrekken. Het betreft daarbij informatie die de werkgever (strikt) nodig heeft om aan zijn loondoorbetaling- en re-integratieplicht te voldoen. Ook hier geldt dat de bedrijfsarts er voor waakt dat altijd alleen die informatie verstrekt wordt die (strikt) noodzakelijk is, ook bij gegeven ruimere toestemming van de werknemer.
5.2 In deze zaak is klaagster op verzoek van de werkgever naar het spreekuur van 22 december 2016 verwezen waarbij aan de bedrijfsarts is gevraagd om te adviseren over klaagsters algemene belastbaarheid, zodat haar werkgever, in het kader van een reorganisatie, haar ander passend werk kon bieden. Verweerder heeft die vraag beantwoord door op 12 januari 2017 een FML op te stellen en enige tijd later aan de werkgever te verstrekken. Daarbij heeft verweerder in de terugkoppeling nog vermeld dat ‘er geen verkapte aanstellingskeuring mocht plaatsvinden’. Hoewel klaagster op verzoek van de werkgever is verwezen, maakt naar het oordeel van het college de aard van de vraagstelling van de werkgever, in afwezigheid van een ziekmelding, dat het spreekuur toch niet een spreekuur was dat plaatsvond in het kader van verzuimbegeleiding. Verweerder had dus de toestemming van klaagster nodig om de informatie aan haar werkgever te verstrekken. Uit het dossier blijkt niet zonder meer dat die toestemming gegeven is.
Voorts merkt het college op dat het stellen van vragen over de gezondheidstoestand van de werknemer en het verrichten van medisch onderzoek als sprake is van een voorgenomen functiewijziging, zoals hier in het kader van een reorganisatie, aan te merken is als een aanstellingskeuring in de zin van de Wet medische keuringen (Wmk) en alleen toegestaan is als aan alle eisen voldaan is die daaraan verbonden zijn. Daarvan blijkt niets in het dossier, zodat naar het oordeel van het college het handelen van verweerder (zoals hij zelf al vermoedde/vreesde gezien zijn opmerking in de terugkoppeling) in strijd is met de Wmk. Verweerder verklaarde ter zitting weliswaar dat hij zich door de werkgever (enigszins) onder druk gezet voelde (hetgeen het college ook niet uitsluit), doch van een professional als verweerder had verwacht mogen worden dat hij tegen die druk bestand zou zijn. Het had op de weg gelegen van verweerder om aan de werkgever dan wel aan klaagster te vragen welke functie(s) haar aangeboden werd(en), opdat hij een op die functie gericht medisch advies over de geschiktheid had kunnen geven aan klaagster zelf. Het opstellen van een FML en die ter beschikking stellen aan de werkgever is daarvoor niet nodig en komt in strijd met de Leidraad Bedrijfsarts en Privacy van NVAB/OVAL en de Wmk.
Klachtonderdeel 4 is dan ook gegrond.
5.3 Na de ziekmelding van 27 februari 2017 zijn er in het kader van verzuimbegeleiding verschillende spreekuurcontacten geweest waarbij verweerder de advies rapportages niet tegelijk aan werknemer en werkgever verstrekte, omdat het destijds de werkwijze was van de werkgever van verweerder (de arbodienst) om de terugkoppelingen via de werkgever naar klaagster te sturen. Deze handelwijze komt in strijd met de Leidraad Bedrijfsarts en Privacy van de NVAB/OVAL. Toen klaagster verweerder aansprak dat zij de rapportages via de werkgever pas laat kreeg, heeft verweerder zijn werkwijze wel aangepast. Verweerder is echter zelf verantwoordelijk voor een correcte advisering aan werkgever en werknemer.
In zoverre is klachtonderdeel 1 gegrond. Het spreekuurcontact van 10 november 2016 moet naar het oordeel van het college beschouwd worden als een arbeidsomstandigheden spreekuur, zodat verweerder daarvan terecht geen rapportage aan de werkgever heeft gestuurd. In zoverre is klachtonderdeel 1 ongegrond
5.4 Na ziekmelding van klaagster op 27 februari 2017 hebben (niet-vrijwillige) spreekuurcontacten plaatsgevonden. Verweerder heeft medio april 2017 een (eerste) probleemanalyse opgesteld en deze op 20 april 2017 (tijdens een spreekuurcontact) aan klaagster overhandigd. Per mail van 21 april 2017 heeft klaagster aangegeven het niet eens te zijn met deze probleemanalyse. Verweerder heeft hierop per e-mail van 23 april 2017 inhoudelijk gereageerd en klaagster uitgenodigd om hierover te spreken bij een volgend spreekuur. Hij heeft tevens een aangepaste versie van de probleemanalyse opgestuurd. Tegen deze gang van zaken heeft het college geen bezwaren. Dat verweerder de probleemanalyse eerst kennelijk foutief had ingevuld, maakt niet dat hij zich dan ook schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, dat ook een zekere opzet tot falsificatie in zich bergt. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.
5.5 Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting kan het college klaagster niet volgen in haar stelling dat verweerder bepaalde uitdrukkingen heeft gedaan en/of buiten zijn boekje is gegaan. Deze casus was voor verweerder kennelijk ook lastig en hij heeft geprobeerd om met klaagster in gesprek te komen door haar per mail uitdrukkelijk hiervoor uit te nodigen. Niet weersproken is dat hij bij een aantal spreekuurcontacten uitvoerig heeft gesproken met klaagster (en haar partner). Dat hij partijdig is geweest (en dus op de hand van de werkgever zo begrijpt het college) kan het college niet onderschrijven. Het handelen van verweerder geeft het college dan ook geen bedenkingen op dit punt. Klachtonderdeel 3 is dan ook ongegrond.
5.6 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft op die onderdelen gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten.
De oplegging van na te melden maatregel van een waarschuwing is daarvoor passend, nu aan verweerder niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd en hij ook zijn werkwijze heeft aangepast wat betreft het versturen van de terugkoppelingen.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen 1 (deels) en 4 gegrond;
- verklaart klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van een waarschuwing op.
Aldus beslist door:
mr. R.A. Dozy, voorzitter,
drs. P.G.J. Koch, mr. drs. E.G. van der Jagt en mr. drs. R.L. Kloots, leden-arts,
mr. dr. R.P. Wijne, lid-jurist,
bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. secretaris w.g. voorzitter