ECLI:NL:TGZRAMS:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/447GZP
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:69 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2018 |
| Datum publicatie: | 26-06-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2017/447GZP |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over behandeling door genderteam. Ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 13 oktober 2017 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
gemachtigde: mr. B. Wernik, verbonden aan Kalbfleisch van der Blom & Fritz te Haarlem,
tegen
C,
Gz-psycholoog,
werkzaam te D,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde: mr. H.J.C. Smink, verbonden aan E te D.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 14 maart 2018 gehouden vooronderzoek.
De klacht is in raadkamer behandeld. Het vooronderzoek is op 28 maart 2018 gesloten.
2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
Klaagster is sinds 2011 in behandeling bij het Gender team in het ziekenhuis, van welk team ook verweerder deel uitmaakt. Vanaf februari 2013 zijn tussen klaagster en verweerder periodiek gesprekken gevoerd over behandeleffecten en (verdere) behandelwensen bij klaagster. In juli 2015 heeft klaagster een vaginaplastiek gekregen, waarna zich complicaties hebben voorgedaan. In maart 2016 kreeg klaagster een secundaire verdiepingsplastiek. Na de operaties zijn de periodieke gesprekken tussen klaagster en verweerder telkens voortgezet.
3. De klacht en het standpunt van klaagster
Zakelijk weergegeven verwijt klaagster verweerder:
a. dat hij een afspraak voorafgaand aan de operatie zonder medeweten van klaagster heeft afgezegd omdat hij ervan uitging dat alles goed zou gaan;
b. dat hij de afspraak om tijdens de opname in juli 2015 bij klaagster langs te komen niet is nagekomen;
c. dat hij niets heeft gedaan met de klacht van klaagster dat een afspraak met de endocrinoloog weer werd geannuleerd en pas drie maanden later kon plaatsvinden;
d. dat hij klaagster zwaar heeft vernederd na een gesprek door met collega’s hard te praten en te lachen, wat klaagster in de gang kon horen.
Ter toelichting heeft klaagster onder meer aangevoerd dat het bij de operatie van de vaginaplastiek in 2015 fout is gegaan en dat er slechte nazorg heeft plaatsgevonden. Ook is er voor, tijdens en na de operatie niet volgens afspraak gewerkt.
Klaagster is (ook na de tweede operatie nog) fysiek zwaar verminkt, haar geslachtsorgaan werkt niet. Zij zit in de ziektewet en heeft haar baan verloren. Door deze situatie heeft zij psychische klachten ontwikkeld die voor chronische stress zorgen.
Als verweerder bij haar zou zijn langs gekomen had zij hem kunnen uitleggen wat er aan de hand was. Verweerder wilde niets voor klaagsters advocaat op papier zetten en heeft haar niet serieus genomen. Klaagster heeft hem uitgelegd wat haar frustratie is en naderhand heeft ze hem erover horen lachen met collega’s.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Hij heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat hij heeft geprobeerd klaagster te ondersteunen na de operaties van 2015 en 2016, waarover klaagster ontevreden is. Hij heeft getracht de contacten tussen de medische behandelaren en klaagster te verbeteren door de onvrede van klaagster terug te koppelen. Hij heeft klaagster geadviseerd haar onvrede ter beoordeling voor te leggen aan de klachtencommissie.
Met betrekking tot de klachtonderdelen heeft verweerder het navolgende aangevoerd:
Ad a: het is voor verweerder onduidelijk waarom klaagster het idee heeft dan hij een
afspraak zou hebben afgezegd, waarvan zij niet op de hoogte zou zijn geweest. Hij kan zich dat niet herinneren, en ook in het systeem is er geen afspraak te vinden die op zijn initiatief is afgezegd rond de operatie van juli 2015.
Ad b: rondom de opname van een patiënt wordt vanuit de afdeling psychologie geen
afspraak gepland. Niet alle patiënten hebben daaraan behoefte, ook is het plannen van een vast afspraakmoment tijdens de opname niet altijd mogelijk. Verweerder vraagt altijd of zijn patiënten het prettig zouden vinden als hij langs zou komen en bespreekt dat zij de wens voor contact kunnen aangeven bij de verpleegkundigen, die dan contact opnemen met de afdeling psychologie.
In de tijd dat klaagster was opgenomen voor de operatie in juli 2015 was verweerder met vakantie.
Ad c: voor verweerder is niet duidelijk wanneer deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan. Het kan zijn dat klaagster haar onvrede met de endocrinologie met verweerder heeft besproken, maar verweerder kan hier niets aan doen en verwijst dan normaal terug naar de plek waar de onvrede is ontstaan of hij wijst op de mogelijkheid van
klachtbemiddeling.
Ad d: verweerder herkent zich niet in deze klacht. Hij heeft niet na het betreffende consult met een collega gesproken over klaagster, noch om haar gelachen. Verweerder
verwijst naar de e-mailwisseling van november 2016, waarin klaagster haar beklag deed en verweerder heeft aangegeven haar beleving te betreuren en dit met
klaagster tijdens de volgende afspraak van 23 december 2016 te willen bespreken. Dat is gebeurd en ondanks het verschil in beleving bestond voldoende vertrouwen om het begeleidingscontact voort te zetten.
5. De beoordeling
Met betrekking tot de klachtonderdelen a. en b. verschillen partijen van mening over de vraag of er voor en tijdens de opname van juli 2015 afspraken tussen klaagster en verweerder hebben bestaan, die door verweerder niet zouden zijn nagekomen. Hier is sprake van het woord van klaagster tegenover het woord van verweerder. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Het college realiseert zich dat mogelijk sprake is geweest van een misverstand, waardoor klaagster verwachtte dat verweerder zonder extra bericht van haar tijdens de opname zou langskomen, en dat het voor klaagster bijzonder vervelend moet zijn geweest dat dit niet is gebeurd tijdens die door klaagster toch zo onaangenaam ervaren periode.
Klachtonderdeel c. is door klaagster niet verder toegelicht, terwijl verweerder heeft aangevoerd niet te weten waar klaagster op doelt, maar evenmin in dergelijke situaties een rol voor zichzelf te zien. Ook dit klachtonderdeel kan dus niet gegrond bevonden worden.
Met betrekking tot klachtonderdeel d. blijkt uit de door verweerder overgelegde stukken dat verweerder dit na ontvangst van de e-mail van klaagster adequaat heeft opgepakt, dat partijen de kwestie hebben besproken tijdens de eerstvolgende afspraak met als resultaat de conclusie dat er voldoende vertrouwen bestond het begeleidingscontact voort te zetten, waarna dit ook daadwerkelijk is geschied. Het college kan ook met betrekking tot dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag van verweerder vaststellen.
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is.
Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het college wijst de klacht af.
Aldus beslist op 26 juni 2018 door:
mr. J. Recourt, voorzitter,
dr. C.H.J.A.M. van de Vijfeijken en B.R. Jedding, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door mr. N.A.M. Sinjorgo, secretaris.
WG secretaris WG voorzitter