ECLI:NL:TGZRAMS:2018:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/334
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2018:132 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-11-2018 |
| Datum publicatie: | 05-11-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018/334 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Verweerster heeft in het kader van een strafzaak een psychologisch onderzoek verricht naar klager. Klager en zijn echtgenote (klaagster) verwijten verweerster o.a. dat zij daarbij het inzage- en correctierecht heeft geschonden, de rapportage veel slordigheden en onjuistheden bevat en suggestief is, zowel over klager als klaagster. Verweerster voert verweer. Gegrond, berisping |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 11 juni 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te
Eindhoven binnengekomen en vervolgens naar dit college doorgestuurde en op 8 augustus 2018 binnengekomen klacht van:
1. A,
klager,
klaagster,
beiden wonende te C,
tegen
D,
GZ-psycholoog,
v e r w e e r s t e r ,
domicilie kiezend bij Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlage;
- de aanvulling op het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot onder meer het vooronderzoek;
- de op 19 september 2018 ontvangen bijlagen van klagers.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is op 2 oktober 2018 op een openbare zitting behandeld.
Partijen waren aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door mr. De Groot, die een toelichting heeft gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.
2. De feiten
2.1 Verweerster is GZ-psycholoog en in het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen voor het deskundigheidsgebied FPPO strafrecht volwassenen geregistreerd.
2.2 Klager is werkzaam als huisarts te C, klaagster is psychotherapeute. Klager en klaagster zijn met elkaar getrouwd. De moeder van klaagster (hierna: mevrouw W.) is op 29 juli 2016 overleden.
2.3 Klager wordt door het Openbaar Ministerie, arrondissementsparket te C, vervolgd (primair) voor moord op mevrouw W., door haar in zijn hoedanigheid als behandelend arts in de periode (vlak) voor haar overlijden bepaalde medicatie voor te schrijven en toe te dienen. Klager heeft in februari 2018 zeventien dagen en van 20 april 2018 tot 4 mei 2018 in voorarrest gezeten. Vanaf 4 mei 2018 werkt hij weer als huisarts. Klager is in afwachting van de verdere strafrechtelijke procedure.
2.4 In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft verweerster in opdracht van de officier van Justitie een psychologisch onderzoek Pro Justitia (hierna: het onderzoek) ingesteld omtrent de persoon van klager en op basis daarvan een Pro Justitia rapport (hierna: het rapport) opgesteld. Het rapport is uitgebracht op 26 mei 2018, nadat verweerster op
23 mei 2018 feedback had gekregen van het NIFP op het conceptrapport van 20 mei 2018.
2.5 Klager heeft niet meegewerkt aan het onderzoek, zodat het rapport moet worden aangemerkt als een zogenoemd ‘weigerrapport’.
2.6 Klaagster is in het strafrechtelijk onderzoek gehoord als getuige. De naam van klaagster komt een aantal keren voor in het rapport.
3. De klacht en het standpunt van klagers
De klacht houdt in dat verweerster:
1. het klager toekomend inzage- en correctierecht heeft geschonden en
2. ondeugdelijk onderzoek heeft verricht en een ondeugdelijke rapport heeft opgesteld Ter nadere onderbouwing van dit klachtonderdeel hebben klagers een aantal voorbeelden naar voren gebracht. Deze voorbeelden zijn illustratief en niet uitputtend bedoeld door klagers.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft zich ten aanzien van klaagster primair beroepen op niet-ontvankelijkheid. Verder heeft zij (subsidiair wat betreft klaagster) de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
De ontvankelijkheid van klaagster
5.1 Verweerster stelt dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende is aan te merken. He t handelen van verweerster in het kader van de individuele gezondheidszorg heeft alleen betrekking gehad op klager, aldus verweerster.
5.2 Het college overweegt als volgt. Om aangemerkt te worden als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) dient er aan de zijde van klaagster sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.
