ECLI:NL:TGZRAMS:2018:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/316

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:67
Datum uitspraak: 18-06-2018
Datum publicatie: 18-06-2018
Zaaknummer(s): 2017/316
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster stelt dat oogarts onzorgvuldig heeft gehandeld door haar na een gecompliceerd verlopen staaroperatie onvoldoende te monitoren, o.a. door geen OCT te laten maken. Klacht ongegrond. Verweerster heeft klaagster goed in de gaten gehouden middels regelmatige controles, waarbij telkens geen tekenen van macula oedeem werden geconstateerd.   Ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 27 december 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r ,

tegen

C,

oogarts,

werkzaam te B,

v e r w e e r s t e r ,

gemachtigde: mr. R.J. Peet,  verbonden aan VvAA Juridisch Advies & Rechtsbijstand te Utrecht.             

1.         De procedure

1.1       Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift;

-                      de (aanvullende) e-mail van klaagster van 8 januari 2018;

-                      het aanvullende klaagschrift met de bijlage(n);

-                      het verweerschrift met de bijlage;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 9 maart 2018 gehouden vooronderzoek.

1.2.      De klacht, ingekomen op 27 december 2017, betreft een herformulering van een eerder door klaagster ingediende klacht tegen verweerster. Klaagster heeft de eerdere klacht ingetrokken. De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Op 13 oktober 2016 heeft een collega van verweerster klaagster in D te B (verder: D) geopereerd aan het rechter oog in verband met staar. Deze operatie verliep gecompliceerd door een achterste kapselscheur met uitgescheurde rhexis.

2.2.      Op 31 oktober 2016 vond een tweede operatie plaats aan het rechter oog voor het plaatsen van een iris-caw lens. Deze operatie werd eveneens uitgevoerd door een collega van verweerster.

2.3.      Op 19 december 2016 is een rebound uveïtis aan het rechter oog geconstateerd na het afbouwen van steroïden, waarna is gestart met een topicale steroïde oplossing ( Pred Forte).

2.4.      Op 9 januari 2017 heeft klaagster een staaroperatie gehad aan het linker oog, uitgevoerd door een collega van verweerster. Deze operatie is ongecompliceerd verlopen.

2.5.      Op 31 januari 2017 kreeg klaagster weer last van het rechter oog. Zij is diezelfde dag op controle geweest bij verweerster, die als oogarts verbonden is aan D. Door verweerster is een rebound uveïtis geconstateerd. Er is opnieuw gestart met de topicale steroïde oplossing (Pred Forte), met het advies dit vier maal daags aan te brengen tot aan de twee weken later geplande controle. De visus van het rechteroog bedroeg zonder correctie 0.95.

2.6.      Op 13 februari 2017 is klaagster gezien voor de eindcontrole van de staaroperatie van het rechter oog door een optometriste en verweerster. Toen was er eveneens sprake van rebound uveïtis van het rechter oog. De visus was goed (1.2 het rechter oog en 1.0 het linker oog met correctie). Aan klaagster werd geadviseerd de Pred Forte per twee weken af te bouwen en twee weken later op controle te komen.

2.7.      Tijdens de controle van 28 februari 2017 waren beide ogen rustig. Er waren geen tekenen van uveïtis bij gebruik van Pred Forte driemaal daags. Aan klaagster werd geadviseerd om verder per twee weken Pred Forte af te bouwen  en na acht tot tien weken terug te komen voor controle.

2.8.      Op 1 mei 2017 heeft verweerster klaagster voor het laatst op consult gezien. De visus van het rechteroog bedroeg met correctie 1,20 Zij gebruikte toen geen Pred Forte meer.

2.9.      Op 28 juni 2017 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met D in verband met een door haar opticien gemeten visusdaling. Omdat de telefoniste dacht aan nastaar (hetgeen in dit geval overigens niet mogelijk was na de staaroperatie) is er niet direct een consult ingepland, maar is klaagster voor het spreekuur van verweerster van 7 juli 2017 ingepland. Klaagster  is zelf voor die tijd naar een andere oogarts gegaan en niet meer bij D teruggekeerd. Bij klaagster is elders macula-oedeem geconstateerd, waarvoor zij wordt behandeld.

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

3.1.      De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld door naast het gebruikelijke onderzoek geen enkele keer een fluorescentie angiografie of OCT scan te laten maken.

3.2.      De kans op macula oedeem na een complexe operatie met terugkerende ontstekingen is volgens klaagster (die refereert aan wetenschappelijk onderzoek) immers bijna 50% en deze oedeemvorming is op een OCT zichtbaar nog voor er sprake is van visusverlies, terwijl het verlies van visus aan 1 oog door een patiënt niet wordt opgemerkt, doordat dit gecompenseerd wordt door het andere oog. Met een OCT in een eerder stadium had men het probleem tijdig kunnen behandelen en het visusverlies kunnen voorkomen. Dat de oedeemvorming zich bij klaagster wat later vormde dan gebruikelijk, wijt klaagster aan de onderdrukking door het langdurig gebruik van Pred Forte.

