ECLI:NL:TGZRAMS:2018:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/159

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2018:59
Datum uitspraak: 31-05-2018
Datum publicatie: 31-05-2018
Zaaknummer(s): 2018/159
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager dient een klacht in tegen verweerder (huisarts) omdat hij hem heeft aangemeld voor Mentrum maar dat hij bij Inforsa is beland. Tevens verwijt hij de huisarts dat hij hem verkeerde medicatie heeft gegeven.   Ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 25 april 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a g e r ,

tegen

C,

huisarts,

werkzaam te B,

b e k l a a g d e .

1.         De procedure

1.1.      Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift met de bijlagen.

2.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat:

1)    de beklaagde klager heeft verwezen naar D in plaats van E;

2)    de beklaagde exozepam heeft voorgeschreven in plaats van medicatie voor ADHD.

3.         De beoordeling

3.1.      Het college heeft in zijn uitspraak in de zaak van klager met kenmerk 17/246 het volgende overwogen:  

“5.3.     Het tuchtrecht heeft tot doel de kwaliteit van de gezondheidszorg te bevorderen door het handelen van zorgverleners te toetsen en indien blijkt dat dit handelen niet correct is geweest zo nodig een passende maatregel op te leggen. In het geval van klager komt echter een beeld naar voren waarbij van een problematiek die niet door de gang naar de tuchtrechter kan worden opgelost. Het college geeft reeds nu aan klager mee dat wat betreft toekomstige klachten van klager, die hetzelfde onderwerp betreffen, het college zich de mogelijkheid voorbehoud de klachten zonder nader vooronderzoek als kennelijk ongegrond of als van kennelijk onvoldoende belang af te doen. Het college anticipeert daarbij op de toekomstige wetswijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), waarbij dergelijke klachten kunnen worden afgedaan met een voorzittersbeslissing. Het college hoopt echter dat klager, eventueel met hulp van zijn begeleiders, een huisarts kan vinden met wie hij een werkbare relatie kan onderhouden. Dit is uiteindelijk het meest in het belang van klager.

3.2.      Klager klaagt dat beklaagde, zijn huisarts niet (precies) heeft gedaan wat klager hem heeft gevraagd. Blijkens een bijlage bij het klaagschrift heeft klager hierover reeds een klacht ingediend bij de Stichting Klachten en Geschillen Eerstelijnszorg (verder: SKGZ). Uit de mail van de klachtfunctionaris aan klager van 16 april 2018 blijkt dat de klacht is voorgelegd aan beklaagde en dat deze heeft gereageerd met een toelichting op zijn handelen.

3.3.      Het college is van oordeel dat deze klacht van onvoldoende gewicht is als bedoeld in artikel 66, lid 4, van de Wet BIG. Hierbij verwijst het college naar de bovenstaand geciteerde rechtsoverweging 5.3 uit de uitspraak op de klacht van klager met kenmerk 17/246.

4. De beslissing

Het college wijst de klacht af.

Aldus beslist op 31 mei 2018 door:

mr. J. Recourt, voorzitter,

D.E. de Jong en dr. B. van Ramshorst, leden-arts,

bijgestaan door mr. C. Neve, secretaris.

w.g. secretaris                                                                                    w.g.  voorzitter