Tussen klaagster en verweerster bestaat geen behandelrelatie. Het betreft hier immers een forensisch psychologische adviesrapportage omtrent de persoon van klager tegen de achtergrond van een strafrechtelijk onderzoek. Vaststaat evenwel dat de door klagers opgeworpen - hierna in 5.9 te noemen - voorbeelden 4, 5 en 6 zien op beschouwingen van verweerster, die verweerster heeft geuit in haar hoedanigheid van beroepsbeoefenaar. Het verweten handelen betreft opmerkingen in het rapport over (onder meer) klaagster in persoon, die haar ook treffen in persoon. Klaagster heeft in de gegeven omstandigheden tevens een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, zoals hierna wordt toegelicht in 5.5. Dit brengt mee dat klaagster moet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Dat verweerster, zoals zij stelt, de verweten passages heeft gebaseerd op basis van informatie uit gerechtelijke stukken van (andere) getuigen en klager, doet – wat daar ook van zij – aan deze kwalificatie niet af. Daarmee is ook klaagster ontvankelijk in haar klacht.
Klachtonderdeel 1: Schending inzage- en correctierecht klager
5.3 In de NIFP Richtlijn “Ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht (volwassenen en jeugdigen”), 2007 (hierna “ de NIFP richtlijn”) staat vermeld:
“Conform de beroeps- en gedragscodes heeft betrokkene recht op inzage en correctie (maar geen blokkeringsrecht) van het conceptrapport, dus voordat dit naar de opdrachtgever verzonden wordt. Dit houdt in dat betrokkene feitelijke onjuistheden in de auto-anamnestische gegevens mag laten corrigeren. Het correctierecht betreft uiteraard niet het oordeel of het advies van de gedragsdeskundige. Betrokkene moet in de gelegenheid gesteld worden om zijn bezwaren op schrift te stellen en eventueel gelijktijdig met de rapportage naar de opdrachtgever te sturen. Als geen inzage- en correctierecht kan worden geboden of als betrokkene daarvan afziet, dan dient de reden hiervoor in het rapport aangegeven te worden.”
5.4 Verweerster erkent dat zij te snel is geweest in haar aanname dat klager door zijn weigering medewerking te verlenen aan het onderzoek, actief heeft afgezien van zijn inzage- en correctierecht. Daarmee slaagt dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel 2: Ondeugdelijk onderzoek en ondeugdelijk rapport
5.5 De tuchtrechtelijke normen
De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, eerste lid, onder a en b Wet BIG betreffen niet alleen handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm), maar ook ander handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg (de tweede tuchtnorm).
De relatie tussen verweerster en klager wordt aangemerkt als een behandelrelatie, zodat het college de klachten van klager zal toetsen aan de eerste tuchtnorm.
Ten aanzien van de klacht van klaagster dient het college de vraag te beantwoorden is of deze klachten onder de tweede tuchtnorm vallen en, zo ja, of verweerster in strijd met die norm heeft gehandeld. Daarvoor is bepalend of h et handelen van verweerster waarover klaagster klaagt, voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg. In samenhang bezien met het overwogene in 5.2, is het college van oordeel dat h et handelen van verweerster waarover klaagster klaagt, voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg.
5.6 Toetsingsmaatstaf deskundigenadvies (onderzoek & rapport)
Bij de beoordeling van de vraag of een deskundigenadvies van een beroepsbeoefenaar voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen de volgende criteria in aanmerking te worden genomen:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.7 In de NIFP-richtlijn staat, voor zover van belang:
“ 3.2 Relevante informatie uit gerechtelijke stukken
(…) Wat is relevant in het dossier? De crux is om in zo weinig mogelijk woorden te beschrijven wat er is gebeurd: het ten laste gelegde, wat de aangever tegen de politie heeft gezegd, wat getuigen hebben gezien en wat de verdachte zelf heeft verklaard. Stel uzelf de vraag: kan iemand die niets van de strafzaak weet toch begrijpen wat er heeft plaatsgevonden volgens de aangever, de getuigen en de verdachte zelf? Zolang alle betrokkenen min of meer hetzelfde verklaren, is dit betrekkelijk eenvoudig. Moeilijker wordt het als aangever, getuigen en de verdachte verschillende versies van het ten laste gelegde vertellen. U hoeft niet hele stukken uit het politiedossier over te schrijven, maar probeer juist in uw eigen woorden te vertellen hoe u de gebeurtenissen hebt begrepen.