4.         Het standpunt van verweerster

4.1.      Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Verweerster heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat zij vier consulten met klaagster heeft gehad in de periode van 31 januari 2017 tot en met 1 mei 2017 wegens onder meer het ontwikkelen van een rebound uveïtis aan beide ogen en om het verdere postoperatieve beloop na een gecompliceerde phacoemulsificatie van het rechter oog te vervolgen. Tijdens het eerste consult op 31 januari 2017 heeft verweerster klaagster mondeling toegelicht om in haar situatie zoveel mogelijk bij één oogarts onder controle te blijven om meer continuïteit en stabiliteit in de zorg te kunnen verlenen.

4.2.      Klaagster was reeds op 4 en 15 november 2016 door een collega geïnstrueerd om bij het ontstaan van klachten als visusdaling, roodheid en/of pijn contact op te nemen. Klaagster was van deze instructie op de hoogte en heeft deze opgevolgd. Tijdens de vier controles die verweerster heeft verricht heeft klaagster niet gesproken over een visusdaling, een scotoom in beeld of metamorfopsie (beeldvertekening). Wel benoemde zij irritatie, tranen en lichtgevoeligheid van de ogen. Spleetlamponderzoek liet een rebound uveïtis zien, waarvoor klaagster behandeld werd met Pred Forte. In voornoemde periode is verder meerdere keren een hoge visus van het rechteroog vastgelegd, waaronder op 1 mei 2017, toen klaagster geen Pred Forte meer gebruikte. Er traden geen plotselinge refractieveranderingen op. Er waren al met al volgens verweerster geen redenen om aanvullend oogheelkundig onderzoek te doen middels een OCT scan. Verweerster zag gezien het klinisch beeld (de visus van 1,0 of hoger, het ontbreken van een refractieverandering en het overige oogheelkundige onderzoek geen redenen om aanvullend diagnostisch onderzoek te verrichten. 

Voor zover nodig wordt hieronder nader op de standpunten van partijen ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In het tuchtrecht is persoonlijke verwijtbaarheid uitgangspunt.

5.2.       Het college overweegt dat er geen richtlijn is die bepaalt dat in het geval van de complicaties die klaagster tijdens en na de operatie had gehad bij afwezigheid van voornoemde signalen, toch een OCT moet worden gemaakt, ondanks dat de kans op het ontwikkelen van een macula oedeem na een gecompliceerde cataract operatie mogelijk groter is dan na een ongecompliceerd verlopen operatie. Ook uveïtis verhoogt de kans op macula oedeem. Dit manifesteert zich als een onverwachte daling van de gezichtsscherpte en ontwikkelt zich gewoonlijk in de periode van vier tot twaalf weken na de operatie, met een piek tussen de vier en zes weken. De diagnostiek bestaat uit routine oogheelkundig onderzoek met het bepalen van de gezichtsscherpte. Aanvullend kan er een OCT onderzoek plaatsvinden. Ondanks dat de kans op het ontwikkelen van macula oedeem bij klaagster groter mocht worden geacht, is het echter niet gebruikelijk om hierop (diagnostisch) te testen bij afwezigheid van klachten of symptomen. Wel is er het algemene advies om in de postoperatieve fase, profylactisch medicatie voor te schrijven om oedeem te voorkomen. Dit is opgenomen in de richtlijn Cataract Chirurgie van de beroepsgroep van oogartsen (NOG)  en ook bij klaagster toegepast.  Klaagster werd hierop goed in de gaten gehouden middels regelmatige controles. Er zijn steeds vervolg controles afgesproken en klaagster was geïnstrueerd bij problemen direct contact op te nemen (hetgeen zij ook enkele malen heeft gedaan). Tijdens de controle periode waren er geen tekenen van macula oedeem: De uveïtis was volgens het dossier goed te behandelen met oogdruppels en de visus van klaagster was ondanks alle problemen goed hersteld en bedroeg 1.0 of hoger. Ook was er geen verandering opgetreden in de refractie (sterkte van de brillenglazen) en er waren geen klachten van beeldvervorming (metamorfopsie). Naar het oordeel van het college was er dan ook - ondanks het (gecompliceerde) klinische beloop na de operatie zoals beschreven door klaagster en zoals volgt uit het medisch dossier - geen aanleiding was voor het laten vervaardigen van een OCT.

5.3.      Overigens valt achteraf ook niet te beoordelen of – indien er wel een OCT was gemaakt – vroegtijdige tekenen van macula oedeem zouden zijn ontdekt. Als dit wel het geval was geweest zou interventie met medicatie blijvende visus schade mogelijk hebben kunnen voorkomen. Dat is echter een beoordeling achteraf en hiervan kan verweerster geen verwijt worden gemaakt.  Ook kan verweerster niet worden verweten dat - toen klaagster op 28 juni 2017  in verband met visusdaling telefonisch contact opnam -  zij niet direct langs mocht komen. Niet gebleken is dat verweerster betrokken is geweest bij de advisering ter zake van of dat in het dossier (aan verweerster te verwijten) ontoereikende informatie stond waardoor haar situatie op dat moment niet als dringend werd ingeschat.

5.4.      De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college wijst de klacht af.

Aldus beslist op 18 juni 2018 door:

mr. J. Recourt voorzitter,

dr. H.J.B. van den Brom en dr. F.E. Ros, leden-oogarts,

bijgestaan door mr. C. Neve, secretaris.

WG                                                                                                     WG

secretaris                                                                                       voorzitter