Naast informatie over het ten laste gelegde die afkomstig is van de politie, wordt door de opdrachtgever ook een kopie verstrekt van de justitiële voorgeschiedenis (het Uittreksel Justitiële Documentatie) (…). Ook deze informatie dient hier kort beschreven te worden. (…)
Ten eerste geeft de rapporteur met het beschrijven van de informatie uit de gerechtelijke stukken aan de opdrachtgever inzicht in de wijze waarop hij deze heeft bestudeerd en geeft hij inzicht in hetgeen hij daarin belangrijk vindt. De rapporteur legt verantwoording af over het wegen van de informatie. (…)
Ten derde dient het rapport zodanig te zijn opgesteld dat het ook zonder dossierstukken gelezen kan worden. (…)
Tot slot is in de gedragscode van het NRGD vermeld dat de deskundige zich toetsbaar dient op te stellen (…)”
3.3 Medewerking aan het onderzoek
Onder deze paragraaf wordt beschreven of en in welke mate de verdachte aan het psychologisch onderzoek heeft meegewerkt. De achtergrond hiervan is dat het voor de opdrachtgever van groot belang is inzicht te verkrijgen in de redenen waarom een verdachte (deels) zijn medewerking weigert. (…) De deskundige schrijft op wat in het (soms zeer korte) onderzoekscontact en in het licht van de beschikbare gerechtelijke stukken gezegd kan worden over de (gedeeltelijke) weigering. (…)”
5.8 Het college zal het klachtonderdeel aan de hand van deze maatstaven (5.6 en 5.7) beoordelen. Daarbij is de motivering ingedeeld als volgt:
-bespreking voorbeelden van klagers ter illustratie van hun klacht,
-overwegingen met betrekking tot hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht naar aanleiding van dit klachtonderdeel,
-conclusie klachtonderdeel 2.
5.9 Voorbeelden van klagers
5.9.1 Voorbeeld 1
Op pagina 5 van het rapport staat: “Later zal de collegae huisarts waarmee betrokkene een praktijk heeft laten weten dat er diverse middelen zoals Dormicum en Morfine uit hun voorraad in de huisartsenpraktijk ontbrak .”
Verweerster bevestigt dat, zoals gesteld door klager, blijkens de hieraan ten grondslag liggende getuigenverklaring van genoemde collega huisarts, dit voorval heeft plaatsgevonden op 11 september 2017, dus na het overlijden van mevrouw W. Verweerster erkent dat zij beter de data had moeten vermelden. Het college is van oordeel dat met deze ongedateerde beschrijving van dit voorval, in samenhang bezien met de daaraan vooraf gaande beschrijving in dezelfde alinea van (sederende) medicatie die mevrouw van W. in de laatste dagen van haar leven heeft gekregen, eveneens zonder nadere datering, de suggestie wordt gewekt dat dit voorval heeft plaatsgevonden in de periode vlak voor het overlijden van mevrouw W. en waarmee – ten onrechte – een verband wordt gelegd met klager dat niet strookt met de werkelijke tijdslijn. Dat merkt het college aan als onzorgvuldig. De overige opmerkingen van klager met betrekking tot de hier bedoelde alinea zijn blijkens het klaagschrift ‘terzijde’, zodat het college deze bij de beoordeling passeert.
5.9.2 Voorbeeld 2
Op pagina 8 van het rapport staat: “Hij (betrokkene in de politieverhoren, college) toont zich cynisch en wantrouwend. Hij wil over zijn sociale omstandigheden niets verklaren. Het eerste verhoor dreigt hij te beëindigen omdat hij de stukken (nog) niet mag ontvangen. (…). Tijdens het tweede verhoor is de advocaat van betrokkene aanwezig. Betrokkene beroept zich op zijn zwijgrecht en blijft dat in alle verhoren doen.”
Klager heeft onweersproken gesteld dat hij tijdens het eerste verhoor geen advocaat had, geen inzage kreeg in het ten laste gelegde en dat hij zich heeft beroepen op zijn beroepsgeheim, alsmede dat hij bij het vierde verhoor (een verhoor bij de rechter-commissaris) wel een korte verklaring heeft afgelegd.
Het college is van oordeel dat deze informatie uit oogpunt van objectiviteit ook (explicieter) opgenomen had moeten worden in het rapport. Daarmee zou immers de wel opgenomen passage in voor klager positieve zin zijn genuanceerd wat betreft zijn houding tijdens de verhoren. Verweerster heeft door het weglaten van deze informatie onzorgvuldig gehandeld.
5.9.3 Voorbeeld 3
Op pagina 6 van het rapport staat: “Betrokkene doet in de door de politie afgeluisterde telefoongesprekken o.a. met zijn vrouw alsof mevrouw H. (afkorting, college) degene is die de diagnose “terminaal” heeft gesteld. Iets wat mevrouw H. absoluut tegenspreekt.”
Verweerster erkent dat de formulering ‘doet alsof’ niet letterlijk afkomstig is uit de gerechtelijke stukken, maar een “feitelijke vaststelling” betreft van haarzelf op basis van weging van de in de gerechtelijke stukken opgenomen inhoud van het desbetreffende afgeluisterde telefoongesprek in relatie tot andere gerechtelijke stukken. Het college beschouwt deze formulering als een (negatieve) waardering van het waarheidsgehalte van een in de gerechtelijke stukken opgenomen citaat van klager. Een dergelijke oordeelsvorming ligt niet op de weg van verweerster. Zij is daarmee buiten de grenzen getreden van haar professie en het doel van het onderzoek.
5.9.4 Voorbeeld 4
Op pagina 8 van het rapport staat: “Hij (klager, college) zegt in de verhoren dat hij zich gevoegd heeft in de wens van zijn vrouw om een kind te krijgen.” Verweerster voert aan dat deze uitspraak, anders dan klager stelt, wél voortvloeit uit een proces-verbaal van verhoor van klager (pagina 1705). Klaagster heeft dit op haar beurt niet nader weersproken, zodat het college het erop houdt dat het standpunt van verweerster juist is. Dit voorbeeld kan dus niet dienen ter onderbouwing van de stelling van klagers dat het rapport op punten geen juiste weergave geeft van de gerechtelijke stukken.
5.9.5 Voorbeeld 5
Op pagina 8 van het rapport staat: “De vrouw van betrokkene zegt tegenover de politie dat er een psychiater op afstand betrokken is geweest bij de zorg rondom haar moeder. Als deze psychiater door de politie verhoord wordt, ontkent zij mevrouw W. te kennen, laat staan dat zij iets met haar te maken heeft gehad. Ook wordt een gz-psycholoog genoemd die ook zegt geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij mevrouw W. (…)”
Klaagster stelt allereerst dat de genoemde psychiater L. betreft, die wel betrokken is geweest bij de zorg rondom mevrouw W. Verweerster acht de in het rapport vermelde ontkenning van de betrokkenheid van de psychiater niet onjuist en verwijst naar een verklaring van deze psychiater op pagina 672 en een verklaring van een GZ-psycholoog op pagina 979. Deze pagina’s zijn niet in de onderhavige procedure overgelegd. Wel heeft het college kennisgenomen van het door klaagster overgelegde tweede verhoor van psychiater L. van 4 april 2018. De psychiater geeft daarin aan door klager geconsulteerd te zijn met betrekking tot mevrouw W., dat ze zich het alleen niet meer kon herinneren en er pas later achter kwam dat de huisarts die haar consulteerde klager was.
Klaagster stelt verder, onderbouwd door overlegging van haar getuigenverhoor van 21 oktober 2017, dat zij het niet heeft gehad over de in het rapport genoemde GZ-psychologe. Zij stelt, dat dit W. betreft en dat die alleen wordt genoemd in het dossier van huisarts/E. Verweerster heeft dit niet betwist, zodat het college het ervoor houdt dat de stelling van klaagster juist is.
Het college acht deze onvolledige dan wel foute formuleringen van verweerster onzorgvuldig, nu daardoor ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat klaagster niet de waarheid heeft gesproken.
5.9.6 Voorbeeld 6
Op pagina 7 van het rapport staat: “Een ex-collegae huisarts geeft aan zich ernstige zorgen te maken over zowel betrokkene als zijn vrouw als zij zodanig onder druk komen te staan. Zij beschrijft beide partners als onberekenbaar.”
Klaagster stelt dat daarbij (onder meer) niet is vermeld dat deze getuige een door klager in onmin ontslagen waarnemer betreft. Verweerster betwist dit niet, maar voert aan dat het weglaten van deze toevoeging door klaagster de vermelding van de wel genoemde verklaring niet onjuist of suggestief maakt. Het college is met klaagster van oordeel dat het weglaten van deze toevoeging onzorgvuldig is, aangezien dit een omstandigheid is die de verklaring van deze getuige in een mogelijk nuancerende context plaatst in het voordeel van klagers.
5.9.7 Overige voorbeelden genoemd door klagers
Op pagina 1 van het rapport staat een foute weergave van het woonadres van klagers.
Verweerster erkent dit maar geeft aan dat zij dit heeft overgenomen uit het proces-verbaal van de politie, waarin meerdere adressen stonden, en dat zij op die informatie mocht vertrouwen. Het college volgt dit standpunt niet. Nu het proces-verbaal kennelijk niet eenduidig is over het woonadres, had verweerster dit nader moeten onderzoeken, ook vanwege het belang daarvan ten behoeve van het in staat kunnen stellen van de betrokkene tot het inzage- en correctierecht op het conceptrapport (wat hier, als overwogen, niet is gebeurd). Dat zij dit heeft nagelaten, acht het college onzorgvuldig.
Ook staat vast dat op de slotpagina van het rapport als BIG-registratienummer het registratienummer als gerechtelijk deskundige (NRGD) staat vermeld. Verweerster erkent dat dit slordig is. Het college acht dit onzorgvuldig, gegeven het belang dat verweerster in haar hoedanigheid van BIG-beroepsbeoefenaar in kwestie ken- en toetsbaar dient te zijn.
5.10 Overige overwegingen als besproken ter zitting
Voornoemde voorbeelden zijn door klagers bedoeld als illustratief en niet uitputtend. Ter zitting zijn bovendien nog andere aspecten ter zake van dit klachtonderdeel aan de orde gekomen. Op basis daarvan wordt het volgende overwogen.
5.10.1 Contact met klager in verband met medewerking onderzoek en inzage- en correctierecht
In hoofdstuk 1 van het rapport ‘Verantwoordelijkheid onderzoek en onderzoeksopzet’ (pagina 4) wordt weergegeven dat verweerster “na wat zoekwerk” betrokkene telefonisch heeft gesproken en dat in “het telefoongesprek” klager heeft aangegeven dat hij niet aan het onderzoek wil meewerken, hetgeen door zijn advocaat “die een aantal weken later op mijn verzoek terugbelt” wordt bevestigd. Verweerster had, gezien het belang om kennis te nemen van de visie van klager omtrent de eventuele medewerking aan het onderzoek en het inzage- en correctierecht, specifieker verantwoording dienen af te leggen van de datum en het inhoudelijk verloop van deze telefoongesprekken, met name de door klager aangevoerde redenen voor zijn door verweerster genoteerde beslissingen.
Dit klemt temeer gezien de passage: “Aan beiden (klager en zijn advocaat, college) heeft ondergetekende uitgelegd dat er desondanks een rapport opgesteld zal worden op basis van de informatie uit het dossier. Daar betrokkene geen gesprek wil met ondergetekende ziet hij af van zijn inzage- en correctierecht.” Uit de formulering van deze laatste zin, in samenhang bezien met het voorgaande, kan niet worden opgemaakt of klager aan verweerster expliciet heeft meegedeeld dat hij afziet van zijn inzage- en correctierecht of dat dit de interpretatie van verweerster is. Verweerster had hierover geen onduidelijkheid mogen laten bestaan in haar formulering. Zij had dan ook niet zonder meer in het slothoofdstuk 13 “Bespreking met de betrokkene” mogen noteren: “Hij (betrokkene, college) heeft afgezien van inzage- en correctierecht.” Verweerster heeft hier onzorgvuldig gehandeld.
5.10.2 Beschouwingen in hoofdstuk 2 in relatie tot beschikbare en geraadpleegde stukken
Op pagina 3 van het rapport wordt een opsomming gegeven van een zestal “Beschikbare en geraadpleegde stukken”. Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 van het rapport (“Relevante informatie uit de gerechtelijke stukken”) terugverwezen naar de in die opsomming genoemde stukken, te weten het “proces-verbaal van de politie” (pagina 4), het “verhoor bij de rechter-commissaris” (pagina 8 en 9) en het “trajectconsult” (pagina 9).
In hoofdstuk 2 wordt echter niet verwezen naar de andere drie in de opsomming genoemde stukken, te weten het “Overzicht aanvraag JD online, overzicht persoonsdossier”, de genoemde stukken van “Rechtbank Limburg”, de genoemde “Pleitaantekeningen” van een advocatenkantoor en het “Uittreksel justitieel documentatieregister d.d. 21-02-2018”. Het had op de weg van verweerster gelegen in het rapport toe te lichten of zij ook van deze stukken gebruikt heeft gemaakt en zo ja, welke informatie, dan wel waarom niet. In het bijzonder had verweerster in het rapport moeten vermelden dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, klager blijkens het geraadpleegde Uittreksel justitieel documentatieregister geen strafblad heeft. Het college acht het onzorgvuldig dat zij dit heeft nagelaten, nu dit relevante, objectieve informatie betreft aangaande de persoon van klager.
De eerste zin van hoofdstuk van het rapport luidt: “Er is sprake van een zeer omvangrijk politiedossier van ongeveer 2100 bladzijden.” Niet duidelijk wordt echter op welk stuk c.q. welke stukken uit de opsomming zij doelt met de term “politiedossier”, welke niet voorkomt in de opsomming van beschikbare en geraadpleegde stukken. Blijkens de aanhef van de volgende zin “Uit het proces-verbaal van de politie volgt (…)” put verweerster bij haar beschouwingen op pagina 4 tot pagina 9 klaarblijkelijk uit dat proces-verbaal. In deze beschouwingen wordt gedetailleerd ingegaan op onder meer politieverhoren van klager en getuigenverklaringen van derden, onder wie klaagster. Deze stukken zijn echter niet nader geduid. Het moge zo zijn dat ingevolge de NIFP richtlijn het rapport los van de onderliggende stukken gelezen en getoetst moet kunnen worden, maar dat neemt niet weg dat, zoals eveneens vermeld in die richtlijn, de rapporteur verantwoording dient af te leggen over het wegen van de informatie. Dit belang van ken- en toetsbaarheid klemt temeer nu in deze beschouwingen kwalificerende termen worden gebruikt zoals bijvoorbeeld (cursief: college):
-“Voor velen erg onduidelijk waarom betrokkene begonnen is met palliatief sedatie omdat mevrouw W. kort daarvoor fysiek nog in orde was.” (pagina 6),
-“Door meerdere mensen wordt vermeld dat betrokkene de kamer van mevrouw W. binnen is gegaan, de deur afgesloten heeft en duidelijk heeft gemaakt aan het personeel dat er niemand binnen moet komen. Dat is ongebruikelijk in het verzorgingstehuis en heeft vragen opgeroepen.” (pagina 6)
-“In de politieverhoren van betrokkene toont betrokkene zich duidelijk vijandig naar de politie in de zin dat hij termen gebruikt als ‘gluren’ in zijn leven en dat zij hem ‘in studie’ hebben.”(pagina 8)
Verweerster maakt niet duidelijk of zij letterlijk citeert uit de (niet nader geduide) geraadpleegde stukken uit het proces-verbaal of dat zij daarvan een samenvatting geeft, hetgeen zou neerkomen op haar eigen interpretatie daarvan.
Het rapport vermeldt aldus onvoldoende de bronnen waarop de geformuleerde bevindingen van verweerster berusten en evenmin wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden deze bevindingen steunen. Deze handelwijze is onzorgvuldig uit oogpunt van het belang van ken- en toetsbaarheid van het door verweerster verrichte onderzoek en de geformuleerde weerslag daarvan in het rapport.
Bovendien heeft verweerster desgevraagd ter zitting erkend dat de informatie in de noot (1) onderaan pagina 7 van het rapport (“Betrokkene is in het nieuws geweest in een zaak die veel commotie opleverde. (…)” niet afkomstig is uit de opgesomde ‘Beschikbare en geraadpleegde stukken’, maar dat zij dit zelf heeft gegoogled en “gewoon voor de gelegenheid” heeft opgeschreven in het rapport, bedoeld als “verdieping, niet als beeldvorming”. Ook deze handelwijze is onzorgvuldig te achten, temeer nu de informatie in de noot onmiskenbaar wel kleuring geeft aan de persoon van klager.
5.10.3 “Beantwoording van de vraagstelling”
Dit hoofdstuk 11 van het rapport (pagina 10) begint met de zin “Betrokkene wenst niet mee te werken aan het psychologisch onderzoek. Derhalve is het niet mogelijk te komen tot een beantwoording van vragen.” Verweerster geeft vervolgens weliswaar geen antwoord op de vragen (die zijn geformuleerd op pagina 3 van het rapport onder ‘Vraagstelling’), maar komt wel met de volgende beschouwing:
“In het dossier worden door talrijke getuigen uitspraken gedaan over de persoonlijkheid en het gedrag van betrokkene die mogelijk kunnen wijzen in de richting van (narcistische) persoonlijkheidsproblematiek (hooghartig, eigenwijs, arrogant, niet kunnen reflecteren, alles zelf willen doen, niet op andere deskundigen vertrouwen) en/of van een stoornis in het autisme spectrum (ongepaste opmerkingen, gebrek aan afstemming met zijn omgeving, rigiditeit). Er is veel onduidelijkheid over de motieven van betrokkene om te handelen zoals hij gedaan heeft. Het gaat om ernstige ten laste leggingen.”
Het college overweegt allereerst dat verweerster niet het oordeel toekomt dat klager ‘heeft gehandeld zoals hij heeft gehandeld” en dat het gaat om “ernstige ten laste leggingen”. Dit oordeel is immers aan de rechter. Verweerster overschrijdt hiermee de grenzen van haar deskundigheid en wekt met deze formulering de schijn van vooringenomenheid ten aanzien van de strafrechtelijke verdenkingen jegens klager.
Het college stelt verder vast dat in de geciteerde beschouwing wordt verwezen naar “het dossier” zonder dat duidelijk wordt welk onderdeel van het dossier. Evenmin wordt gerefereerd aan voorafgaande beschouwingen in hoofdstuk 2, waaruit deze bevindingen kunnen worden afgeleid. Het college ziet op pagina 7 van het rapport beschouwingen terug ten aanzien van verklaringen over de persoon van klager van “een ex-collegae huisarts”, een “andere collegae huisarts”, “medewerkers van het verzorgingstehuis” en “de doktersassistenten in de huisartsenpraktijk van betrokkene en zijn collega”. Voor deze beschouwingen geldt echter, zoals ook is overwogen in 5.10.2, dat v erweerster niet duidelijk maakt of zij letterlijk citeert uit (niet nader genoemde) geraadpleegde bronnen of dat zij daarvan een samenvatting geeft, hetgeen zou neerkomen op haar eigen interpretatie daarvan. Het college is dan ook van oordeel dat verweerster op basis van “deze uitspraken” in redelijkheid niet kan concluderen dat deze “ mogelijk kunnen wijzen in de richting van (narcistische) persoonlijkheidsproblematiek (…) en/of van een stoornis in het autisme spectrum (…)”. Daarvoor zijn de beschouwingen in het rapport waarop deze conclusie kennelijk is gebaseerd te diffuus en daarmee onvoldoende ken- en toetsbaar, temeer nu – gegeven de status van “weigerrapportage” – enige auto-anamnese ontbreekt. Verweerster heeft zich aldus op speculatief terrein begeven, is buiten de grenzen van haar bevoegdheid getreden en heeft zodoende onzorgvuldig gehandeld. De ernst van dit verwijt klemt temeer gelet op de volgende passage in hoofdstuk 11:
“Mocht de rechtbank een beeld van betrokkene wenselijk en/of noodzakelijk achten voor een goede behandeling van het ten laste gelegde adviseert ondergetekende om betrokkene klinisch te laten observeren in het F. Ook al zou hij het onderzoek weigeren kan er een milieuonderzoek en klinische observatie gedaan worden.”
Dit – ingrijpende en verstrekkende –advies wordt, zo begrijpt het college, door verweerster gegeven op basis van de mogelijkheid van de diagnose zoals hiervoor door haar is verwoord, en moet dan ook worden aangemerkt als een conclusie. Verweerster had, gezien het voorgaande, in redelijkheid niet mogen concluderen tot dit advies, aangezien in het rapport niet op voldoende inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet wordt waarop deze conclusie steunt.
Het college stelt bovendien vast dat verweerster een advies geeft dat niet aan haar opdrachtgever (de Officier van justitie) is gericht maar aan de rechtbank. Daarmee miskent zij het doel van haar rapportage. Daar komt bij dat de formulering “een goede behandeling van het ten laste gelegde” onzorgvuldig is, nu het eerst aan de rechtbank is om zich een oordeel te vormen over het ten laste gelegde. Ook met deze formulering overschrijdt verweerster de grenzen van haar professie en wekt zij de schijn van vooringenomenheid ten aanzien van de strafrechtelijke verdenkingen jegens klager.
5.11 Conclusie klachtonderdeel 2
Met inachtneming van voornoemde maatstaven (5.6 en 5.7) is het college op grond van het voorgaande van oordeel dat dit klachtonderdeel integraal slaagt ten aanzien van beide klagers. Ten aanzien van klager geldt dat de eerste tuchtrechtelijke toetsingsnorm (5.5) is geschonden. Wat klaagster betreft overweegt het college dat nu de door klaagster naar voren gebrachte voorbeelden 5 en 6 slagen ter onderbouwing van klachtonderdeel 2, de tweede tuchtrechtelijke toetsingsnorm (5.5) is geschonden.
Eindconclusie / Maatregel
5.12. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in haar beide onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klagers had behoren te betrachten.
5.13 Ten aanzien van de vraag welke maatregel gegeven deze gegrondverklaringen passend is, overweegt het college als volgt.
Allereerst heeft verweerster het inzage- en correctierecht van klager geschonden, dat – als niet weersproken – in een zogenoemd ‘weigerrapport’ evenzeer relevant is als in een deskundigenrapport waaraan betrokkene wel medewerking verleent. Verweerster heeft ter zitting weliswaar aangegeven hier lering uit te zullen trekken, echter het kennelijke gemak waarmee verweerster blijkens het rapport en haar in de onderhavige procedure gegeven toelichting ervan is uitgegaan dat klager afstand had gedaan van dit – basale – recht, baart het college niettemin zorgen.
Daar komt bij dat het rapport en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek op essentiële punten niet aan de hiervoor geldende criteria voldoen. Ook is verweerster in het rapport op een aantal punten buiten de grenzen van haar deskundigheid getreden en heeft zij de schijn van vooringenomenheid gewekt. Verweerster heeft ter zitting naar het oordeel van het college tamelijk passief opgesteld naar aanleiding van de vragen die aan haar zijn gesteld. Het college twijfelt daardoor of zij zich werkelijk rekenschap heeft gegeven van de specifieke verantwoordelijkheid die inherent is aan het werk als forensisch psychologisch rapporteur, het belang van punctualiteit, het alert zijn op de wijze van formuleren, het zich bewust zijn van het onderscheid tussen weergave van feiten en de interpretatie/waardering daarvan, de begrenzingen die de professie en het doel van deze rapportage met zich brengen en de noodzaak tot terughoudendheid, juist ook in het stadium waarin –zoals in dit geval – de onderliggende strafzaak nog gaande is en er nog geen rechterlijk oordeel is gevormd over het ten laste gelegde strafbare feit.
Het college is alles overziend van oordeel dat het handelen en nalaten van verweerster dermate ernstig is dat niet met het opleggen van de lichtste maatregel kan worden volstaan. De oplegging van de maatregel van berisping wordt daarvoor passend geacht.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, met name gezien de relevantie van het debat over dit onderwerp binnen de beroepsgroep, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- legt op de maatregel van berisping;
- b epaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften De Psycholoog, GZ-psychologie en de Nieuwsbrief forensische zorg ter bekendmaking zal worden aangeboden.
Aldus beslist door:
mr. P.J. van Eekeren, voorzitter,
drs. W.C.B. Hoenink, drs. E.S.J. Roorda-de Man en dr. Th.A.M. Deenen, leden-GZ-psycholoog,
mr. E.A. Messer, lid-jurist,
bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 5 november 2018 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
WG WG
secretaris voorzitter